Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1772

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-05-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
200.251.219/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vermogensrechtelijke afwikkeling notarieel verleden samenlevingsovereenkomst. Eenvoudige gemeenschappen: verdeling inboedelgoederen. Kosten van de huishouding. Door de man voor de vrouw betaalde bedragen. GAK-schuld kosten huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.251.219/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/511419/ HA ZA 16-597

arrest van 12 mei 2020

inzake

[de bewindvoerder] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant, tevens incidenteel geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. T. Scholtus te 's-Gravenhage,

tegen

[de vrouw]

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde, tevens incidenteel appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. J. de Koning te Lisse.

Het geding

Bij exploot van 27 november 2018, hersteld bij herstelexploot van 29 november 2018, is de man in hoger beroep gekomen van drie door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnissen van respectievelijk 18 oktober 2017, 27 december 2017 en 12 september 2018, hierna ook: de bestreden vonnissen.

Bij memorie van grieven tevens akte wijziging van eis met producties heeft de man vier grieven (genummerd I, II, III en - abusievelijk - V) aangevoerd.

Bij memorie van antwoord met producties heeft de vrouw de grieven bestreden en tevens incidenteel appel ingesteld.

De man heeft hierop gereageerd bij memorie van antwoord in incidenteel appel, tevens houdende een akte uitlaten producties in principaal appel.

De vrouw heeft daarna een akte houdende inbreng producties en uitlating genomen.

De man heeft vervolgens een antwoordakte genomen.

De man heeft zijn procesdossier overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. De door de rechtbank in de vonnissen van 18 oktober 2017, 27 december 2017 en
12 september 2018 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan.

2. Bij het voormelde (eind)vonnis van 12 september 2018 is de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 1.829,38, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening. Dit bedrag ziet op betalingen - voor zover niet verjaard - die de vrouw ten behoeve van de man heeft gedaan in de periode waarin partijen nog geen samenlevingscontract hadden gesloten. De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

3. De man vordert in zijn memorie van grieven - na eiswijziging - dat het het hof moge behagen bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen de bestreden vonnissen, en opnieuw rechtdoende:

I. te verklaren voor recht dat de man enig eigenaar is van de zaken en persoonlijke bezittingen als genoemd in productie 4 bij inleidende dagvaarding en van de ontbrekende items 28, 29, 34 (vier centerpins) en 36 (ontbrekende onderdelen stoommachine in houten kistje) als vermeld op productie 3 bij inleidende dagvaarding;

II. de vrouw te veroordelen om binnen 5 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis (het hof begrijpt: arrest) aan de man af te geven de zaken en persoonlijke bezittingen als genoemd in productie 4 en van de ontbrekende items 28, 29, 34 (vier centerpins) en 36 (ontbrekende onderdelen stoommachine in houten kistje) als vermeld op productie 3, op straffe van een dwangsom van € 50.000,- in het geval zij in gebreke zou blijven met de voldoening aan deze veroordeling;

III. de verdeling van de tussen partijen bestaande beperkte (het hof begrijpt: eenvoudige) gemeenschappen vast te stellen als volgt:

  1. aan de man worden toegedeeld de wasmachine Siemens en het beddengoed;

  2. aan de vrouw worden toegedeeld de wasdroger Siemens, de friteuse en het koffiezetapparaat;

IV. de vrouw te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de man te betalen een bedrag van € 902,84 wegens ontvangen UWV-uitkering van de man, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der voldoening;

V. te verklaren voor recht dat de vrouw draagplichtig is voor de terugvordering huurtoeslag over de jaren 2011, 2013, 2014 en 2015 tot een bedrag van € 3.358,- alsmede de vrouw te veroordelen om aan de man te betalen, al hetgeen de man meer zal blijken te hebben voldaan op deze terugvordering dan zijn aandeel daarin van € 1.679,-;

VI. de vrouw te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de man te betalen de onverschuldigd betaalde bedragen van € 2.500,-, € 7.408,27, € 1.200,-, € 6.000,- en
€ 10.000,-, ter vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden tot aan de dag der voldoening,

en daarbij tevens de vrouw in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren dan wel deze af te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding in beide instanties.

