Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1766

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
BK-19/00398
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:5293, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende verricht in 2013 als zelfstandige onderhoudswerkzaamheden bij één opdrachtgever. In geschil is of zijn inkomsten dienen te worden aangemerkt als winst uit onderneming of als resultaat uit overige werkzaamheden.

Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat de werkzaamheden van belanghebbende niet kunnen worden aangemerkt als winst uit onderneming. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij streeft naar het verkrijgen van verschillende opdrachten, dat hij voldoende zelfstandig is ten opzichte van zijn opdrachtgever en dat hij ondernemersrisico loopt. Belanghebbende geeft ook niet actief bekendheid aan zijn activiteiten.

Verder oordeelt het Hof dat het niet bevoegd is te oordelen over een beslaglegging door de ontvanger. Een dergelijk geschil dient bij de burgerlijke rechter aanhangig te worden gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/2299
Viditax (FutD), 29-09-2020
FutD 2020-2844
V-N 2020/62.1.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-19/00398

Uitspraak van 22 september 2020

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: [A] )

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam , de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: [B] en [C] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 16 mei 2019, nummer SGR 17/2188.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.728 en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) naar een bijdrage-inkomen van € 48.528 opgelegd. Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is aan belanghebbende respectievelijk € 613 en € 105 belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslagen en de beschikkingen belastingrente afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake van dit beroep is een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen, de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade tot een bedrag van € 706, de Staat veroordeeld tot vergoeding van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade tot een bedrag van € 794, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 256, de Staat veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 256, de Inspecteur opgedragen de helft van het betaalde griffierecht van € 46, zijnde € 23 aan belanghebbende te vergoeden en de Staat opgedragen de helft van het betaalde griffierecht van € 46, zijnde € 23 aan belanghebbende te vergoeden.

1.4.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 128. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van 11 augustus 2020. De vertegenwoordigers van de Inspecteur zijn verschenen. Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 22 juni 2020, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. De gemachtigde van belanghebbende heeft kort voor de zitting telefonisch contact opgenomen en medegedeeld niet ter zitting aanwezig te zullen zijn en hij heeft daarbij opgemerkt dat hij op 9 juli 2020 een uitstelverzoek per aangetekende brief naar het Hof heeft verzonden. Het uitstelverzoek is niet door het Hof ontvangen. De griffier heeft de gemachtigde van belanghebbende bericht dat de zaak daarom ter zitting van 11 augustus 2020 zal worden behandeld en verzocht het verzendbewijs te verstrekken. Gemachtigde heeft naar aanleiding van het telefonische contact op 11 augustus 2020 een kopie van het uitstelverzoek gemaild en bij e-mail van 19 augustus 2020 een verzendbewijs verstrekt waaruit, hoewel deels onleesbaar, aan de hand van de QR-code blijkt dat de brief met dagtekening 6 juli 2020 niet door het Hof is ontvangen, en aan gemachtigde is geretourneerd. Het Hof was dus tot het telefoongesprek op de zittingsdag onbekend met het uitstelverzoek. Overigens merkt het Hof op dat het uitstelverzoek, ware het wel tijdig ontvangen, niet tot toewijzing had geleid wegens het ontbreken van een deugdelijke redengeving. Het Hof ziet dan ook geen reden een nieuwe datum voor een mondelinge behandeling te bepalen.

1.6.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.

Vanaf 9 juni 2008 worden door belanghebbende activiteiten verricht in de vorm van een eenmanszaak, die staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (KvK). Volgens de gegevens van de KvK bestaan de ondernemingsactiviteiten uit interieurreiniging van gebouwen, kassenbouwbedrijf en verrichten van laad- en loswerkzaamheden.

2.2.

