Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1769

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
200.263.659/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgangskortgeding; dwangsommen? Verhouding tot uitspraak van het hof waarin de onmiddellijke werking van de dwangsombeslissing in de bodemzaak is geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel

Zaaknummer : 200.263.659/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/572091 / KG ZA 19/373

arrest van 8 september 2020

inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C.E. Willemsen te Gorinchem

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M. Bredius te Gorinchem

Het geding

Bij exploot van 14 mei 2019 is de moeder in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag, gewezen op 19 april 2019 tussen de vader als eiser en de moeder als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis.

Bij memorie van grieven heeft de moeder haar grieven geformuleerd tegen het bestreden vonnis.

Bij memorie van antwoord heeft de vader de grieven van de moeder weersproken.

De moeder heeft een akte genomen.

Op verzoek van de moeder heeft het hof pleidooi bepaald, dat is gehouden op 27 augustus 2020. Verschenen zijn de partijen vergezeld door hun advocaten. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.

Vervolgens heeft de moeder het procesdossier gefourneerd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Feiten

1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van de minderjarige [naam kind] , geboren [in] 2007 te [plaatsnaam] (verder te noemen: [de minderjarige] ). De vader heeft [de minderjarige] erkend. De moeder heeft het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .

2. Bij beschikking van 20 december 2018 heeft de rechtbank Rotterdam, voor zover belang, als volgt beslist:

‘4.1. bepaalt dat de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht als volgt zal zijn:

- de minderjarige zal het ene weekend op zaterdag van 10:00 tot 19:00 uur en het andere weekend op zondag van 10:00 tot 19:00 uur bij de man verblijven;

(…)

- voor alle contactmomenten geldt dat de vrouw de minderjarige naar de man brengt en de man de minderjarige weer naar de vrouw terugbrengt. Indien de vrouw met de minderjarige gebruik maakt van het openbaar vervoer, reist de vrouw met de minderjarige naar station [plaatsnaam] waar de overdracht van de minderjarige aan de man plaatsvindt;

- op woensdag tussen 19:00 en 20:00 uur is een vast belmoment voor de minderjarige en de man. Wanneer de minderjarige de man vaker wil bellen, krijgt zij daartoe de ruimte van de vrouw.

4.2.

veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere keer dat de vrouw in gebreke blijft de minderjarige naar de man te brengen op de contactmomenten, totdat een maximum van € 2.500,- is bereikt;

4.3.

verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad’.

3. De moeder is in hoger beroep gekomen van de beschikking van 20 december 2018. Op verzoek van de moeder heeft het hof Den Haag bij beschikking van 22 mei 2019 de onmiddellijke werking van de beschikking van 20 december 2018 voor de duur van het geding in hoger beroep geschorst, voor zover de moeder daarbij is veroordeeld tot het betalen van een dwangsom bij het niet nakomen van het brengen van [de minderjarige] naar de vader in het kader van de omgangsregeling.

4. De behandeling van de hoofdzaak in hoger beroep tegen de beschikking van 20 december 2018 duurt voort bij het hof Den Haag. Bij beschikking van 25 september 2019 heeft het hof een bijzondere curator benoemd. Op 16 mei 2020 heeft de bijzondere curator een verslag ingediend bij het hof. De verwachting is dat de mondelinge behandeling van de hoofdzaak binnenkort bij het hof zal plaatsvinden.

Eerste aanleg

5. Op vordering van de vader heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag bij vonnis van 19 april 2019, voor zover van belang, als volgt beslist:

‘5.1. veroordeelt de moeder om mee te werken aan (i) de omgangsregeling zoals die in de
beschikking van de rechtbank Rotterdam van 20 december 2018 is vastgelegd (…);

5.2.

veroordeelt de moeder om aan de vader een dwangsom te betalen van € 500,-- voor
iedere keer dat de moeder in gebreke blijft [de minderjarige] naar de vader te brengen op de
contactmomenten, daaronder begrepen de contactmomenten zoals die volgen uit de
beschikking van 20 december 2018, met een maximum van € 5.000,-;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad’.

Vordering in hoger beroep

6. De moeder is tijdig in hoger beroep gekomen van voormeld vonnis. Zij vordert in hoger beroep, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende – zo begrijpt het hof – de vordering van de vader tot het opleggen van een dwangsom aan de moeder met betrekking tot de nakoming van de omgangsregeling af te wijzen.

