Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1773

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
200.262.546/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling samenlevingsovereenkomst. Alimentatiebeding: ratio. Haviltex. Redelijke uitleg beding brengt mee dat de vrouw geen recht (meer) heeft op alimentatie. Twee woningen in mede-eigendom. Rekening en verantwoording. Huurinkomsten. Hypotheekrente. Herstelkosten woning. Gebruiksvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0243
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.262.546/01

Zaak- rolnummer rechtbank : C/10/539587/ HA ZA 17-1101

Arrest van 8 september 2020

Inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant, tevens incidenteel geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. P. van Tour te Rotterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde, tevens incidenteel appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. L.C. Baars te Rotterdam.

Het verloop van het geding

De man is op 7 juni 2019 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 6 maart 2019 van de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen.

Bij memorie van grieven heeft de man 6 grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord heeft de vrouw verweer gevoerd tegen de door de man geformuleerde grieven; tevens heeft zij voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld. De vrouw heeft niet expliciet haar grieven geformuleerd tegen het bestreden vonnis. De vrouw heeft in randnummer 10 in algemene bewoordingen haar voorwaardelijke incidentele vordering geformuleerd.

De man heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd tegen de voorwaardelijke incidentele vordering van de vrouw.

Ter zitting van het hof van 10 juli 2020 is de zaak bepleit door de advocaat van de man en de advocaat van de vrouw.

De beoordeling van het hoger beroep

Enige feiten.

1. Partijen hebben op 16 september 1998 een samenlevingsovereenkomst gesloten. Deze samenlevingsovereenkomst is opgesteld door een notaris.

2. Partijen hebben in artikel 1 van deze samenlevingsovereenkomst een bepaling opgenomen met betrekking tot de draagplicht inzake de kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Ook hebben zij een definitie gegeven van het netto inkomen. In artikel 3 van de samenlevingsovereenkomst hebben partijen een regeling getroffen met betrekking tot de gemeenschappelijke inboedel. Met betrekking tot de vraag wat onder inboedel moet worden verstaan is verwezen naar artikel 3:5 Burgerlijk Wetboek (hierna ook BW). In artikel 5 is geregeld de wijze waarop de samenlevingsovereenkomst wordt ontbonden. In artikel 6 is een alimentatieverplichting opgenomen van de man jegens de vrouw. In artikel 9 is nog een regeling getroffen inzake tijdelijke voortzetting woongenot, waaronder het recht van een gebruiksvergoeding van een woning die partijen in eigendom of in mede-eigendom toebehoort.

3. Partijen hadden in mede-eigendom een tweetal woningen te [plaatsnaam] aan [Adres een] en aan [Adres twee] . De woning aan [Adres een] is in 2018 verkocht en geleverd aan een derde. De woning aan [Adres twee] is aan de vrouw toegedeeld. De woning aan [Adres twee] was tot maart 2014 aan een derde verhuurd. De huurder heeft in de woning aan [Adres twee] een hennepkwekerij geëxploiteerd, als gevolg waarvan aan deze woning schade is ontstaan.

4. In het kader van de afwikkeling van de samenleving is tussen partijen een groot aantal geschillen ontstaan; dit heeft erin geresulteerd dat de vrouw de man heeft gedagvaard. Op 6 maart 2019 heeft de rechtbank vonnis gewezen. Partijen procederen inmiddels 7 jaar in het kader van de afwikkeling van hun samenleving.

Vonnis 6 maart 2019

5. Door de rechtbank is het navolgende beslist:

  1. Deelt het aandeel van de man in de woning [Adres twee] aan de vrouw toe, onder de opschortende voorwaarden dat zij binnen drie maanden na de notariële levering erin slaagt de hypotheekschuld bij ABN-AMRO ten bedrage van € 254.724,99 als een eigen schuld te dragen en dat de man zal worden ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake de hypothecaire geldleningen op de woning [Adres twee] .

  2. Stelt de waarde van de woning [Adres twee] vast op € 342.500,- en gelast partijen, voor het geval partijen het niet eens zijn met deze waarde, om binnen een maand na de uitspraakdatum, voor beider rekening een gezamenlijk aan te wijzen makelaar opdracht te geven om de huidige waarde van de woning [Adres twee] , mede gelet op de partijrapporten, bindend vast te stellen.