Belanghebbende was tot 2010 in loondienst bij [D] B.V. ( [E] ). Vanaf 2010 verricht belanghebbende als zelfstandige werkzaamheden voor [E] . Belanghebbende heeft een mondelinge overeenkomst gesloten met [E] . De feitelijke werkzaamheden van belanghebbende in 2013 voor [E] bestonden uit het onderhouden en repareren van machines. De Inspecteur heeft in het jaar 2015 een boekenonderzoek bij belanghebbende ingesteld. De controlerend ambtenaar heeft een controlerapport opgesteld. Uit het controlerapport blijkt dat belanghebbende in de periode 2010 tot en met 2013 de volgende bedragen aan winst uit onderneming in zijn aangiften IB/PVV heeft vermeld:

2010

2011

2012

2013

Omzet

€ 55.745

€ 57.554

€ 87.131

€ 107.453

Bedrijfskosten

€ 7.050

€6.964

€ 32.420

€ 58.925

Winst uit onderneming

€ 48.695

€ 50.590

€ 54.711

€ 48.528

FOR dotaties

€ 0

€ 6.071

€ 0

€ 0

Ondernemersaftrek

€ 9.332

€ 7.266

€ 7.280

€ 7.280

MKB-winstvrijstelling

€ 4.724

€ 4.471

€ 5.692

€ 5.775

Belastbare winst

€ 34.639

€ 32.782

€ 41.739

€ 35.473

De omzet is als volgt opgebouwd:

2010

2011

2012

2013

Laad- en loswerkzaam-

heden [E]

€ 55.745

€ 57.085

€ 85.886

€ 107.453

Schoonmaak

werkzaamheden

[F] B.V.

€ 300

€ 578

[G] B.V.

€ 169

[H] B.V.

€ 667

Omzet totaal

€ 55.745

€ 57.554

€ 87.131

€ 107.453

2.3.

Het controlerapport vermeldt voorts: “De omzet behaald uit de werkzaamheden voor [E] is in de jaren 2012 en 2013 toegenomen ten op zicht van de jaren daarvoor. Dit heeft te maken met de inschakeling van de broertje van [belanghebbende], de [broer]. Deze wordt door [E] ingezet wanneer er werk voor is. [Belanghebbende] is met [E]

overeengekomen dat de [broer] de gewerkte uren van (lees: aan, Hof) [belanghebbende] factureert. [Belanghebbende] factureert de uren op zijn beurt aan [E] .”

2.4.

De Inspecteur heeft belanghebbende ten behoeve van zijn werkzaamheden voor het jaar 2013 een Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) winst uit onderneming gegeven. In de VAR-aanvraag heeft belanghebbende vermeld dat hij drie of meer opdrachtgevers heeft.

2.5.

Belanghebbende heeft met zijn werkzaamheden voor [E] in 2013 een positief resultaat behaald van € 48.528. Daarnaast heeft [E] een bonus van € 1.200 aan belanghebbende uitgekeerd, waarover € 600 aan loonheffingen is ingehouden.

2.6.

Belanghebbende heeft voor 2013 aangifte IB/PVV ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.673, bestaande uit € 35.473 belastbare winst uit onderneming en € 1.200 loon.

2.7.

Naar aanleiding van een door de Inspecteur in het jaar 2015 ingesteld boekenonderzoek naar onder meer de aanvaardbaarheid van de aangifte IB/PVV over het jaar 2013 heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van winst uit onderneming, maar van resultaat uit overige werkzaamheden. Hierover is in het controlerapport, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“2.2 Bedrijfsactiviteiten

Volgens de inschrijving in de Kamer van Koophandel bestaan de ondernemingsactiviteiten uit interieurreiniging van gebouwen, kassenbouwbedrijf en het verrichten van laad- en loswerkzaamheden.

In het inleidend gesprek verklaarde [belanghebbende] in de afgelopen jaren voornamelijk werkzaam te zijn geweest voor één opdrachtgever. Dit is de vennootschap [D] B.V. (hierna [E] ) geweest.

[E] is een internationaal opererende dienstverlener op het gebied van opslag, handeling, expeditie, bevrachting en andere aanverwante logistieke diensten. Het bedrijf beschikt over een groot terrein in de haven van [I] . Daar kunnen schepen aan de kade gelost worden. Het terrein is beveiligd en kan alleen worden betreden middels een toegangspas.