4. De vrouw concludeert dat het hof ten aanzien van de bestreden vonnissen bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de grieven van de man in het principaal appel ongegrond verklaart;

II. de grieven van de vrouw in incidenteel appel gegrond verklaart, en het vonnis (het hof begrijpt: de vonnissen) op het in het incidenteel appel genoemde punt in overeenstemming met deze gegrondverklaring vernietigt;

III. het vonnis van 12 september 2018 op alle overige punten bekrachtigt;

IV. de man veroordeelt in de kosten van beide instanties met bepaling dat hij over deze proceskosten de wettelijke rente verschuldigd is te rekenen vanaf veertien dagen na de dag waarop het arrest is gewezen, althans betekend.

5. De man volhardt in principaal appel. In incidenteel appel concludeert de man dat het het hof moge behagen bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw in het incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren althans dit af te wijzen met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding in beide instanties.

Enige achtergrondinformatie

6. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en hebben samengewoond. Beiden hadden toen al de ziekte [volgt naam] , de man in een verder gevorderd stadium dan de vrouw. Op 30 december 2011 hebben partijen een notarieel verleden samenlevingscontract gesloten. In 2015 is de man ernstig ziek geworden en in juli 2015 is hij in het ziekenhuis opgenomen. De vrouw heeft de man op 10 augustus 2015 bij aangetekend schrijven een betredingsverbod gezonden ter zake van de door partijen bewoonde huurwoning. Op 22 augustus 2015 heeft de vrouw bij aangetekende brief de samenlevingsovereenkomst met de man beëindigd. De man heeft met ingang van 5 oktober 2015 jegens de woningstichting afstand gedaan van de gezamenlijke huurwoning. Hij heeft vervolgens een zorgwoning in [plaatsnaam] betrokken. De vrouw heeft op 1 oktober 2015 een deel van de in de huurwoning aanwezige inboedelzaken aan de man meegegeven.

Het geschil

7. In geschil is de vermogensrechtelijke afwikkeling van de samenlevingsrelatie van partijen.

De inboedel als vermeld onder I van de vordering van de man

8. De man vordert onder I van zijn petitum: “te verklaren voor recht dat de man enig eigenaar is van de zaken en persoonlijke bezittingen als genoemd in productie 4 bij inleidende dagvaarding en van de ontbrekende items 28, 29, 34 (vier centerpins) en 36 (ontbrekende onderdelen stoommachine in houten kistje) als vermeld op productie 3 bij inleidende dagvaarding)”.

9. In de considerans van het samenlevingscontract van partijen is onder meer de volgende bepaling opgenomen: “de inboedel is geheel privé-eigendom van de comparante sub 2 genoemd” Met de comparante sub 2 wordt de vrouw aangeduid.

10. De vrouw is van mening dat de inhoud van de samenlevingsovereenkomst duidelijk is. De gehele inboedel is privé-eigendom van de vrouw.

11. De rechtbank heeft de man toegelaten tot het bewijs door het horen van getuigen ter zake van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat partijen met het inzake de inboedel in het samenlevingscontact bepaalde louter hebben beoogd de inboedel veilig te stellen voor verhaal door schuldeisers, zodat het een tijdelijke regeling betrof, en dat het niet de bedoeling van partijen is geweest om de vrouw aanspraak te geven op de inboedelzaken van de man in het geval partijen uit elkaar zouden gaan. In het eindvonnis van 12 september 2018 heeft de rechtbank geoordeeld dat de man niet is geslaagd in het hem toegelaten bewijs.

12. De man is het niet eens met dit oordeel. Volgens hem heeft de rechtbank het aangedragen bewijs verkeerd gewaardeerd. Hij voert in hoger beroep nog het volgende aan:

- de man heeft in al zijn liefdesrelaties steeds zijn inboedel (hobbybenodigdheden en erfstukken) veiliggesteld. Het ligt niet voor de hand dat hij deze nu als vergoeding of bij wijze van liefdesgebaar zou prijsgeven aan de vrouw. Deze stelling wordt ondersteund door de verklaring van [getuige een] , al dertig jaar de administrateur van de man;