  3. Bepaalt dat in het geval de voorwaarden voor toedeling van het aandeel van de man in de woning [Adres twee] aan de vrouw wordt vervuld, de hierna te vermelden vorderingen van partijen over en weer dienen te worden verrekend met de vordering van de man uit overbedeling van de vrouw, ter grootte van de helft van de overwaarde van de woning, waarbij de overwaarde van de woning wordt berekend door de waarde van de woning, zoals vastgesteld overeenkomstig het bepaalde onder 5.2. te verminderen met de hypotheekschuld van € 254.724,99.

  4. Bepaalt dat de notariële akte van verdeling van het registergoed [Adres twee] zal worden gepasseerd door een notaris ter keuze van de vrouw en bepaalt dat, voor het geval de man aan het passeren van deze akte geen medewerking zou verlenen, dat deze uitspraak dezelfde kracht heeft als een wettige vorm opgemaakte akte, waarin de man een volmacht voor de levering van zijn aandeel in de woning aan de vrouw geeft aan de notaris, die zorg draagt voor het verlijden van de notariële akte.

  5. Bepaalt dat de kosten van het notariële transport van het registergoed [Adres twee] voor rekening van de vrouw komen.

  6. Veroordeelt de man rekening en verantwoording af te leggen van de verhuur en exploitatie van de woning [Adres twee] over de periode november 2013 tot maart 2014 met overlegging van alle bescheiden die ter zake relevant zijn twee weken voor de datum van de notariële levering van het aandeel van de man in de woning [Adres twee] aan de vrouw en veroordeelt de man tot betaling van de helft van de inkomsten uit verhuur en exploitatie over voornoemde periode aan de vrouw, bij gebreke waarvan het bedrag dat de man aan de vrouw verschuldigd is ter zake de ontvangen huurinkomsten van de woning [Adres twee] zal worden vastgesteld op een bedrag van € 3.750,-.

  7. Veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 3.337,50.

  8. Veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 24.975,69.

  9. Bepaalt dat partijen elk gehouden zijn om de helft van de kosten, verbonden aan de uitvoering van deze verdeling, te voldoen.

  10. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

  11. Compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

  12. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Vordering van de man

6. De man vordert het hof het vonnis dat de rechtbank Rotterdam op 6 maart 2019 heeft gewezen, te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de vrouw ter zake de alimentatieverplichting ex art 6 van de samenlevingsovereenkomst 1998 en de verhuur en exploitatie van de woning [Adres twee] over de periode november 2013 tot maart 2014 alsnog af te wijzen, en:

  • -

    De vrouw te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 46.592, - aan de man ter zake verrekening van de door de man betaalde hypothecaire lasten van de woning aan [Adres een] te [plaatsnaam] over de periode 1 november 2013 tot en met 1 oktober 2018, althans een bedrag dat het hof juist acht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2018, althans met ingang van een datum die uw hof juist acht;

  • -

    De vrouw te veroordelen tot betaling van € 4.099, - aan de man ter zake verrekening van de door de man betaalde hypothecaire lasten van de woning aan [Adres twee] te [plaatsnaam] over de periode 1 maart 2014 tot en met 31 oktober 2014, althans een bedrag dat uw hof juist acht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 januari 2018, althans met ingang van een datum die het hof juist acht;

  • -

    Primair te bepalen dat de door de man te betalen bijdrage zoals genoemd in artikel 6 van de samenlevingsovereenkomst 1998 op nihil wordt gesteld, of althans op een bedrag dat uw hof juist acht, en met terugwerkende kracht tot 22 november 2013, althans met ingang van een datum die het hof juist acht, en subsidiair de vordering van de vrouw vast te stellen op € 11.359,55;

  • -

    De vrouw te veroordelen in de kosten van beide procedures, met de bepaling dat over de proceskostenveroordelingen wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het in dezen te wijzen arrest;

  • -

    Met verklaring dat het arrest uitvoerbaar bij voorraad zal zijn.

De vordering van de vrouw

7. Door de vrouw wordt in voorwaardelijk in incidenteel appel gevorderd: opnieuw rechtdoende ter zake de voorwaardelijke vordering in incidenteel appel de door de man te betalen gebruiksvergoeding vast te stellen zoals door de vrouw verzocht overeenkomstig punt 12 e.v. van de inleidende dagvaarding en punt 4, 5 e.v. van de conclusie van antwoord in reconventie en voorts ten aanzien van het incidenteel appel de door de vrouw gemaakte kosten voor de [Adres twee] opnieuw in goede justitie vast te stellen en de man te veroordelen van de kosten in hoger beroep dan wel de kosten te compenseren.