7. De vader heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van de moeder in de kosten van deze procedure.

Bespreking van de grieven

8. De moeder komt in appel op tegen het vonnis van de voorzieningenrechter, voor zover zij daarbij is veroordeeld aan de vader een dwangsom te betalen van € 500,- voor iedere keer dat zij in gebreke blijft [de minderjarige] naar de vader te brengen op de vastgestelde contactmomenten. Kort gezegd voert de moeder daarvoor aan dat de onmiddellijke werking van de dwangsomveroordeling in de beschikking van de rechtbank van 20 december 2018 is geschorst bij beschikking van het hof Den Haag van 22 mei 2019, dat de moeder de omgangsregeling vastgesteld bij beschikking van 20 december 2018 in de regel heeft nageleefd in tegenstelling tot de vader die deze regeling meerdere malen niet is nagekomen, en ten slotte dat de moeder het financieel niet breed heeft.

9. De vader heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Kort gezegd komt zijn standpunt erop neer dat de beschikking van het hof Den Haag van 22 mei 2019 geen beletsel vormt voor een dwangsomveroordeling van de moeder in het onderhavige omgangskortgeding en voorts dat de dwangsomveroordeling in dit geval noodzakelijk is als een stok achter de deur aangezien de moeder de omgangsregeling in het verleden meerdere malen niet is nagekomen.

Verhouding tot beslissing hof Den Haag 22 mei 2019

10. Om te beginnen rijst de vraag of en, zo ja, welke gevolgen de beslissing van het hof Den Haag van 22 mei 2019 heeft voor de onderhavige kortgedingprocedure. Bij beschikking van 22 mei 2019 heeft het hof de onmiddellijke werking van de dwangsomveroordeling in de beschikking van de rechtbank van 20 december 2018 geschorst voor de duur van het geding in hoger beroep. Anders dan de moeder betoogt is het hof van oordeel dat voormelde beschikking van het hof geen beletsel vormt om in het kader van het onderhavige omgangskortgeding dwangsommen te verbinden aan de omgangsregeling vastgesteld bij beschikking van 20 december 2018. De onderhavige kortgedingprocedure strekt tot nakoming van de omgangsregeling die is vastgesteld bij beschikking van de rechtbank van 20 december 2018, zodat in zoverre een verband tussen beide procedures bestaat. Dat neemt echter niet weg dat de onderhavige procedure een afzonderlijke procedure betreft waarin tot een dwangsomveroordeling kan worden beslist als de voorzieningenrechter zulks in het belang van [de minderjarige] acht, ook wanneer de onmiddellijke werking van de dwangsomveroordeling in de beschikking van de rechtbank van 20 december 2018 door het hof is geschorst.

Wel of geen dwangsomveroordeling?

11. Bij de beoordeling van de vraag of een dwangsom moet worden opgelegd aan de moeder ter nakoming van de omgangsregeling die is vastgesteld bij beschikking van 20 december 2018, stelt het hof de belangen van [de minderjarige] voorop (vgl. HR 26 januari 1996, NJ 1996/355). Daarbij houdt het hof rekening met de talrijke gerechtelijke procedures die tussen partijen zijn/worden gevoerd met betrekking tot de vaststelling en de uitvoering van een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] , alsmede met de gevolgen van deze rechtsstrijd tussen partijen voor het welbevinden van [de minderjarige] .

Op basis van het verhandelde ter zitting is voor het hof vast komen te staan dat de omgangsregeling die is vastgesteld bij beschikking van 20 december 2018 momenteel in de praktijk redelijk goed wordt nageleefd. Het hof heeft niet kunnen vaststellen of de dwangsomveroordeling van de moeder daaraan heeft bijgedragen. Verder kan het hof niet overzien welke gevolgen de vernietiging van de dwangsomveroordeling in de onderhavige procedure zal kunnen hebben voor de naleving van de omgangsregeling. Om die reden is het hof van oordeel dat er in het belang van [de minderjarige] voorlopig geen wijziging aangebracht dient te worden in de huidige stand van zaken met betrekking tot de omgangsregeling.

Hierbij acht het hof van belang dat de behandeling van de hoofdzaak naar verwachting binnenkort zal worden voortgezet en daarbij uitvoerig stilgestaan zal kunnen worden bij de vraag of het opleggen van een dwangsom ter nakoming van de in die procedure vast te stellen omgangsregeling de belangen van [de minderjarige] dient.

12. Uit het voorgaande volgt dat het hof het hoger beroep van de moeder zal verwerpen en het bestreden vonnis zal bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Proceskosten

13. De proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. F. Ibili, M.W. Koek en M.A.J. Burgers-Thomassen en ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2020 in aanwezigheid van de griffier.