- dat de man de gang van zaken bij de notaris als partijgetuige niet heeft kunnen reproduceren is het gevolg van stress alsmede van de geheugenproblemen die zijn ziekte met zich brengt;

- uit door de rechtbank weggelaten delen van de verklaring van [getuige een] blijkt wel degelijk dat vanwege beslagdreiging door schuldeisers bij de notaris de inboedel op naam van de vrouw is gezet. De verklaringen van [getuige een] over wat hij van de man en de vrouw heeft gehoord, gelden wel degelijk als steunbewijs;

-` in het voorjaar 2011 is daadwerkelijk beslag gelegd. Anders dan de vrouw heeft verklaard, was geen betalingsregeling afgesproken en was het incassobureau niet coulant;

- de rechtbank hecht ten onrechte belang aan de volgende verklaring van de notaris: ‘in een voorbespreking heeft u aangegeven dat alle inboedel van [de vrouw] is’. Met ‘u’ kunnen ook partijen gezamenlijk zijn bedoeld;

- de rechtbank hecht ten onrechte belang aan de door haar ter zitting gesignaleerde emoties van de vrouw toen zij verklaarde dat het gebaar van de man bij de notaris om de inboedel op haar naam te zetten, haar raakte als ware het een huwelijksaanzoek.

De man legt ten slotte een verklaring over van [getuige twee] , een vriend van hem (productie 15) en biedt getuigenbewijs aan door deze vriend.

13. De vrouw is van mening dat partijen bij het sluiten van de samenlevingsovereenkomst wel degelijk hebben beoogd de inboedel in geval van uiteengaan van partijen aan haar te doen toekomen. Zij voert in hoger beroep onder meer het volgende aan:

- de inboedel van de man was niet zo kostbaar als hij stelt;

- de man heeft de meeste spullen van de vrouw zonder haar inspraak naar het grof vuil gebracht omdat hij zijn eigen spullen om zich heen wenste;

- de meeste hobbybenodigdheden van de man zijn pas tijdens de samenwoning van partijen aangeschaft;

- er is geen sprake van erf- of familiestukken van de man. Voor de man belangrijke zaken zijn al in oktober 2015 door de vrouw aan de man overhandigd;

- de vrouw heeft jarenlang de volledige zorg voor de man op zich genomen en heeft alle huishoudelijke kosten en overige kosten van partijen gedragen. De man heeft haar voor deze zorg willen bedanken door op zijn initiatief de gehele inboedel op naam van de vrouw te laten zetten;

- de man had zijn zeiljacht, met een waarde van € 25.000,- ter voldoening van zijn schulden kunnen verkopen;

- partijen hadden al schulden voordat zij de samenlevingsovereenkomst sloten;

- partijen zijn de samenlevingsovereenkomst enkel aangegaan vanwege de fiscale voordelen die daaraan waren verbonden;

- partijen hadden wel degelijk een coulante betalingsregeling afgesproken met het incassobureau;

- de verklaring van [getuige een] is achteraf opgesteld en ingekleurd;

- de verklaring van de notaris ondersteunt wel degelijk de stelling van de vrouw;

- de door de man overgelegde schriftelijke verklaring van [getuige twee] is opgesteld na het eindvonnis en de inhoud is bezijden de waarheid.

14. Ten aanzien van de bewijswaardering stelt het hof voorop dat op grond van artikel 152 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de waardering van het bewijs aan de rechter is overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt. De motiveringsplicht van de rechter met betrekking tot de bewijswaardering is beperkt. Om bepaalde feiten bewezen te achten, volstaat een door de rechter verkregen redelijke mate van zekerheid omtrent die feiten. In hoger beroep dient de rechter de vraag of het opgedragen bewijs is geleverd, zelfstandig te beantwoorden.

15. Het hof is op dezelfde gronden als de rechtbank van oordeel dat de man niet in het bewijs is geslaagd dat partijen met het inzake de inboedel in het samenlevingscontact bepaalde louter hebben beoogd de inboedel veilig te stellen voor verhaal door schuldeisers, zodat het een tijdelijke regeling betrof, en dat het niet de bedoeling van partijen is geweest om de vrouw aanspraak te geven op de inboedelzaken van de man in het geval partijen uit elkaar zouden gaan. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. De door de man in hoger beroep aangevoerde (en hiervoor onder 12. weergegeven) argumenten zijn ofwel reeds in eerste aanleg aangevoerd en beoordeeld ofwel niet gericht tegen de dragende overwegingen van de rechtbank betreffende de bewijswaardering. Deze argumenten behoeven dan ook geen (afzonderlijke) bespreking door het hof.

