Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1710

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
200.254.094
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:398, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effecten-lease; verstekvonnis; verjaring?; invloed WCAM-overeenkomst; beroep namarebo contractuele rente deels gehonoreerd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.254.094

Zaaknummer rechtbank : C/10/550922 / HA ZA 18-516

arrest van 29 september 2020

inzake

Tealinez B.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

appellante,

hierna te noemen: Tealinez,

advocaat: mr. P.C.M. Ouwens te Spijkenisse,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.J.F. van de Voort te Langbroek.

Het geding

Bij exploot van 21 januari 2019 is Tealinez in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam, team handel en haven, tussen partijen gewezen vonnis van 9 januari 2019. Bij memorie van grieven (met productie) heeft Tealinez vijf grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord (met producties) heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het bestreden vonnis onder "2. De Feiten" vastgestelde feiten zijn door partijen niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

2. Met inachtneming van hetgeen verder in hoger beroep is komen vast te staan gaat in deze zaak om het volgende.

2.1.

Dexia Bank Nederland N.V. is rechtsopvolgster van de naamloze vennootschap Bank Labouchere N.V., ook wel handelend onder de handelsnaam Legio, die op haar beurt rechtsopvolgster is van de besloten vennootschap Legio Lease B.V. Dexia en haar rechtsvoorgangers worden hierna aangeduid als Dexia.

2.2

[geïntimeerde] en Dexia hebben op of omstreeks 18 augustus 1999 een effectenleaseovereenkomst ondertekend met een looptijd van drie jaren onder de naam WinstVerDriedubbelaar en met nummer [nummer] (hierna: de effectenleaseovereenkomst). Op basis van deze overeenkomst verstrekte Dexia aan [geïntimeerde] een lening voor de aankoop van effecten tot een bedrag van € 38.985,50. [geïntimeerde] was ter zake van de lening 36 maandtermijnen van fl 500,73 / € 237,22 verschuldigd aan Dexia. Het aankoopbedrag voor de effecten diende [geïntimeerde] bij het einde van de looptijd af te lossen. Dit bedrag zou worden verrekend met de verkoopopbrengst van de aandelen.

2.3

De effectenleaseovereenkomst is op 19 augustus 2002 met verlies geëindigd door het verstrijken van de overeengekomen looptijd. In verband hiermee heeft Dexia een eindafrekening opgemaakt en aanspraak gemaakt op betaling van een bedrag van € 17.067,.

2.4

Bij brief van 24 april 2003 schreef Dexia aan [geïntimeerde] :

"Op 19 augustus 202 is bovengenoemde lease-overeenkomst met verlies beëindigd. Middels een toegezonden eindafrekening hebben wij u hiervan in kennis gesteld en hebben u tevens verzocht het verschuldigde bedrag van € 17067,00 aan ons te voldoen.

Ondanks verschillende betalingsherinneringen van onze zijde hebben wij tot op heden het verschuldigde bedrag niet of niet volledig van u ontvangen. Ook van ons aanbod tot een betalingsregeling heeft u geen gebruik gemaakt. Tevens hebben wij diverse malen getracht met u telefonisch in contact te treden. Ten overvloede wijzen wij u erop dat u contractueel verplicht bent het genoemde bedrag aan ons te voldoen.

Wanneer wij thans binnen veertien dagen na dagtekening van dit aangetekend schrijven, het bedrag van € 17067,00 niet op onze rekening hebben ontvangen zullen wij zonder verdere ingebrekestelling overgaan tot het nemen van invorderingsmaatregelen."

2.5

Eveneens op 24 april 2003 stuurde Dexia de volgende eindafrekening:

"(…)

Opbrengst verkoop € 30.098,52

Subtotaal bij: € 30.098,52

Eerste aflossingstermijn* Af € 45,38

Restant hoofdsom Af € 38.940,22

Totaal aan inhaalincasso's Af € 227,22

Achterstallige post(en) (…) Af € 908,88

Subtotaal af: € 40.121,70

Totaal door u nog te voldoen € 17.067,00

* De hoofdsom is het bedrag waarvoor de aandelen voor uw contract zijn aangekocht. In verband met artikel 1576 van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek deelt Legio deze hoofdsom in tweeën: in een 'restant hoofdsom' en een 'eerste aflossingstermijn' van € 45,38. Dit zijn geen extra beëindigingskosten zoals wel eens wordt aangenomen. Het gaat hier enkel om een administratieve afhandeling."

2.6

[geïntimeerde] heeft op deze brieven niet gereageerd, waarna Dexia [geïntimeerde] heeft gedagvaard.

2.7

Bij verstekvonnis van 8 oktober 2003 is [geïntimeerde] – zakelijk weergegeven – veroordeeld tot betaling van het bedrag van de eindafrekening, vermeerderd met de contractuele rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.8

Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033, verder de beschikking) heeft het hof Amsterdam de zogenoemde Duisenberg-regeling verbindend verklaard. De Duisenberg-regeling is een tussen Dexia en belangenorganisaties tot stand gekomen WCAM-overeenkomst (overeenkomst als bedoeld in artikel 7:907 BW ter collectieve afwikkeling van massa-schade, verder de WCAM-overeenkomst). Op grond van die beschikking eindigt de termijn waarbinnen een gerechtigde schriftelijk (door middel van een zogenoemde opt out-verklaring) kan laten weten niet gebonden te willen zijn aan die regeling op 31 juli 2007.