De schepen komen hier aan volgeladen met containers. De containers zijn geladen met [handelswaren X] en af en toe weleens [handelswaren Y] . De [handelswaren X] zijn verpakt in grote jutezakken. Deze worden vanaf de kade middels een lopende band getransporteerd naar een loods. De lopende band mondt uit in een snijmachine. De snijmachine snijdt de jutezakken open waarna de [handelswaren X] in een grote verzamelbak vallen. Vanuit hier worden deze [handelswaren] middels een lopende band verder getransporteerd naar een silo. In de silo worden de [handelswaren] opgeslagen. Vanuit de silo worden de vrachtwagens volgeladen. Deze leveren de [handelswaren X] af bij klanten van [E] .

[Belanghebbende] verklaarde in het inleidend gesprek dat zijn taak in dit proces bestaat uit ervoor zorgen dat er geen opstoppingen plaatsvinden in dit proces. Zo moet hij ervoor zorgen dat bij het laden lossen dat de zakken op de lopende band goed liggen. De jute zakken moeten in de lengte liggen op de band. Daarnaast zorgt hij ervoor dat de snijmachine niet vast loopt. Ook het verhelpen van allerlei storingen behoort tot het takenpakket van [belanghebbende].

[Belanghebbende] heeft verklaard dat er tientallen werknemers rondlopen op de werkvloer. Er wordt gewerkt in een ploegendienst. De ploegen worden aangestuurd door een ploegenleider. [Belanghebbende] heeft verklaard dat de meerderheid van de werknemers op grond van een zzp overeenkomst werkzaam zijn. Deze wordt niet schriftelijk overeengekomen maar mondeling. De reden voor de mondelinge overeenkomst is het grote aantal zzp'ers die worden ingeschakeld door [E] . Dit heeft de boekhouder, de heer (…), te horen gekregen na contact met [E] voor een kopie van de schriftelijke overeenkomst.

[Belanghebbende] heeft verklaard dat er een streng regime heerst op de werkvloer. Wanneer de aanwijzingen van de leidinggevende niet wordt opgevolgd, of wanneer je het niet eens bent met de gehanteerde werkwijze binnen het bedrijf dan hoef je niet meer terug te keren. Ter illustratie heeft [belanghebbende] het voorbeeld gegeven waarbij iemand een foto nam op de werkvloer en deze vervolgens op sociale media heeft geplaatst. De persoon in kwestie is hiervoor weggestuurd.

[Belanghebbende] werkt gemiddeld genomen 40 uur per week. Het afgesproken uurtarief bedraagt € 29. [Belanghebbende] heeft aangegeven dat hij niet ruim van te voren door krijgt welke werkzaamheden wanneer dienen te worden uitgevoerd in verband met het inplannen van zijn werkzaamheden.

[Belanghebbende] dient op zijn werk te verschijnen. Vervolgens krijgt hij te horen welke werkzaamheden uitgevoerd dienen te worden. Ook komt het weleens voor dat er dagen zijn dat er geen werk is. [Belanghebbende] dient dan alsnog aanwezig te zijn. Deze dagen worden wel uitbetaald. Dit wordt weer gecompenseerd met de dagen dat er meer gewerkt wordt dan de overeengekomen uren. Deze meer uren worden niet uitbetaald aldus de verklaring van [belanghebbende].

[Belanghebbende] heeft aangegeven dat hij zich wel kan laten vervangen voor de uitvoering van zijn werkzaamheden. Dit is echter wel in tegenspraak met zijn verklaring dat hij toestemming heeft moeten vragen bij zijn leidinggevende om verlof op te nemen voor het gesprek.

