Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1804

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
20-10-2020
Zaaknummer
2200114618
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

420ter Sr – medeplegen van gewoontewitwassen + 3 sub b Opiumwet - hennepteelt; GEV 43 maanden + beslag. Vernietiging. Bewezenverklaring van gewoontewitwassen van bitcoins en een geldbedrag. Het hof is van oordeel dat bitcoins, vanwege hun eigenschappen, strafrechtelijk gezien als voorwerp gekwalificeerd kunnen worden. Verdachte heeft gedurende ongeveer 2 jaren als cashtrader gehandeld in bitcoins door (via internet) bezitters van bitcoins aan te bieden hun bitcoins om te zetten in contant geld. Verdachte verkocht de verkregen bitcoins vervolgens aan cryptocurrency exchanges als Kraken of Bitstamp. Deze bedrijven betaalden verdachte uit op bankrekeningen op zijn eigen naam en die van anderen. De identiteit van zijn klanten heeft de verdachte niet vastgesteld en ook overigens hield hij geen administratie van zijn klanten bij. De verdachte hield slechts bij op welke datum hij een transactie heeft uitgevoerd, om welk bedrag het ging en de netto winst van die transactie in procenten uitgedrukt. Verdachte hanteerde een hoog commissiepercentage, sprak af op openbare plekken en het ging veelal om grote bedragen. De gedragingen van verdachte voldoen hierdoor aan meerdere onderdelen van de in 2017 door de FIU opgemaakte Witwastypologieën Virtuele betaalmiddelen, waardoor van verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De door de verdachte gegeven verklaring kan niet worden aangemerkt als een dergelijke verklaring voor de niet-criminele herkomst van het geld. Die verklaring en de overgelegde stukken bieden geen reëel tegenwicht aan het vermoeden van witwassen. Het hof is van oordeel dat de bitcoins en de geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren en dat verdachte wist van de illegale herkomst. Gelet op de periode van bijna twee jaren, de hoogte van het totaalbedrag en de bedrijfsmatige handelswijze is het hof van oordeel dat verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Partiële vrijspraak van het medeplegen van hennepteelt, i.v.m. onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor bewuste en nauwe samenwerking. Overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001146-18

Parketnummer: 10-960005-16

Datum uitspraak: 22 september 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 maart 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats]

(Groot-Brittannië),

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1.
Hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2014 tot 14 maart 2016 te Amsterdam, althans in Nederland

(telkens)

tezamen en in verenging met een ander of anderen, althans alleen, van (een) voorwerp(en), te weten een of meer bitcoins en/of een of meer geldbedrag(en) (in totaal EUR 11.690.267,85), de werkelijke aard en/of herkomst en/of vindplaats en/of vervreemding en/of verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die geldbedrag(en) is/zijn en/of dat geldbedrag voorhanden heeft gehad,

en/of (een) voorwerp(en), te weten een of meer bitcoins en/of een of meer geldbedrag(en) (in totaal EUR 11.690.267,85) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet en/of van dat/die geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) van bovengenoemd(e) feit(en) een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

2.
Hij in of omstreeks de periode van 7 juni 2012 tot en met 8 november 2012 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, in een pand aan de [pand] te Amsterdam, een hoeveelheid van in totaal 76 hennepplanten, althans een hoeveelheid hennepplanten, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

4 jaren, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.


Partiële vrijspraak (feit 2)

Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte samen met zijn partner de hennep heeft geteeld. Op een foto in het dossier is weliswaar te zien dat de partner van de verdachte met handschoenen aan poseert tussen de hennepplanten, maar dit is naar het oordeel van het hof onvoldoende om tot een bewezenverklaring van de voor het tenlastegelegde medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking te komen. Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van het onder 2 tenlastegelegde medeplegen.

Nadere bewijsoverweging (feit 1)

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich – kort en zakelijk weergegeven - op het standpunt gesteld dat de door de verdachte verhandelde bitcoins en het geld van misdrijf afkomstig waren en dat de verdachte wetenschap heeft gehad omtrent de illegale herkomst hiervan.