16. De man heeft nog schriftelijk bewijs in het geding gebracht, te weten de verklaring van de [getuige twee] van 8 februari 2019. Ten aanzien van deze door de man overgelegde verklaring, overweegt het hof als volgt. Deze verklaring acht het hof niet relevant voor de aan de man verstrekte bewijsopdracht. Uit de schriftelijke verklaring volgt niet dat deze getuige uit eigen wetenschap kan verklaren met betrekking tot de partijbedoeling bij het aangaan van de samenlevingsovereenkomst. Het hof beschouwt deze verklaring meer als een persoonlijke inkleuring van de verhoudingen tussen partijen.

17. Mede met het oog op het gevorderde stadium van het partijdebat, waarbij de man reeds een schriftelijke verklaring van de in hoger beroep door hem genoemde getuige heeft overgelegd, is de man naar het oordeel van het hof onvoldoende specifiek in wat hij met het in hoger beroep aangeboden getuigenbewijs door diezelfde getuige nog nader of anders beoogt te bewijzen. Om die reden zal het hof dit aanbod tot getuigenbewijs van de man passeren.

18. Dit alles brengt mee dat het bestreden vonnis van 12 september 2018, voor zover daarin de vorderingen I en II zijn afgewezen, dient te worden bekrachtigd.

De wasmachine, het beddengoed, de wasdroger, de friteuse en het koffiezetapparaat

19. Het hof overweegt als volgt. Partijen bezitten een aantal goederen in mede-eigendom. Voor ieder goed geldt dus dat er sprake is van een eenvoudige gemeenschap.

20. De man heeft de vaststelling van de verdeling gevorderd van de wasmachine, het beddengoed, de wasdroger, de friteuse en het koffiezetapparaat. Hij is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat de vrouw er geen rekening mee hoefde te houden dat de man nog een verdergaande verdeling van de inboedel zou vorderen, omdat zij reeds onverplicht inboedelzaken aan hem had afgegeven. Volgens de man heeft de vrouw voor die afgifte geen finale kwijting bedongen of verkregen. Zij ging er evenals de man van uit dat nog geen algehele verdeling tot stand was gekomen.

21. De vrouw weerspreekt de stellingen van de man. Zij meent dat de rechtbank terecht heeft beslist zoals zij heeft gedaan.

22. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit het bepaalde in artikel 1 lid 4 van de samenlevingsovereenkomst genoegzaam volgt dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn geworden van de roerende zaken die strekken en behoeve van de gemeenschappelijke huishouding (in casu de wasmachine, het beddengoed, de wasdroger, de friteuse en het koffiezetapparaat) en die na het sluiten van het samenlevingscontract zijn aangeschaft, voor zover ten tijde van het uiteengaan van partijen nog aanwezig (rechtsoverweging 4.7. van het bestreden vonnis van 18 oktober 2017). Het hof onderschrijft dit oordeel en de motivering daarvan. Het door de vrouw op dit punt in eerste aanleg primair gevoerde verweer (conclusie van antwoord, randnummer 2.17) gaat daarom niet op. Verder is in hoger beroep niet in geschil dat het koffiezetapparaat ten tijde van het uiteengaan van partijen niet meer functioneerde.

23. Uit artikel 3 van de samenlevingsovereenkomst volgt voorts dat de aan partijen in gemeenschappelijke eigendom toebehorende zaken bij het einde van de samenwoning tussen partijen zullen worden gescheiden en gedeeld, tegen verrekening van de waarde.