In het tweede gesprek dat heeft plaatsgevonden is [belanghebbende] deels teruggekomen op de hierboven vermelde verklaring. [Belanghebbende] heeft aangegeven dat zijn rol in het productieproces beperkt is. [Belanghebbende] verklaarde dat hij voornamelijk zorg draagt voor de technische aspecten van dit productieproces. Hij zorgt ervoor dat wanneer het systeem hapert hij deze weer aan de praat krijgt. Daarnaast draagt hij zorg voor allerlei reparaties en onderhoudswerkzaamheden binnen het bedrijf. Deze werkzaamheden voert hij samen uit met een collega die in vaste dienst is bij het bedrijf. De uit te voeren werkzaamheden worden door de leidinggevende aangegeven waarna deze door [belanghebbende] en zijn collega worden uitgevoerd.

[Belanghebbende] heeft verklaard geen technische opleiding te hebben gevolgd. Echter heeft hij enige jaren werkervaring als automonteur die nu van pas komen bij de uitvoering van zijn huidige werkzaamheden.

Daarnaast heeft [belanghebbende] in het controlejaar 2012 een tweetal opdrachten verricht. Dit betrof schoonmaakwerkzaamheden aan kassen.

(…)

3.3.1

Laad- en loswerkzaamheden

De feitelijke situatie in de jaren 2010 tot en met 2013 is zo geweest dat [belanghebbende] nagenoeg uitsluitend werkzaam is geweest voor één opdrachtgever, namelijk [E] . Dit betrof de laad- en loswerkzaamheden en/of de onderhoudswerkzaamheden.

[Belanghebbende] is voor de uitvoering van zijn werkzaamheden afhankelijk van deze ene opdrachtgever. [Belanghebbende] heeft verklaard gemiddeld genomen 40 uur per week werkzaam te zijn voor deze opdrachtgever. Hierdoor is de mogelijkheid dat [belanghebbende] naast deze opdrachtgever werkzaam kan zijn voor een andere opdrachtgever aanzienlijk beperkt.

Dit wordt ook onderschreven doordat hij in de jaren 2010 tot heden alleen werkzaam is geweest en nog werkzaam is voor deze ene opdrachtgever. Dit zal tevens de reden geweest zijn waarom het aandeel in de omzet van schoonmaakwerkzaamheden beperkt zijn gebleven.

Daarnaast is niet gebleken dat [belanghebbende] als zelfstandige naar buiten toe treedt met deze activiteiten. Uit de administratie is gebleken dat [belanghebbende] reclamemateriaal heeft laten vervaardigen. Hiermee is geadverteerd voor de schoonmaakwerkzaamheden.

Tevens heeft [belanghebbende] verklaard dat er een streng regime heerst binnen het bedrijf. De werknemers dienen de aanwijzingen en de regels zoals opgelegd door het bedrijf op te volgen. Het niet opvolgen van deze aanwijzingen en/of het niet nakomen van de regels resulteert in dat je niet meer hoeft terug te komen aldus de verklaring van [belanghebbende]. Hieruit trek ik de conclusie dat [belanghebbende] gebonden is aan de werkwijze en richtlijnen van [E] .

[Belanghebbende] heeft verklaard dat hij van week tot week te horen krijgt welke werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. [Belanghebbende] krijgt ook aanwijzingen over de uit te voeren werkzaamheden. De werkzaamheden moeten worden uitgevoerd op het terrein van de opdrachtgever.

[Belanghebbende] heeft verklaard de mogelijkheid te hebben zich te laten vervangen door een ander. Echter heeft [belanghebbende] aangegeven dat dit nog niet één keer zich heeft voor gedaan. De mogelijkheid zich te laten vervangen door een derde is niet aannemelijk. Te meer omdat [belanghebbende] heeft aangegeven toestemming te moeten vragen bij de opdrachtgever voor het opnemen van verlof.

Op grond van de hierboven vermelde feiten en omstandigheden blijkt dat [belanghebbende] onvoldoende zelfstandigheid bezit ten opzichte van zijn opdrachtgever en dat [belanghebbende] niet streeft naar continuïteit door het verkrijgen van verschillende opdrachten van verschillende opdrachtgevers. Derhalve kunnen de inkomsten uit deze activiteiten niet worden aangemerkt als winst uit onderneming maar eerder als loon uit dienstbetrekking gezien de sterke aanwijzingen van het bestaan van een zekere gezagsverhouding tussen [belanghebbende] en zijn opdrachtgever [E] .