De advocaat-generaal heeft daartoe allereerst aangevoerd dat de bitcoins, het geld dat de verdachte daarvoor via Cryptocurrency Exchange Kraken (hierna: Kraken) ontving, alsmede het geld dat hij aan de verkopers uitbetaalde, alle van enig misdrijf afkomstig zijn. Hoewel de directe koppeling tussen tijd en plaats van dit misdrijf niet te maken is, kan volgens de advocaat-generaal worden bewezen dat de bitcoins en het geld afkomstig zijn van handel op darkwebmarkets. De advocaat-generaal wijst onder meer op onderzoek van de politie waaruit blijkt dat een groot deel van de bitcoins die via Kraken zijn ontvangen middellijk of onmiddellijk afkomstig zijn van enig misdrijf. Uit onderzoek met de tool Chainalysis blijkt dat een deel van de bitcoins afkomstig is van bitcoin mixing services, een deel direct van darkwebmarkets en een deel van een eerder geïdentificeerde vendor op darkwebmarkets onder de nickname “HollandOnline”.

De advocaat-generaal heeft verder aangevoerd dat voor zover nog wordt betoogd dat er ook legale goederen via darkwebmarkets worden verkocht, hierover door de verdachte op geen enkele wijze is verklaard. Daar komt bij dat legale verkopers geen enkel belang hebben bij het contant maken van hun bitcoins in plaats van — bijvoorbeeld – deze via Kraken om te zetten in euro’s.

Subsidiair bestaat er volgens de advocaat-generaal een zeer sterk vermoeden dat de bitcoins en het geld van misdrijf afkomstig zijn, nu de werkwijze van de verdachte voldoet aan een groot deel van de door de Financial Intelligence Unit - Nederland (hierna: FIU) in 2017 opgestelde witwastypologieën. De verdachte heeft tot op heden geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven omtrent de gestelde legale herkomst van die bitcoins, aldus de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat het niet anders kan dan dat de verdachte heeft geweten dat de bitcoins en het geld van misdrijf afkomstig waren.

Standpunt van de verdediging

Door en namens de verdachte is – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de verdachte weliswaar heeft gehandeld als zogenaamde bitcoinexchanger, maar dat hij zich hiermee niet schuldig heeft gemaakt aan witwassen van bitcoins en geld.

De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte geen hoge commissietarieven hanteerde in vergelijking met andere cashtraders. Voorts is aangevoerd dat de verdachte geen gebruik heeft gemaakt van bitcoinmixers en zijn bitcoins niet heeft omgezet naar andere cryptovaluta. Volgens de verdediging was de verdachte derhalve voor malafide bitcoineigenaren niet de perfecte – of zelfs maar enigszins geschikte – wisselaar. De verdachte zou er dan ook van zijn uitgegaan dat malafide eigenaars hun toevlucht zouden zoeken tot bitcoinmixers en niet tot hem.

Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte geen opzet heeft gehad. Het commissiepercentage is verklaarbaar en geen reden om opzet aan te nemen. Het zijn van cashtrader en het om die reden uitbetalen in contant geld is evenzeer verklaarbaar en evenmin een reden om opzet aan te nemen. Ook het feit dat bankrekeningen van derden werden gebruikt is geen reden om opzet aan te nemen. De verdachte is hierover bovendien altijd transparant geweest.

Vervolgens heeft de verdediging gesteld dat de criminele herkomst van de bitcoins niet kan worden vastgesteld, waardoor geen bewezenverklaring van witwassen kan volgen. Uit de processen-verbaal met nummers LERDA15017-478 en LERDA15017-479 kunnen geen rechtsgeldige conclusies worden getrokken. Mocht het hof tot de conclusie komen dat het aannemelijk is dat de door de verdachte verhandelde bitcoins afkomstig zijn van enig misdrijf, dan heeft de verdediging het voorwaardelijk getuigenverzoek gedaan tot het horen van de opstellers van de voornoemde processen-verbaal.