Alimentatie

8. Uit de eerste grief van de man volgt dat hij het niet eens is met de beslissing van de rechtbank dat hij op basis van de tussen partijen bestaan hebbende samenlevingsovereenkomst aan de vrouw een alimentatie moet voldoen van NLG 1.000, - per maand gedurende drie jaar na ontbinding van de overeenkomst van samenleving.

9. De vordering van de vrouw uit hoofde van partneralimentatie bedraagt € 18.068,69.

10. Door de man is onder meer het navolgende aangevoerd:

  • -

    De alimentatieverplichting was indertijd op aandringen van de vrouw in de overeenkomst opgenomen om haar meer financiële zekerheid te bieden voor het geval de relatie binnen enkele jaren op de klippen zou lopen. Door samenwoning zou de vrouw namelijk haar recht op de partneralimentatie van haar vroegere partner kwijtraken. Daarbij was de vrouw nog niet lang in dienst bij haar huidige werkgever en was haar salaris niet hoog. De vrouw was daarom bang dat zij niet in staat zou zijn om een ander huis te huren, vergelijkbaar met het huis dat zij achter moest laten, als partijen op korte termijn uit elkaar zouden gaan.

  • -

    Tussen het aangaan van de overeenkomst en de beëindiging van de relatie zijn vijftien jaar verstreken. In de tussenliggende periode is de vrouw aanzienlijk meer gaan verdienen.

  • -

    De vangnetbepaling is in ieder geval gaandeweg overbodig geworden omdat de vrouw in de loop van de tijd geacht kan worden zelf volledig in haar levensonderhoud te voorzien in het geval de relatie zou worden beëindigd. Toen uiteindelijk na vijftien jaar aan de relatie een einde kwam, kon het betalen van een bijdrage niet meer worden gezien als het voldoen aan een dringende verplichting van moraal en fatsoen. Voor zover dit anders zal zijn dan lag het op de weg van de vrouw om gemotiveerd te stellen dat zij ondanks haar eigen inkomsten en middelen toch behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud.

11. Tijdens het pleidooi is nog door de man aangevoerd:

  • -

    Drie jaar na het verbreken van de relatie wordt er een beroep gedaan op de alimentatieclausule.

  • -

    Uit de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 29 mei 2015 volgt dat het NBI van de vrouw is bepaald op € 3.124, - per maand. Tevens volgt uit deze beschikking dat de vrouw over een vermogen beschikte van € 90.000, -.

12. Door de vrouw is bij memorie van antwoord tevens voorwaardelijk incidenteel appel gemotiveerd verweer gevoerd. Door de vrouw is onder meer aangevoerd:

  • -

    Het stond partijen geheel vrij in de notariële samenlevingsovereenkomst een alimentatieverplichting overeen te komen.

  • -

    In deze samenlevingsovereenkomst werd nadrukkelijk bepaald dat de vrouw aanspraak heeft op een bedrag van NLG 1.000, - per maand na ontbinding van de samenleving. Tevens werd in de samenlevingsovereenkomst vastgelegd dat de vrouw het bedrag kreeg gedurende een periode van drie jaar na beëindiging van de relatie. Verdere afspraken zijn niet gemaakt.

  • -

    De rechtbank heeft op juiste gronden overwogen dat de man in eerste aanleg geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die zouden nopen tot een andere uitleg van deze bepaling.

  • -

    Partijen zijn gehouden deze overeenkomst na te komen, ook na 15 jaar.

13. Tijdens het pleidooi is door de vrouw nog aangevoerd:

- Ook de stelling dat de vangnetbepaling in ieder geval gaandeweg overbodig is geworden omdat de vrouw in de loop van de tijd geacht kan worden zelf volledig in haar levensonderhoud te voorzien in het geval de relatie zou worden beëindigd, is een boude bewering die op geen enkele wijze aannemelijk is gemaakt, laat staan bewezen.

14. Het hof overweegt als volgt. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuivere taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (HR 13 maart 1981 NJ 1981/635). Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. (HR 20 februari 2004 NJ 2005/493).