Echter vanuit praktische overwegingen en specifieke omstandigheden in dit geval zullen de inkomsten uit deze activiteiten vanaf het kalenderjaar 2012 worden aangemerkt als resultaat uit een werkzaamheid.

Met ingang van het jaar 2016 zal de VAR regeling komen te vervallen. De feitelijke activiteiten zullen dan opnieuw beoordeeld worden overeenkomstige de geldende wetgeving. De inkomsten uit deze activiteiten zullen dan moeten worden aangegeven als winst uit onderneming, loon uit dienstbetrekking of resultaat uit een werkzaamheid.”

2.8.

Bij het opleggen van de aanslagen heeft de Inspecteur de in de aangifte vermelde zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling gecorrigeerd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft het volgende overwogen.

“9. Op grond van artikel 3.8 van de Wet IB 2001 is winst uit onderneming het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming. Bij de beoordeling of sprake is van een onderneming moet onder meer acht worden geslagen op de duurzaamheid en omvang van de werkzaamheden, de grootte van de brutobaten, de winstverwachting, het lopen van ondernemersrisico, de beschikbare tijd, de bekendheid die naar buiten aan de werkzaamheid wordt gegeven, het aantal opdrachtgevers en de omvang van de investeringen (vgl. Hoge Raad 21 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5328).

10. [Belanghebbende] heeft ter zitting onder meer het volgende verklaard over de door hem verrichtte werkzaamheden in 2013. [Belanghebbende] werkte in 2013 niet op contractbasis voor C. BV en had gedurende 2013 geen andere opdrachtgevers dan C. BV. [Belanghebbende] ontving iedere dag een lijst van de werkzaamheden die hij de volgende dag moest verrichten. De wijze waarop hij deze werkzaamheden verrichtte mocht hij zelf invullen. Als er geen lijst was, hoefde [belanghebbende] ook niet te komen, maar vanwege de ouderdom van de machines was er altijd werk. [Belanghebbende] hoefde geen verlof te vragen, maar moest wel afstemmen wanneer hij afwezig was, dit gebeurde in overleg met C. BV. Hij was vijf dagen per week en soms ook in het weekend op één van de twee bedrijfslocaties van C. BV in [I] dan wel [J] aan het werk. Normaal gesproken moest hij rond 07:00 uur aanwezig zijn en was hij tot ongeveer 18:00 uur of 19:00 uur aan het werk. Als C. BV niet zou betalen voor de werkzaamheden van [belanghebbende], had hij ook geen inkomen. Als [belanghebbende] ziek was, met vakantie was of er zwaar werk was dat hij niet alleen kon verrichten, stuurde hij zijn broer of nam hij hem mee.

11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [belanghebbende], op wie de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt dat hij in 2013 een onderneming heeft gedreven. Uit de verklaring van [belanghebbende] afgelegd ter zitting volgt dat [belanghebbende] in 2013 maar één opdrachtgever heeft gehad, hij voltijd aanwezig was op de bedrijfslocaties van deze opdrachtgever en wat betreft tijdstip, plaats en aard van de te verrichten werkzaamheden volledig afhankelijk van C. BV. Voorts heeft [belanghebbende] niet inzichtelijk gemaakt dat hij ondernemersrisico heeft gelopen. Het risico dat C. BV hem mogelijk niet voor zijn werkzaamheden zou betalen is daartoe niet toereikend. Daarbij heeft [belanghebbende] niet met betalingsbewijzen of anderszins aannemelijk gemaakt dat zijn broer werkzaamheden voor hem heeft verricht.

12. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft [belanghebbende] geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat deze rente naar een onjuist bedrag of in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht.