Beoordeling

De verdachte wordt kort gezegd verweten dat hij bitcoins en een geldbedrag met een waarde van in totaal € 11.690.267,85 heeft witgewassen. Aan het begrip voorwerp in de zin van artikel 420bis en 420ter Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) komt een autonome strafrechtelijke betekenis toe en is ruim omschreven - het omvat ‘alle zaken en alle vermogensrechten’. Het hof ziet zich in dit verband voor de vraag gesteld of bitcoins kunnen worden aangemerkt als zijnde een voorwerp in de zin van voornoemde artikelen.

Het hof overweegt daartoe als volgt. Bitcoins zijn voor menselijke beheersing vatbare objecten met een reële waarde in het economische verkeer die voor overdracht vatbaar zijn. Er kan met bitcoins worden betaald. De feitelijke en exclusieve heerschappij ligt bij degene die toegang heeft tot een wallet en wordt verloren bij een succesvolle transactie naar een andere wallet. Bitcoins zijn bovendien individueel bepaalbaar: van iedere bitcoin wordt het ontstaan en iedere transactie die ermee wordt uitgevoerd, in de blockchain bijgehouden.

Het hof is derhalve van oordeel dat bitcoins, vanwege vorenomschreven eigenschappen, strafrechtelijk gezien als voorwerp gekwalificeerd kunnen worden.

Het hof beoordeelt de zaak als volgt.

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder a Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf" kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Indien door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.


Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.

Het hof leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.

De verdachte heeft in de periode van 1 mei 2014 tot en met 14 maart 2016 gehandeld in bitcoins. De verdachte bood (via internet) bezitters van bitcoins aan om hun bitcoins om te zetten in contant geld. Zij maakten bitcoins over naar een van de wallets van de verdachte en kregen vervolgens de tegenwaarde van deze bitcoins minus een commissiepercentage direct in contanten uitbetaald. De verdachte heeft de identiteit van zijn klanten niet vastgesteld en hield ook overigens geen administratie van zijn klanten bij. De verdachte hield slechts bij op welke datum hij een transactie heeft uitgevoerd, om welk bedrag het ging en de netto winst van die transactie in procenten uitgedrukt. Uit het procesdossier blijkt dat het in enkele gevallen ging om transacties tot bedragen van € 50.000 in contanten. Deze transacties werden op openbare plaatsen uitgevoerd. De verdachte verkocht de verkregen bitcoins vervolgens aan cryptocurrency exchanges als Kraken of Bitstamp. Deze bedrijven betaalden de verkoopprijs van de bitcoins uit op de door de verdachte gebruikte bankrekeningen op zijn eigen naam en op die van anderen waarmee verdachte veelal afspraken had gemaakt. In totaal is in de tenlastegelegde periode een bedrag van € 11.690.267,85, afkomstig van dergelijke cashtrades, naar deze verschillende bankrekeningen overgemaakt. De verdachte nam het grootste deel van dit geld contant op. Uit het procesdossier volgt dat de verdachte een commissiepercentage hanteerde variërend van 5 tot 8%. Naar eigen zeggen ontving de verdachte gemiddeld ongeveer 4% van het bedrag van de transactie. Reguliere cryptocurrency exchanges hanteren een commissie van maximaal 1%.

Het hof stelt op basis van deze feiten en omstandigheden vast dat de gedragingen van de verdachte voldoen aan meerdere onderdelen van de in 2017 door de FIU opgemaakte Witwastypologieën Virtuele betaalmiddelen.

Op grond daarvan acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat de bitcoins en geldbedragen in de tenlastelegging uit enig misdrijf afkomstig zijn. Dat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