15. De vrouw geeft naar het oordeel van het hof slechts een tekstuele uitleg van de alimentatiebepaling in de notariële samenlevingsovereenkomst. De man geeft in zijn betoog de context aan waarom in 1998 de alimentatieverplichting in de overeenkomst van samenleving is opgenomen. Door het gaan samenleven van partijen verloor de vrouw haar aanspraak op een alimentatie jegens haar voormalige echtgenoot. De vrouw kon in 1998 niet volledig in haar eigen levensonderhoud voorzien. Door de vrouw is de context zoals hiervoor weergegeven niet weersproken, zij stelt enkel dat haar inkomen aanzienlijk lager is dan dat van de man. De vrouw heeft niet weersproken dat zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Eveneens is onweersproken dat zij in 2015 over een vermogen beschikte van
€ 90.000, - en dat zij eerst na drie jaar na beëindiging van de samenleving van partijen aanspraak maakt op de onderhoudsbijdrage. De uitleg die de man aan de alimentatiebepaling geeft acht het hof aannemelijk. De man heeft duidelijk inzicht gegeven onder welke omstandigheden de bepaling in de notariële samenlevingsovereenkomst is opgenomen. De alimentatiebepaling vindt zijn grondslag in het feit dat de vrouw haar alimentatieaanspraken jegens haar vorige echtgenoot verloor en het feit dat zij op dat moment niet in haar eigen levensonderhoud kon voorzien. Bij het beëindigen van de samenleving in november 2013 kon zij wel in haar levensonderhoud voorzien. In de alimentatiebepaling wordt geen enkele verwijzing gemaakt naar een behoefte die gebaseerd dient te worden op een behoefte ten tijde van de samenleving van partijen. In het onderhavige geschil heeft de alimentatiebepaling een andere betekenis dan dat uit de letterlijke tekst volgt. Een redelijke uitleg van de alimentatiebepaling brengt derhalve met zich mede dat de vrouw geen recht (meer) heeft op de alimentatie. De grief van de man treft doel. Het feit dat grief 1 doel treft brengt met zich mee dat de man geen belang meer heeft bij de bespreking van zijn tweede grief.

Rekening en verantwoording huur [Adres twee]

16. In zijn derde en vierde grief stelt de man, en wel in de randnummers 21 tot en met 26, de inkomsten met betrekking tot de verhuur van de woning aan [Adres twee] aan de orde. Door de man is gesteld dat hij de huuropbrengsten contant ontving. De huurpenningen werden aan het begin van de maand voldaan. De huur bedroeg € 1.300, - per maand. De samenleving tussen partijen is beëindigd op 22 november 2013. De huur is opgegaan aan de dagelijkse kosten. Na januari 2014 heeft de man geen huur meer ontvangen. In de woning aan [Adres twee] is in maart 2014 een hennepkwekerij ontdekt. De huurder is met de Noorderzon vertrokken. In randnummer 16 van de pleitaantekeningen van de man stelt hij dat de vrouw nog aanspraak kan maken op een bedrag van € 1.300, -.

17. Door de vrouw is verweer gevoerd. De vrouw wist niet wat de hoogte was van de huur. De vrouw heeft in eerste aanleg gesteld dat de man € 1.500, - per maand ontving. Dit bedrag heeft de man in eerste aanleg niet weersproken. De man stond ingeschreven op het adres [Adres twee] . De man is gehouden om rekening en verantwoording af te leggen met betrekking tot de door hem ontvangen huur.

18. Het hof overweegt als volgt. De woning aan [Adres twee] behoorde partijen in mede-eigendom toe. Onbestreden is dat de woning aan [Adres twee] verhuurd was, dat de huur contant werd betaald, dat de huurder in de woning een hennepkwekerij exploiteerde en dat de huurder begin 2014 met de Noorderzon is vertrokken. Gezien het feit dat de man de zorg had voor de verhuur van de woning en daarmee het beheer had van de woning, mag van hem worden verlangd dat hij rekening en verantwoording aflegt met betrekking tot de huuropbrengsten. Gezien de affectieve relatie die tussen partijen bestond, de vrouw op de hoogte was van de verhuur van de woning, zij als mede-eigenaar van de woning niet aangedrongen heeft op een schriftelijke vastlegging van de verhuur, mogen niet al te hoge eisen worden gesteld aan de wijze waarop de man rekening en verantwoording dient af te leggen met betrekking tot de verhuur van de woning.