24. Het voorgaande brengt naar het oordeel van het hof mee dat de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschappen van de voormelde roerende zaken die strekken ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding alsnog tussen hen moeten worden verdeeld. De vrouw heeft als subsidiair verweer aangevoerd dat ‘de waarde van de al geleverde goederen’ hoger is dan de wasmachine, het beddengoed, de wasdroger, de friteuse en het koffiezetapparaat (conclusie van antwoord, randnummer 2.18). Voor zover de vrouw doelt op aan de man overhandigde goederen die haar eigendom waren, gaat dit verweer niet op, omdat het hier gaat om de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen. Voor zover de vrouw doelt op goederen die ook deel uitmaakten van de eenvoudige gemeenschappen heeft zij haar stelling onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd; zij heeft niet (onderbouwd) gesteld om welke goederen het gaat en wat de waarde daarvan was. Ook in zoverre slaagt dit verweer daarom niet. Het verweer van de vrouw kan dan ook niet leiden tot het niet alsnog verdelen van de goederen in kwestie. Nu de vrouw geen bezwaar heeft gemaakt tegen de gevorderde wijze van verdeling op zich en deze wijze van verdeling het hof alleszins redelijk voorkomt, zal het hof de roerende zaken verdelen overeenkomstig het onder III gevorderde door de man. Dit met dien verstande dat het koffiezetapparaat daarbij buiten beschouwing wordt gelaten, aangezien het hof dit als niet meer aanwezig en daarmee als niet in te verdeling te betrekken, beschouwt.

Terugbetaling arbeidsongeschiktheidsuitkering van de man

25. Vaststaat dat de vrouw de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de man over de maanden juli en augustus 2015 heeft gebruikt om daarmee kosten van de huishouding te voldoen. De rechtbank heeft overwogen dat de man desgevraagd ter zitting heeft bevestigd dat het klopt dat partijen tot 22 augustus 2015 nog samenwoonden en heeft derhalve de vordering van de man strekkende tot terugbetaling van die uitkering aan hem afgewezen.

26. De man wenst in hoger beroep alsnog een bedrag van € 902,84, zijnde zijn WAZ-uitkering over de maand augustus 2015, van de vrouw terug te ontvangen Volgens de man is de samenwoning tussen partijen - anders dan hij wegens geheugenproblemen in eerste aanleg heeft verklaard - al op 10 augustus 2015 geëindigd omdat de vrouw hem per die datum de toegang tot de gemeenschappelijke huurwoning heeft ontzegd, met aanzegging van contactverboden. Nu de uitkering pas daarna (rond 22 of 23 augustus) op zijn rekening is gestort, was er geen sprake meer van een gemeenschappelijke huishouding en kon de vrouw de uitkering niet meer aanwenden voor de kosten daarvan.

27. Volgens de vrouw spreekt de man zichzelf tegen aangezien hij in randnummer 15 van de memorie van grieven zelf stelt dat het eerst in oktober 2015 duidelijk werd dat de relatie van partijen definitief was beëindigd. De vrouw wijst erop dat de man zich pas in oktober 2015 heeft laten uitschrijven van het gezamenlijk adres van partijen. Volgens haar was hij tot die tijd gehouden de kosten van de huishouding mede te voldoen. Daarnaast heeft de vrouw toen de man in het ziekenhuis lag zijn was en boodschappen gedaan en zijn verzekeringen en overige vaste lasten voldaan. Hoewel de vrouw de man op 22 augustus 2015 een aangetekend schrijven heeft gezonden dat de samenleving was beëindigd, liepen de huishoudelijke kosten door tot 5 oktober 2015.

28. Het hof begrijpt dat beide partijen ervan uitgaan dat de WAZ-uitkering van de man gedurende hun samenleving terecht werd aangewend ten behoeve van kosten betreffende de gewone gang van de huishouding als bedoeld in artikel 1 van de samenlevingsovereenkomst. Artikel 5 van die overeenkomst bepaalt dat in het geval tussen partijen verschil van mening bestaat wanneer de samenleving is beëindigd (en daarmee de samenlevingsovereenkomst tussen partijen ontbonden) deze wordt geacht te zijn geëindigd op de dag, waarop een van hen bij aangetekend schrijven te kennen geeft de samenleving als beëindigd te beschouwen.