De verdachte heeft zich bij de politie telkens beroepen op zijn zwijgrecht en heeft pas ter terechtzitting in eerste aanleg voor het eerst een verklaring afgelegd. Ook in hoger beroep heeft de verdachte een verklaring afgelegd. Door en namens de verdachte is verklaard dat het commissiepercentage dat hij hanteerde niet buitensporig was, nu zijn diensten snel, veilig en eenvoudig waren – in tegenstelling tot de diensten van reguliere cryptocurrency exchanges. Bovendien werd hiermee het risico gedekt dat de verdachte liep door tussentijdse waardedaling van de door hem ontvangen bitcoins. Door en namens de verdachte is voorts verklaard dat hij wel degelijk een administratie heeft bijgehouden van zijn transacties. Bijlage 6 bij de voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak door de raadsman schriftelijk ingebrachte ‘Schriftelijke zienswijze verdediging’ zou dit kunnen onderbouwen. Deze bijlage toont een zestal transacties die de betrokkene met zijn klanten heeft gesloten. Namens de verdachte is hierover verklaard dat deze weergave een representatief gedeelte vormt van de informatie die hij heeft teruggevonden in een back-upbestand.

Het hof is van oordeel dat de verklaring die de verdachte heeft gegeven niet als een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de niet-criminele herkomst van het geld kan worden aangemerkt. De transacties weergegeven op de zojuist genoemde bijlage 6 tonen immers geen namen, waardoor het hof op geen enkele wijze heeft kunnen verifiëren dat de verdachte handelde met bonafide bezitters van bitcoins. Voorts is de gestelde link tussen transacties en de agenda van de verdachte niet nader onderbouwd. Nu deze agenda slechts voornamen of nog vagere aanduidingen van de klanten van verdachte noemt, mocht zulks wel van verdachte verlangd worden.

De verklaring en de overgelegde stukken bieden aldus geen reëel tegenwicht aan het vermoeden van witwassen. Enige aanleiding voor het openbaar ministerie om over te gaan tot nader onderzoek naar een legale herkomst van de bitcoins en de geldbedragen ontbreekt. Het hof is, alles afwegende, dan ook van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de bitcoins en de geldbedragen die de verdachte in de ten laste gelegde periode voorhanden heeft gehad, een legale herkomst hadden. Bewezen is derhalve dat de bitcoins en geldbedragen van enig misdrijf afkomstig waren. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, kan naar oordeel van het hof eveneens bewezen worden verklaard dat de verdachte wist dat de bitcoins en geldbedragen van enig misdrijf afkomstig waren.
Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde witwassen. Het hof is gelet op de lange bewezenverklaarde periode van bijna twee jaren, de hoogte van het totaalbedrag aan bitcoins en de bedrijfsmatige wijze waarop de verdachte te werk is gegaan van oordeel dat de verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt.
Het hof verwerpt het ter zake gevoerde verweer.

Nu het hof de door de raadsman in het voorwaardelijk gedane getuigenverzoek genoemde processen-verbaal niet tot het bewijs bezigt, vervalt de noodzaak tot het horen van de in dat verzoek vermelde getuigen. Het hof wijst het voorwaardelijk verzoek om die reden af.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
Hij op tijdstippen in de periode van 1 mei 2014 tot 14 maart 2016 in Nederland

telkens

tezamen en in verenging met anderen, van voorwerpen, te weten bitcoins en geldbedragen (in totaal EUR 11.690.267,85), de herkomst heeft verborgen en verhuld, dan wel verborgen en verhuld wie de rechthebbenden op die geldbedragen zijn en dat geldbedrag voorhanden heeft gehad,

en voorwerpen, te weten bitcoins en geldbedragen (in totaal EUR 11.690.267,85) heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en omgezet en van die geldbedragen gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf

terwijl hij, verdachte en zijn mededaders van bovengenoemd feit een gewoonte hebben gemaakt;


2.
Hij in de periode van 7 juni 2012 tot en met 8 november 2012 te Amsterdam, opzettelijk heeft geteeld, in een pand aan de [pand] te Amsterdam, een hoeveelheid van in totaal 76 hennepplanten, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van gewoontewitwassen.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen. De verdachte heeft als zogenaamde cashtrader gedurende een periode van ongeveer twee jaren bitcoins van bezitters van bitcoins ontvangen en deze eigenaren daarvoor grote bedragen contant geld uitbetaald. In totaal is op deze manier door de verdachte en zijn mededaders een bedrag van ruim 11 miljoen euro witgewassen.