19. Niet bestreden is dat de huur elke maand vooraf werd ontvangen. De relatie is op 22 november 2013 tussen partijen beëindigd. Het hof gaat ervan uit dat tot en met de maand november 2013 de vrouw mede het genot heeft gehad van de huuropbrengsten. Met betrekking tot de huurontvangsten vanaf december 2013 had de man er in ieder geval rekening mee kunnen houden dat de vrouw hier inzicht in wenste te verkrijgen. Wat de hoogte is geweest van de huur is nagenoeg niet meer vast te stellen gezien het feit dat er geen schriftelijke vastlegging is geweest van het huurcontract. Van de man had in redelijkheid mogen worden verlangd dat hij de huurprijs met de huurder schriftelijk had vastgelegd ten minste vanaf de datum dat partijen niet meer met elkaar samenwoonden. Het hof acht het derhalve redelijk om van een huurprijs uit te gaan van € 1.500, - per maand. Het betrof een eengezinswoning en het verschil tussen de huurprijs waarvan de man wenst uit te gaan en de huurprijs waarvan de vrouw wenst uit te gaan is niet aanmerkelijk. Gezien de achtergrond van de huurder, en het feit dat er begin maart 2014 in de woning een hennepkwekerij is aangetroffen acht het hof het aannemelijk dat de man vanaf maart 2014 geen huur meer heeft ontvangen. Het hof gaat er derhalve van uit dat de man een bedrag van € 4.500, - aan huurinkomsten met de vrouw dient te verrekenen, dit zijn dus de maanden: december 2013, januari 2014 en februari 2014. De vrouw heeft derhalve een vordering op de man van € 2.250, -. De grief van de man treft derhalve deels doel.

Hypotheekrente woning [Adres een] en hypotheekrente [Adres twee]

20. In zijn vijfde grief stelt de man aan de orde dat hij het niet eens is met de beslissing van de rechtbank dat hij de lasten met betrekking tot de woning aan [Adres een] dient te voldoen. Door de man is onder meer het navolgende aangevoerd:

  • -

    hij bestrijdt de stelling dat hij wenste dat de woning aan [Adres een] aan hem werd toegedeeld;

  • -

    aangezien partijen ieder voor de helft tot de woning gerechtigd zijn, dienen zij in beginsel ieder voor de helft in die uitgaven voor de woning bij te dragen;

  • -

    de man kan erkennen dat partijen na verbreking van de samenwoning (stilzwijgend) hebben besloten om de woningen onverdeeld te laten, in ieder geval totdat de markt weer zou aantrekken,

  • -

    tijdens de mediation zijn allicht voorstellen gedaan over een verdeling van de kosten maar tot afspraken is het uiteindelijk niet gekomen.

  • -

    de man bleef de hypotheeklasten voldoen omdat hij niet het risico wilde lopen dat de bank executoriale maatregelen zou treffen.

  • -

    hoewel de man de woonlasten van de woning aan [Adres een] dus bleef voldoen, diende de vrouw bij gebreke van een duidelijke afspraak tussen partijen er ernstig rekening mee te houden dat de man een beroep zou doen op artikel 6:10 BW en de helft van de door hem betaalde hypotheeklasten op haar zou verhalen.

21. Door de vrouw is gemotiveerd verweer gevoerd. Door de vrouw is aangevoerd:

  • -

    bij conclusie van antwoord tevens eis in reconventie heeft de man gesteld dat hij wenste dat de woning aan [Adres een] volledig aan hem werd toegedeeld.

  • -

    tijdens de comparitie van partijen heeft de man verklaard dat hij in eerste instantie het huis zelf wilde bewonen, echter het huis is te groot en daarom wenste de man mee te werken aan verkoop van de woning.

  • -

    de vrouw heeft diverse stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat partijen een stilzwijgende afspraak hebben gemaakt dat de woningen twee à drie jaar onverdeeld zouden blijven en dat ieder van partijen hun eigen woonlasten zouden betalen.

22. Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de woning aan [Adres een] in mede-eigendom aan partijen toebehoort en wel ieder voor 50%. Iedere deelgenoot dient in beginsel zijn eigen aandeel in het goed te financieren en iedere deelgenoot dient naar evenredigheid van zijn aandeel in het goed de lasten te dragen. Deelgenoten kunnen bij (stilzwijgende) overeenkomst hiervan afwijken. De rechtsrelatie tussen deelgenoten in een eenvoudige gemeenschap wordt eveneens beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Wat redelijk en billijk is, is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de man de door hem integraal betaalde hypotheeklasten met betrekking tot de woning aan [Adres een] niet op de vrouw kan verhalen. Door de man wordt zelf erkend dat partijen met elkaar zijn overeengekomen om de woningen [Adres een] en [Adres twee] onverdeeld te laten in verband met de marktomstandigheden. De man heeft feitelijk het gebruik gehad van de woning aan [Adres een] en heeft feitelijk ook de lasten waaronder de hypoheeklasten voldaan. In eerste instantie wenste de man ook toedeling van de woning aan hem, dat hij daar later op is teruggekomen doet daaraan niet af. Vaststaat dat de vrouw na het verbreken van de samenleving tijdelijk in een huurwoning is gaan wonen en daar de lasten van betaalde en vanaf 1 oktober 2014 de lasten is gaan betalen met betrekking tot de woning aan [Adres twee] . Uit de feitelijke gang van zaken kan naar het oordeel van het hof worden afgeleid dat tussen partijen in ieder geval de stilzwijgende afspraak bestond dat de man de hypotheeklasten zou voldoen inzake de woning aan [Adres een] . Voorts acht het hof het ook redelijk en billijk dat de man in dit specifieke geval de hypotheeklasten voldoet te meer daar hij ook het volledige genot heeft gehad van de woning en hij de vrouw niet deugdelijk heeft gewaarschuwd dat hij aanspraak wenste te maken op de helft van de hypotheeklasten jegens de vrouw.

23. In zijn zesde grief stelt de man dat de hypotheekrente met betrekking tot de woning aan [Adres twee] van de gemeenschappelijke rekening van partijen is betaald. De man stelt dat hij in ieder geval in de periode van maart 2014 tot en met 1 december 2014 deze rekening heeft gevoed uit zijn eigen vermogen. De man claimt nu de helft van de hypotheeklasten van de vrouw en wel voor een bedrag van € 4.099,-. In randnummer 14 van zijn pleitaantekeningen komt de man echter terug op hetgeen hij bij memorie van grieven heeft gesteld. De man stelt tijdens het pleidooi dat de hypotheekrente niet alleen uit de gemeenschappelijke rekening werd voldaan. Na verbreking van de relatie heeft de man ook rechtstreeks uit zijn eigen ING-rekening hypotheekrente betaald. De man heeft rechtstreeks naar de ABN-AMRO overgeboekt een bedrag van € 4.999,26.

24. Door de vrouw wordt verweer gevoerd. Door haar wordt erkend dat de lasten van de woning aan [Adres twee] werden voldaan van de gemeenschappelijke rekening. Door de vrouw wordt betwist dat de man het bewijs heeft geleverd dat de man alleen geld heeft gestort op de gemeenschappelijke rekening. In de visie van de vrouw moeten alle inkomsten en uitgaven inzake beheer van [Adres twee] in beeld worden gebracht. Uitsluitend nadat een compleet beeld is verkregen kan de vrouw een standpunt innemen. De vrouw is van mening dat het door de man gedane bewijsaanbod niet is gespecificeerd.

25. Het hof overweegt als volgt. In rechtsoverweging 19 heeft het hof overwogen dat het hof het aannemelijk acht dat de huurder tot en met februari 2014 de huur heeft voldaan. Een goede procesorde brengt met zich mede dat van de man mag worden verlangd dat hij in zijn betoog een consistent verhaal naar voren brengt. Bij zijn memorie van grieven stelt de man dat hij de hypotheektermijnen van de gemeenschappelijke rekening van partijen heeft betaald. Eerst bij pleidooi komt de man hierop terug en neemt nu het standpunt in dat hij een deel rechtstreeks aan de ABN-AMRO bank heeft betaald. Nu de man het beheer heeft gevoerd over de woning aan [Adres twee] tot het moment dat de vrouw haar intrek in de woning had genomen had het op de weg van de man gelegen om op een inzichtelijke wijze aan te tonen uit welke middelen de lasten van de woning zijn voldaan. In een periode van bijna zeven jaar had de man zeker de gelegenheid gehad om aan de hand van bankafschriften aan te tonen hoe de geldstromen zijn geweest met betrekking tot de woning aan [Adres twee] in de periode van maart 2014 tot en met december 2014. De man had schriftelijk bewijs in het geding moeten brengen . Naar het oordeel van het hof heeft de man in het geheel niet bewezen dat hij uit eigen middelen de hypotheekrente heeft betaald inzake de woning aan [Adres twee] met betrekking tot de periode maart 2014 tot en met december 2014. Het had op de weg van de man gelegen om richting de vrouw duidelijkheid te scheppen met betrekking tot gemeenschappelijke lasten te meer nu hij het beheer over de woning heeft gevoerd. De grieven 5 en 6 van de man treffen dus geen doel.