29. Nu partijen het niet eens zijn over het tijdstip van beëindiging van hun samenleving, is het hof van oordeel dat op grond van het hiervoor omschreven en tussen partijen overeengekomen artikel 5 de samenleving van partijen is geëindigd op 22 augustus 2015, zoals door de man in eerste aanleg ook is bevestigd. De man heeft in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw in hoger beroep onvoldoende aangevoerd om tot een andere datum van beëindiging te komen. Hij heeft de omstandigheden waaronder de vrouw de brief van 10 augustus 2015 heeft verzonden - op advies van de politie vanwege het gedrag van de man - in hoger beroep ook niet betwist. Zijn beroep op, naar het hof begrijpt, de beperkende werking van redelijkheid een billijkheid slaagt derhalve niet.

30. Het hof acht voorts voldoende duidelijk geworden dat in de maand augustus 2015 nog daadwerkelijk sprake is geweest van kosten van de gezamenlijke huishouding, ook al verbleef de man fysiek in het ziekenhuis. De man heeft namelijk niet weersproken dat de vrouw zijn was en boodschappen deed en zijn verzekeringen en overige vaste lasten heeft voldaan. De stelling van de man dat zijn WAZ-uitkering achteraf werd betaald, doet daaraan niet af, nu deze uitkering volgens zijn eigen stellingen was bestemd voor het levensonderhoud van de man in de periode van 22 of 23 juli tot 22 of 23 augustus 2015. De grief van de man slaagt derhalve niet. Het bestreden vonnis dient in zoverre te worden bekrachtigd.

Verklaring voor recht ter zake terugvordering huurtoeslag over de jaren 2011, 2013, 2014 en 2015

31. De vrouw heeft in eerste aanleg reeds erkend dat zij voor 2/3 deel draagplichtig is voor de bij de man teruggevorderde huurtoeslag over de jaren 2011, 2013, 2014 en 2015, zodat zij ter zake een bedrag van € 3.358,- dient te betalen. Echter, zij wenst dit bedrag op grond van artikel 6:131 BW te verrekenen met haar vordering(en) op de man (productie 8). Deze vorderingen betreffen door haar ten behoeve van de man onverschuldigd gedane betalingen in de periode vóór het sluiten van de samenlevingsovereenkomst.

32. De rechtbank heeft geoordeeld dat de ten behoeve van de man onverschuldigd gedane betalingen door de vrouw het bedrag van € 3.358,-, dat zij ter zake de teruggevorderde huurtoeslag aan de man moet voldoen, ruimschoots overstijgen, zodat de man geen belang heeft bij het door hem ter zake gevorderde.

33. De vrouw heeft in eerste aanleg een bedrag van in totaal € 7.399,23 teruggevorderd op grond van onverschuldigde betaling. De man heeft zich voor wat betreft de vóór 7 juli 2011 verrichte betalingen een beroep gedaan op verjaring, hetgeen door de vrouw is erkend. De rechtbank heeft vervolgens een bedrag van € 1.829,38 aan de vrouw toegewezen en derhalve - zo berekent het hof - een bedrag van € 7.399,23 - € 1.829,38 = € 5.569,85 van de vordering afgewezen als zijnde verjaard. Gelet op artikel 6:131 BW is de vrouw bevoegd dit bedrag van € 5.569,85 te verrekenen met de vordering van de man van € 3.358,- ter zake van de teruggevorderde huurtoeslag.

34. De man is het niet eens met het oordeel van de rechtbank ter zake van de teruggevorderde huurtoeslag aangezien hijzelf - zonder daartoe verschuldigd te zijn geweest - diverse schulden van de vrouw heeft betaald. De door hem voor de vrouw betaalde bedragen overschrijden volgens de man het te verrekenen bedrag van de vrouw, zodat zij juist aan hem moet betalen. Voor het geval zijn vordering zou zijn verjaard, doet de man op zijn beurt een beroep op verrekening.

35. In het navolgende zal het hof eerst beoordelen of de man een vordering op grond van onverschuldigde betaling jegens de vrouw heeft, die in geval van verjaring tot verrekening aanleiding kan geven.