Door aldus te handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het faciliteren van de aan het criminele vermogen onderliggende criminaliteit. Het witwassen vormt bovendien een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de integriteit van het financiële handelsverkeer. Ook worden op deze manier inkomsten en vermogens onttrokken aan het zicht van de belastingdienst. Het kan niet anders dan dat de verdachte zich hierbij enkel heeft laten drijven door winstbejag, zulks ten koste van de samenleving.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het telen van hennep in zijn woning. De verdachte heeft zich hierbij niet bekommerd om de gevolgen van de illegale hennepteelt voor de volksgezondheid. Hennep bevat de voor de volksgezondheid schadelijke stof THC en is daarom door de wetgever op de bij de Opiumwet behorende lijst II geplaatst. Het gebruik van stoffen, voortkomend uit de hennepteelt, is niet alleen schadelijk voor de volksgezondheid, maar werkt ook direct en indirect vele vormen van criminaliteit in de hand. Daar komt bij dat hennepteelt regelmatig overlast en (brand)gevaarlijke situaties veroorzaakt in panden.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

25 augustus 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Ten aanzien van de redelijke termijn overweegt het hof als volgt.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting is afgerond met een eindarrest binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Het hof is van oordeel dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden.

Immers, de tijd die is verstreken tussen de aanvang van de redelijke termijn in hoger beroep op 15 maart 2018 en het eindarrest op 22 september 2020 is langer dan twee jaar. Dit maakt dat de redelijke termijn met een half jaar is overschreden.

Het hof is van oordeel dat deze overschrijding tot een matiging van de op te leggen straf moet leiden. De gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, die het hof in beginsel passend acht, zal derhalve worden verlaagd tot een gevangenisstraf voor de duur van 43 maanden.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van voormelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

Onder de verdachte zijn meerdere voorwerpen in beslag genomen.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hof overeenkomstig de beslagbeslissing in eerste aanleg dient te beslissen.

Standpunt van de raadsman

De raadsman van de verdachte heeft zich niet uitgesproken over de inbeslaggenomen voorwerpen.

Beoordeling

Verbeurdverklaren

De onder nummer 13, 18, 19, 20, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 34, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 68, 69, 70, 71 en 72 (op de bij dit arrest als bijlage aangehechte beslaglijst) inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard, nu dit voorwerpen betreft met behulp van welke de onder 1 of 2 bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

De onder nummer 1, 3, 12, 14, 15, 16, 21 en 59 inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard, nu dit voorwerpen betreft die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit zijn verkregen, zodat deze voorwerpen, toebehorend aan de verdachte, vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Onttrekking aan het verkeer

Het onder nummer 2 inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, dat bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte onder 1 en 2 begane misdrijven is aangetroffen, aan verdachte toebehoort en kan dienen tot het begaan of voorbereiden van misdrijven, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Teruggave aan de verdachte

Ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11 en 17 zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 24, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 57 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 43 (drieënveertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. Geld Euro, waarde 80.000,00 (976x100 312x50);

3. 1.00 STK Boot LIFESTYLE 750 Tender, waarde 32.666,00;

12. Geld Euro, 6.000 euro, waarde 6.000,00;

13. 1.00 STK Computer, APPLE Imac, KO143.02.01.001;

14. 1.00 STK Papier, Huurovereenkomst;

15. 1.00 STK Papier, ADR;

16. 1.00 STK Sleutel;

18. 1.00 STK Harddisk, USB STICK;

19. 1.00 STK Harddisk, USB STICK;

20. 1.00 STK GSM zaktelefoon, SAMSUNG + Oplader;

21. 1.00 STK Sleutel, Bootsleutel;

22. 1.00 STK Bankpas, ING;

23. 1.00 STK Bankpas, ABN-AMRO;

24. 1.00 STK Bankpas, ABN-AMRO;

25. 1.00 STK Bankpas, ABN-AMRO;

26. 1.00 STK Bankpas, ABN-AMRO;

27. 1.00 STK Bankpas, ABN-AMRO;

28. 1.00 STK Bankpas, ABN-AMRO;