13. Gelet op wat hiervoor is overwogen zijn de aanslagen niet te hoog vastgesteld en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

14. [Belanghebbende] heeft zich beklaagd over de duur van de procedure. De rechtbank heeft deze klacht aangemerkt als een verzoek om immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Hiervan komt een half jaar toe aan de bezwaarfase.

15. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift van [belanghebbende] tegen de aanslagen IB/PVV en Zvw reeds op 21 december 2015 is ingediend en dat gerekend vanaf dat moment 3 jaar en 5 maanden zijn verstreken, zodat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn met 1 jaar en 5 maanden. Aan [belanghebbende] komt daarom een schadevergoeding toe van € 1.500 (€ 500 per overschrijding van (een gedeelte van) een half jaar). Nu de termijnoverschrijding deels is te wijten aan [de Inspecteur] (8 maanden) en deels aan de rechtbank (9 maanden) veroordeelt de rechtbank [de Inspecteur] naar evenredigheid tot het betalen van een schadevergoeding van € 706 (8/17e deel van € 1.500) en de Staat tot het betalen van een schadevergoeding van € 794 (9/17e deel van € 1.500).”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de inkomsten van belanghebbende moeten worden aangemerkt als winst uit onderneming (belanghebbende) of als resultaat uit overige werkzaamheden (de Inspecteur).

4.2.

Belanghebbende concludeert, zo begrijpt het Hof, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank behoudens de veroordelingen tot vergoeding van immateriële schade, de proceskosten en het griffierecht, en de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de aanslag IB/PVV berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.673 en tot vergoeding van de proceskosten en de door hem gemaakte kosten in verband met de beslaglegging.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.

Gelet op de rangorderegeling van artikel 2.14, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) zal eerst worden beoordeeld of de inkomsten die belanghebbende met zijn werkzaamheden heeft behaald, kunnen worden aangemerkt als winst uit onderneming, zoals belanghebbende betoogt doch de Inspecteur betwist. Indien deze vraag positief wordt beantwoord, behoeft de vraag of sprake is van resultaat uit overige werkzaamheden geen beantwoording meer.

5.2.

Ingevolge artikel 3.8 van de Wet IB 2001 is winst uit onderneming het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming. Uit artikel 3.5 van de Wet IB 2001 volgt dat onder onderneming mede moet worden verstaan het zelfstandig uitgeoefende beroep. Daarvan is sprake als belanghebbende de werkzaamheden zelfstandig en voor eigen rekening verricht en daarbij ondernemersrisico loopt (zie HR 16 september 1992, BNB 1992/370 en HR 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0499, BNB 2009/219).

5.3.

Belanghebbende heeft zijn stelling dat hij zijn werkzaamheden als ondernemer verricht als volgt onderbouwd. Hij heeft uiteengezet dat hij in 2011 en 2012 drie opdrachtgevers had. De omvang van de werkzaamheden voor [E] was in 2013 zodanig dat hij slechts één opdrachtgever had en ook zijn broer moest inschakelen om alle werkzaamheden te kunnen verrichten. Verder kon belanghebbende zelfstandig de inrichting van zijn werkzaamheden bepalen, hij hoefde bijvoorbeeld geen verlof te vragen. Tot slot heeft belanghebbende erop gewezen dat hij in 2013 ondernemersrisico liep. De Inspecteur heeft een en ander gemotiveerd betwist.

5.4.

Om navermelde redenen kunnen de inkomsten uit de werkzaamheden van belanghebbende niet worden aangemerkt als winst uit onderneming. Hoewel sprake is van een zekere duurzaamheid en een gerechtvaardigde voordeelsverwachting, streeft belanghebbende niet duurzaam naar het verkrijgen van opdrachten van verschillende opdrachtgevers, bezit hij onvoldoende zelfstandigheid ten opzichte van zijn opdrachtgever en loopt hij ook geen ondernemersrisico.

5.5.