Door de man voor de vrouw betaalde bedragen

36. De man heeft in augustus 2013 aanzienlijke nabetalingen ontvangen van zijn
WAZ-uitkering, ook over voorliggende jaren. Volgens de man heeft hij - onverschuldigd - met deze gelden de volgende betalingen voor de vrouw gedaan:

a. de aflossing van de lening van € 2.500,- bij de moeder van de vrouw;

b. de aflossing van het flexibel krediet van € 7.408,27;

c. de aflossing van de schuld bij het LBIO van € 1.200,-;

d. de aflossing van de reservering bij het CAK van € 6.000,-;

e. de achterstallige kinderalimentatie van € 10.000,- van de zoon van de vrouw.

Zoals hierboven reeds is gemeld, wenst de man zijn vorderingen voor zover deze verjaard zijn, te verrekenen met een eventuele schuld aan de vrouw.

37. De vrouw betwist de gestelde en volgens haar niet-onderbouwde betaling van € 10.000,- wegens achterstallige kinderalimentatie door de man. Deze schuld is ontstaan omdat partijen de alimentatie die haar zoon toekwam, hebben gebruikt om de kosten van hun huishouding te voldoen. Eigenlijk heeft de zoon van de vrouw nog steeds een vordering op de gezamenlijke partijen van € 10.000,-. De betalingen zoals hiervoor vermeld onder a tot en met c zijn volgens de vrouw niet onverschuldigd gedaan. De man was gehouden de kosten van de huishouding mede met terugwerkende kracht te voldoen en heeft dat gedaan door de voormelde schulden te betalen. Immers, in de periode van 2011 tot augustus 2013, toen de man nog geen uitkering had, heeft de vrouw zich in de schulden moeten steken om de kosten van de huishouding te kunnen voldoen omdat haar inkomen ontoereikend was en heeft zij eveneens schulden voor de man voldaan. De betaling onder d ziet volgens de vrouw op een gezamenlijke schuld. Het is in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat de man voormelde door hem gedane betalingen nu terugvordert. Subsidiair beroept de vrouw zich op rechtsverwerking en meer subsidiair op verjaring.

38. Het hof overweegt als volgt. De man heeft in hoger beroep in het geheel niet onderbouwd dat hij een bedrag van € 10.000,- heeft betaald aan de zoon van de vrouw. Op de overgelegde bankafschriften van de betaalrekening van de man (producties 18, 19 en twee ongenummerd) komt dit bedrag niet voor. Het hof kan dan ook niet uitgaan van de juistheid van de stelling van de man dat hij dit bedrag heeft betaald. Deze schuld behoeft derhalve geen verdere bespreking.

39. De man heeft de overige door hem gestelde betalingen op schulden wel genoegzaam onderbouwd met de overschrijvingen op zijn voormelde bankafschriften. Ten aanzien van die door de man voldane schulden overweegt het hof als volgt. Uit het procesdossier blijkt dat de vrouw, zoals zij stelt, in de periode van 30 december 2011 tot augustus 2013, toen de man nog geen uitkering had, steeds alleen de kosten van de huishouding heeft gedragen. Eveneens staat naar het oordeel van het hof vast dat haar WIA-uitkering daartoe ontoereikend was, zodat zij schulden heeft moeten aangaan, dan wel heeft moeten doen oplopen. De man heeft deze schulden tijdens de contractuele samenleving van partijen, met inkomen dat hij eveneens gedurende die contractuele samenleving heeft ontvangen, voldaan. Het hof begrijpt voorts uit randnummer 10 van de Akte uitlaten producties in principaal appel van de man dat hij niet bestrijdt dat het betalen van de schulden a tot en met c, kwalificeert als het voldoen van kosten van de huishouding.

40. Het hof overweegt als volgt. De aan de zijde van de vrouw ontstane schulden hebben betrekking op de kosten van de gemeenschappelijke huishouding van partijen. De man heeft deze schulden uit een door hem verkregen uitkering voldaan. Tussen partijen staat dus vast dat de inkomsten ter dekking van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding onvoldoende waren. Gezien dit feit mocht de vrouw erop vertrouwen door het eigen handelen van de man, namelijk het betalen van de schulden, dat hij voldeed aan de tussen partijen bestaande contractuele relatie, die conform de beginselen van redelijkheid en billijkheid dient te worden uitgevoerd. De vordering van de man ter zake van de door hem betaalde schulden a tot en met c stuit reeds daarop af en zal derhalve worden afgewezen.