29. 1.00 STK Bankpas, ABN-AMRO;

30. 1.00 STK Bankpas, ABN-AMRO;

31. 1.00 STK Papier, Papier met bitcoin adres;

32. 1.00 STK Creditcard, M&S;

34. 2.00 STK Brief, Twee delen van ABN-AMRO brieven;

35. 1.00 STK Kentekenbewijs;

36. 1.00 STK Kentekenbewijs;

37. 1.00 STK Kaart, TESCO Bank;

38. 1.00 STK Kaart, HSBC DEBIT;

39. 1.00 STK Creditcard, HSBC;

40. 1.00 STK Laptop;

41. 3.00 STK Poststuk;

42. 1.00 STK Papier, A4;

43. 1.00 STK GSM zaktelefoon;

44. 1.00 STK GSM zaktelefoon;

45. 1.00 STK Papier, Notitieblok met aantekeningen;

46. 1.00 STK Papier, Papier met bitcoin adres en private key;

47. 1.00 STK Bankpas, ABN-AMRO;

48. 1.00 STK Creditcard, HSBC;

49. 1.00 STK Bankpas, ABN-AMRO;

50. 1.00 STK Bankpas, ABN-AMRO;

51. 1.00 STK Bankpas, ABN-AMRO;

52. 1.00 STK Bankpas, ABN-AMRO;

53. 1.00 STK Kaart, HSBC DEBIT;

54. 1.00 STK Kaart, HSBC DEBIT;

55. 1.00 STK Kaart, HSBC DEBIT;

56. 1.00 STK Bankpas, ABN-AMRO;

57. 1.00 STK GSM zaktelefoon;

58. 1.00 STK Harddisk, USB STICK Lexar;

59. 1.00 STK Personenauto [kenteken AUDI], AUDI A5 Kl:grijs Audi A5 met kenteken [kenteken AUDI], waarde 17.570,00;

60. 1.00 STK Vorderingen, RABOBANK, rekening Rabobank [rekening 1], waarde 2.938,43;

61. 1.00 STK Vorderingen, ABN AMRO rekening [rekening 2];

62. 1.00 STK Vorderingen, ABN AMRO rekening [rekening 3];

63. 1.00 STK Vorderingen, ABN AMRO rekening [rekening 4];

64. 1.00 STK Vorderingen, SNS bank rekening [rekening 5];

65. 1.00 STK Vorderingen, SNS bank rekening [rekening 6];

66. 1.00 STK Vorderingen, Rabo bank rekening [rekening 7];

67. 1.00 STK Vorderingen, Rabo bank rekening [rekening 8];

68. 1.00 STK Vorderingen, ABN AMRO bank rekening [rekening 9];

69. 1.00 STK Vorderingen, ABN AMRO bank rekening [rekening 10];

70. 1.00 STK Vorderingen, ABN AMRO bank rekening [rekening 11];

71. 1.00 STK Vorderingen, ABN AMRO bank rekening [rekening 12];

72. 4.00 STK Hennep, Vier pallets met hennep gerelateerde artikelen;

beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

2. 1.00 STK Wapen PEPPERSPRAY;

gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

4. Geld buitenlands, 5 pond, waarde 6,33;

5. Geld buitenlands, 22 dollar, waarde 19,72;

6. Geld euro, 110, waarde 110;

7. Geld buitenlands, 10 Indiaase rupi, waarde 0,15;

8. Geldbuitenlands, 60 Zweedse kronen, waarde 6,48;

9. Geld buitenlands, 9 Maleisische ringgit, waarde 1,99; 10. Geld buitenlands, 25 pond, waarde 29,61;

11. Geld euro, 60 euro, waarde 60;

17. 1.00 STK Horloge, LONGINES Flagship, polshorloge.

Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman,

mr. C.H.M. Royakkers en mr. J.W. van den Hurk, in bijzijn van de griffiers mr. S.J. de Vries en mr. J.J. Mossink.

Mr. C.H.M. Royakkers en mr. S.J. de Vries zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 september 2020.