De door de vrouw gemaakte herstelkosten met betrekking tot [Adres twee]

26. De vrouw is het niet eens met de beslissing van de rechtbank dat zij slechts vergoed krijgt een bedrag van € 5.000, - inzake herstelkosten van de woning aan [Adres twee] , in welke woning zij op 1 oktober 2014 is gaan wonen en welke woning in het kader van de verdeling aan haar is toegedeeld.

27. Uit het betoog van de vrouw volgt, dat aan haar niet kan worden toegerekend dat zij niet eerst aan de man om toestemming heeft gevraagd om de onderhoudswerkzaamheden aan de woning aan [Adres twee] te laten verrichtten. Voorts is de vrouw van mening dat zij op basis van artikel 1:87 BW met betrekking tot de herstelkosten een vergoedingsrecht op de man heeft. Als zij op basis van artikel 1:87 BW geen vergoeding kan verkrijgen dan beroept de vrouw zich op ongerechtvaardigde verrijking. De herstelkosten hebben gezorgd voor een aanzienlijke waardestijging van de woning aan [Adres twee] .

28. Door de man is verweer gevoerd. Door de man is onder meer aangevoerd:

  • -

    de vrouw heeft zonder instemming van de man de woning aan [Adres twee] laten opknappen.

  • -

    de vrouw dient per afzonderlijke kostenpost aan te tonen dat het voor het onderhoud/behoud noodzakelijk was om deze kosten te maken en dat deze kosten ook daadwerkelijk zijn gemaakt.

  • -

    de man bestrijdt de stelling dat artikel 1:87 BW naar analogie kan worden toegepast nu partijen geen echtgenoten zijn maar samenwonen op basis van een samenlevingsovereenkomst. De man verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 10 mei 2019 ECLI:NL:HR: 2019:707.

29. Het hof overweegt als volgt. Handelingen dienende tot gewoon onderhoud of tot behoud van een gemeenschappelijk goed, en in het algemeen handelingen die geen uitstel kunnen lijden, kunnen door ieder der deelgenoten zo nodig zelfstandig worden verricht. Voor het overige geschiedt het beheer door de deelgenoten tezamen, tenzij een regeling anders bepaalt. Tot andere handelingen betreffende een gemeenschappelijk goed, zijn uitsluitend de deelgenoten tezamen bevoegd.

30. In eerste aanleg heeft de vrouw gesteld dat zij de woning voor een bedrag van € 31.984, - heeft moeten opknappen. De vrouw heeft eveneens in eerste aanleg gesteld dat zij bevoegd was, aangezien de opknapkosten gewoon onderhoud waren of verricht ter behoud van de woning. In eerste aanleg heeft de vrouw ook een groot aantal foto`s in het geding gebracht van voor en na de verbouwing. In de inleidende dagvaarding heeft de vrouw bovendien een volledige opsomming gegeven van alle kosten die zij heeft gemaakt. Onder de kosten zijn onder meer vermeld: a) het plaatsen van een badkamer, b) schilder voor een bedrag van
€ 7.500, - enz.

31. Het hof is van oordeel dat de vrouw vooraf aan de man toestemming had dienen te vragen om de onderhoudswerkzaamheden te laten uitvoeren. De werkzaamheden die de vrouw heeft laten uitvoeren kunnen niet meer worden aangemerkt als normaal onderhoud. De woning was door het gebruik van de huurder – het houden van een hennepkwekerij – volledig uitgewoond. Ook heeft de vrouw niet aangetoond welke kosten specifiek verband houden met het behoud van de zaak.

32. Uit rechtsoverweging 4.19 van de rechtbank volgt dat de rechtbank wel van oordeel is dat de man mede is gebaat door de investeringen die de vrouw in de woning heeft gedaan. De rechtbank heeft in redelijkheid de verrijking van de man begroot. Het hof is van oordeel dat de rechtbank in het kader van het leerstuk van de ongerechtvaardigde verrijking de juiste uitgangspunten heeft geformuleerd. Het hof neemt die motivering over en maakt die tot de zijne.

33. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 10 mei 2019 beslist dat artikel 1:87 BW niet kan worden toegepast bij samenwonenden. Voor samenwonenden geldt het algemene vermogensrecht waaronder het leerstuk van de ongerechtvaardigde verrijking. De grief van de vrouw treft dus geen doel.