41. Het hof overweegt voorts als volgt. De CAK-schuld van € 6.000,- heeft betrekking op onder meer de aanschaf van medische hulpmiddelen. Deze medische hulpmiddelen werden door beide partijen gebruikt. Gezien de aard van deze schuld dient deze naar het oordeel van het hof te worden aangemerkt als kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Naar het oordeel van het hof is er dan ook geen rechtsgrond aanwezig dat de man terugbetaling vordert van die schuld. Op wiens naam de schuld staat, acht het hof niet relevant nu evident is dat de schuld betrekking heeft op medische hulpmiddelen die door beide partijen gebruikt werden.

42. Gelet op het vorenstaande, heeft de man geen vordering op de vrouw wegens onverschuldigde betaling. In het midden kan daarom blijven of partijen al dan niet een expliciete afspraak hebben gemaakt over de betalingen voor de vrouw, waarover partijen van mening verschillen. Ook aan een beoordeling van het beroep van de man op verjaring en verrekening aan zijn zijde komt het hof niet toe. Dit oordeel brengt tevens mee dat de beslissing van de rechtbank ter zake van de teruggevorderde huurtoeslag moet worden bekrachtigd. Immers, het bedrag dat de vrouw mag verrekenen is hoger dan het aandeel dat zij in de teruggevorderde huurtoeslag moet dragen. Het hof verwijst hierbij naar de rechtsoverwegingen 32 en 33.

De CAK-schuld van € 1.656,49

43. De rechtbank heeft geoordeeld dat een door de vrouw gestelde schuld aan het CAK van oktober 2015 in totaal € 1.656,49 geen gezamenlijke schuld is. Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat - zo er wel sprake zou zijn van een gemeenschappelijke schuld - de vrouw ter zake geen regresrecht jegens de man toekomt omdat die schuld nog openstond.

44. De vrouw is het daar niet mee eens. Zij stelt dat partijen beiden een scootmobiel in bruikleen hadden. Tevens is in de huurwoning van partijen een douche-installatie in het toilet geplaatst voor de man. Voor deze voorzieningen zijn bijdragen verschuldigd aan het CAK. Ook hebben partijen zes uur huishoudelijke hulp ontvangen omdat de vrouw wegens haar lichamelijke klachten en de mantelzorg voor de man de huishouding niet meer kon doen. Volgens de vrouw blijkt uit een e-mailbericht van 22 november 2013 van het CAK dat partijen samen één EB-nummer (het klantnummer bij het CAK) hadden, zodat wel degelijk sprake was van een gezamenlijke schuld. De vrouw heeft de schuld inmiddels voldaan en wenst ter zake - na eisvermindering - een bedrag van € 552,16 van de man te ontvangen.

45. Volgens de man heeft de vrouw niet aangetoond dat de schuld bij het CAK, die op haar naam staat, bijdragen bevat die betrekking hebben op aan hem verleende zorg.

46. Het hof overweegt als volgt. Gezien de aard van deze schuld dient deze naar het oordeel van het hof eveneens te worden aangemerkt als kosten van de gemeenschappelijke huishouding. Nu partijen op grond van artikel 1.3 van de samenlevingsovereenkomst geen verrekening casu quo teruggaaf kunnen verlangen van wat één van hen méér van de kosten van de kosten betreffende de gewone gang van de huishouding dan de ander mocht hebben gedragen, komt de vrouw geen regresrecht toe. Het bestreden vonnis dient ter zake te worden bekrachtigd, zij het op andere gronden.

Proceskosten

47. Nu deze zaak voormalig samenwoners betreft, zal het hof de proceskosten tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Om diezelfde reden zal het hof de proceskostencompensatie in eerste aanleg bekrachtigen. De andersluidende vorderingen van partijen zullen worden afgewezen.

48. Mitsdien wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden vonnissen voor zover daarin de vordering van de man ter zake van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschappen is afgewezen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

deelt toe aan de man de wasmachine Siemens en het beddengoed;

deelt toe aan de vrouw de wasdroger Siemens en de friteuse;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden vonnissen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, S.H.M. van der Heiden en K.M. Braun en is ondertekend en uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, ter openbare terechtzitting van 12 mei 2020 in aanwezigheid van de griffier.