Weliswaar heeft belanghebbende in de jaren 2011 en 2012 verschillende opdrachtgevers gehad, maar ook in die jaren heeft belanghebbende meer dan 98% van zijn omzet als zelfstandige behaald met werkzaamheden voor [E] . In 2013 was [E] zijn enige opdrachtgever. Bovendien waren de andere opdrachten van belanghebbende andersoortige werkzaamheden, namelijk schoonmaakwerkzaamheden. Er is dus geen sprake van samenhang tussen de verschillende opdrachten. Verder blijkt uit onderdeel 3.1 van het controlerapport, hetgeen door belanghebbende onvoldoende is weersproken, dat [E] de broer van belanghebbende inschakelde en dat de facturen voor deze inschakeling via belanghebbende worden betaald. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat hij zijn werkzaamheden als ondernemer verricht omdat hij zijn broer inschakelde, slaagt die stelling gelet op 3.1 van het controlerapport niet.

5.6.

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij ten opzichte van [E] voldoende zelfstandig is. [E] verstrekt aan belanghebbende een lijst met werkzaamheden die hij per dag of per week dient te verrichten en hij moet op vaste tijden aanwezig zijn. Het benodigde materiaal wordt door [E] ter beschikking gesteld. Bovendien waren er door de ouderdom van de machines altijd voldoende onderhoudswerkzaamheden te verrichten. Belanghebbende verrichtte volgens zijn verklaring (minimaal) vijf dagen per week werkzaamheden voor [E] . Er was geen sprake van jaarlijks sterk wisselende opbrengsten, de werkzaamheden hebben qua omvang een duurzaam karakter en hij verrichtte al sinds 2010 werkzaamheden voor [E] . Verder blijkt uit onderdeel 2.2 van het controlerapport dat als er niet voldoende werk was, belanghebbende toch werd betaald. Deze uren werden gecompenseerd met de dagen dat belanghebbende meer uren had gewerkt dan overeengekomen. Belanghebbende heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij ondernemersrisico liep. Daarnaast houdt zijn debiteurenrisico niet meer in dan dat van een werknemer die loon ontvangt van zijn werkgever. Tot slot heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij actief bekendheid gaf aan zijn onderneming en hij hield zich evenmin bezig met acquisitie. De inschrijving bij de KvK doet aan het voorgaande niet af.

5.7.

Tot de stukken van het geding hoort een brief van 8 april 2016 waarin een verslag is opgenomen van een telefoongesprek tussen de gemachtigde van belanghebbende en de onderhoudsmanager van [E] , die het standpunt van belanghebbende niet onderbouwt. De in die brief genoemde werkomstandigheden, waaronder de afstemming van de werkplanning met de onderhoudsmanager, de ter beschikkingstelling van het materiaal door [E] en de verrichting van de werkzaamheden door belanghebbende op vaste tijden (tussen 7:00 uur en 18:00 uur) duiden veeleer op het verrichten van werkzaamheden in dienstbetrekking. Dat beeld wordt bevestigd door hetgeen is beschreven in onderdeel 2.2 van controlerapport, waaruit blijkt dat belanghebbende de onderhoudswerkzaamheden uitvoert samen met een collega die in vaste dienst is bij [E] . Alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, leidt tot het oordeel dat geen sprake is van winst uit onderneming, maar van resultaat uit overige werkzaamheden. De Inspecteur heeft derhalve terecht de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling geweigerd.

Ten aanzien van de kosten van beslaglegging

5.8.

De belastingrechter is niet bevoegd te oordelen over een verzoek tot vergoeding van kosten die voortvloeien uit een, naar belanghebbende stelt, ten onrechte gelegd beslag door de ontvanger. Een dergelijk geschil behoort tot de competentie van de burgerlijke rechter.

Belastingrente

5.9.

Tegen de belastingrente heeft belanghebbende geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Dat de belastingrente in strijd met de daartoe strekkende wettelijke bepalingen of enige andere regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.

Slot

5.10.

Gelet op het hiervoor overwogene is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.

Proceskosten

Er zijn geen termen voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene Wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, P.J.J. Vonk en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier N. Veenstra. De beslissing is op 22 september 2020 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.