Gebruiksvergoeding [Adres een]

34. In haar petitum van haar memorie van antwoord tevens voorwaardelijk incidenteel appel vordert de vrouw van de man een gebruiksvergoeding voor het gebruik van de woning aan [Adres een] te [plaatsnaam] . De vrouw verwijst alleen naar hetgeen zij in eerste aanleg heeft gesteld.

35. In rechtsoverweging 4.24 heeft de rechtbank gemotiveerd waarom de vordering van de vrouw is afgewezen. De vrouw heeft in haar incidentele appel geen bezwaren aangevoerd waarom zij het niet eens is met deze motivering.

36. Door de man is gemotiveerd verweer gevoerd. Het hof verwijst naar hetgeen de man heeft gesteld in randnummer 3 van zijn memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel. De man heeft in randnummer 3 gesteld: “Zoals eerder door de man aangegeven in de conclusie van antwoord erkent de man dat er (daarom) op grond van artikel 9 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst en artikel 3:169 BW sprake zou kunnen zijn van een vergoeding die hij aan de vrouw zou moeten betalen. Partijen waren echter ook eigenaar van de woning aan [Adres twee] , eveneens ieder voor de onverdeelde helft. Nu de vrouw vanaf oktober 2014 het uitsluitend gebruik van deze woning heeft gehad, zou de man op zijn beurt ook recht hebben op vergoeding van de vrouw voor het uitsluitend gebruik van deze woning. In het licht van deze omstandigheden acht de man het redelijk en billijk dat de gebruiksvergoedingen tegen elkaar worden weggestreept.”.

37. Het hof overweegt als volgt. Een goede procesorde brengt met zich mede dat de vrouw in haar voorwaardelijke incidentele appel had dienen te formuleren wat haar bezwaren waren tegen het bestreden vonnis met betrekking tot het niet toekennen van een gebruiksvergoeding inzake de woning aan [Adres een] te [plaatsnaam] . Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw niet voldaan aan haar stelplicht nu zij uitsluitend verwijst naar hetgeen zij in eerste aanleg heeft gesteld. Voorts is het hof met de man van mening dat de rechtbank een deugdelijke motivering heeft gegeven waarom zij aan de vrouw geen gebruiksvergoeding heeft toegekend met betrekking tot de woning aan [Adres een] te [plaatsnaam] . Het hof maakt de motivering van de rechtbank tot de zijne.

Proceskosten

38. Gezien het feit dat er sprake is van ex-partners acht het hof het redelijk en billijk om de proceskosten tussen partijen in eerste aanleg en in hoger beroep te compenseren en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt.

Conclusie

39. Het betreden vonnis dient op slechts twee onderdelen te worden vernietigd: a) de alimentatie zijnde een bedrag van € 18.068,69, b) de huuropbrengsten van [Adres twee] waarbij het hof uitgaat van een bedrag van € 4.500,- in plaats van € 7.500,-.

40. Uit het dictum van het bestreden vonnis volgt:

5.6

dat de man ter zake huur van [Adres twee] aan de vrouw verschuldigd is de somma van € 3.750,- . Naar het oordeel van het hof dient de vordering van de vrouw op de man ter zake huur van [Adres twee] gebaseerd te worden op drie maanden ad € 1.500,-, hetgeen dus resulteert in een bedrag van € 4.500,- : 2 = € 2.250,-

5.8

dat de man aan de vrouw moet betalen een bedrag van € 24.975,69. Het bedrag van
€ 24.975,69 was als volgt opgebouwd: a) de vergoeding die de man aan de vrouw dient te voldoen van € 5.000,- ter zake herstelkosten (r.o. 4.22), vordering van de vrouw op de man zoals overwogen in r.o. 4.28 van € 1.907,-, en alimentatie ad € 18.068,69. Het bedrag van
€ 24.975,69 dient derhalve te worden verminderd met het bedrag van € 18.068,69, hetgeen resulteert in de somma van € 6.907,- die de man aan de vrouw moet betalen.

41. Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen, voor zover in r.o. 5.6 is bepaald dat de man aan de vrouw verschuldigd is de somma van € 3.750,- alsmede voor zover de man in 5.8 is veroordeeld om aan de vrouw te betalen de somma van € 24.975,69 en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man aan de vrouw verschuldigd is ter zake verhuur [Adres twee] de somma van € 2.250,-;

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 6.907,-;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van dit hoger beroep en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, A. Zonneveld en A.S. Mertens-de Jong, en is ondertekend en uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, ter openbare terechtzitting van 8 september 2020 in aanwezigheid van de griffier.