2.9

[geïntimeerde] heeft niet tijdig een opt out-verklaring afgelegd.

2.10

In de WCAM-overeenkomst is – voor zover thans van belang – onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 2 - De Gerechtigden

2.1

De Gerechtigden zijn alle personen die met Dexia een effectenlease-overeenkomst zijn aangegaan, met uitzondering van de in artikel 2.2 en 2.3 bedoelde personen.

2.2

Een persoon is geen Gerechtigde met betrekking tot een effectenlease-overeenkomst:

(…)

(e) die onderwerp is van een tussen Dexia en de Contactant gewezen gerechtelijke uitspraak die op de datum van ondertekening van deze Overeenkomst kracht van gewijsde heeft verkregen of voorafgaand aan de datum van de Beschikking kracht van gewijsde verkrijgt;

(…)

Artikel 3 – De omvang van de Vergoeding – indeling

3. De Vergoeding wordt per Effectenlease-overeenkomst berekend en is gelijk aan een percentage van de Restschuld, waarbij de indeling en daarmee dat percentage conform het bepaalde in artikel 4 tot en met 8 (het hof leest gelet op de beschikking: 9) afhankelijk is van: (…)

Artikel 9 – Vergoedingen Reguliere Beëindiging op of na de Peildatum

(…)

Restschuldproduct

9.2

Indien op of na de Peildatum een Reguliere Beëindiging plaatsvond respectievelijk plaatsvind van een Restschuldproduct, dan wordt met betrekking tot de desbetreffende Effectenlease-overeenkomst een Vergoeding toegekend gelijke aan 66,67% van de RSP Restschuld, (…)

Artikel 13 – Tijdstip en wijze van uitbetaling van de Vergoeding

13.1

De Vergoeding waarop een Gerechtigde uit hoofde van deze Overeenkomst in verband met een bepaalde Effectenlease-Overeenkomst recht heeft, wordt voor zo veel mogelijk verrekend met (i) de Restschuld die bij de Beëindiging van die Overeenkomst ontstaat, en (ii) eventuele (andere) Openstaande Posten. (…) De Gerechtigde is geen rente of andere vertragingsvergoeding verschuldigd terzake van verplichtingen die aldus worden verrekend. Dexia zal deze verrekening ook zonder daartoe strekkend verzoek van de Gerechtigde toepassen. (…)

Artikel 14 - Kwijting

14.1

Elke Gerechtigde verleent aan Dexia (…) kwijting terzake van alle vorderingen die voortvloeien uit of verband houden met de geldigheid, het aangaan en de uitvoering van de Effectenlease-Overeenkomsten en de wijze waarop voor dergelijke overeenkomsten reclame is gemaakt of anderszins het aangaan daarvan is bevorderd, ongeacht de aard en grondslag van dergelijke vorderingen (…)

14.4

Voor zover bestaande of toekomstige verplichtingen uit een Effectenlease- Overeenkomst niet teniet gaan door verrekening met een Vergoeding uit hoofde van deze Overeenkomst, bevestigt de Gerechtigde die verplichtingen (…)

De voorwaarden en condities van de Effectenlease-overeenkomsten van een Gerechtigde (…) blijven onverminderd van kracht voor zover daarvan bij deze Overeenkomst niet is afgeweken

(…)"

2.11

Dexia heeft de in geding zijnde vordering overgedragen aan een derde en deze heeft de vordering overgedragen aan Tealinez.

2.12

Op 3 april 2018 heeft Tealinez het verstekvonnis (opnieuw) laten betekenen aan [geïntimeerde] en de tenuitvoerlegging van dat vonnis aangezegd. Het door [geïntimeerde] te betalen bedrag was blijkens het exploot inmiddels opgelopen tot € 87.269,81, waarvan € 68.216,49 aan rente.

2.13

[geïntimeerde] heeft op 30 april 2018 verzet aangetekend tegen het verstekvonnis. Hij vorderde de vernietiging van het verstekvonnis en primair de afwijzing van de inleidende vorderingen van Dexia, subsidiair een gebod aan Tealinez met onmiddellijke ingang verdere incassomaatregelen uit hoofde van het verstekvonnis te stoppen.

2.14

Tealinez heeft haar eis vervolgens onder verwijzing naar de WCAM-overeenkomst verminderd tot een bedrag in hoofdsom van € 11.112,66, vermeerderd met de contractuele, althans de wettelijke rente.

2.15

[geïntimeerde] heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering op grond van de WCAM-overeenkomst is verjaard.

2.16

Bij het thans bestreden vonnis in verzet heeft de rechtbank – zakelijk weergegeven – het verjaringsberoep gehonoreerd, het verstekvonnis vernietigd en de vordering van Tealinez afgewezen.

3.1

In hoger beroep vordert Tealinez de vernietiging van het bestreden vonnis in verzet en de toewijzing van haar verminderde eis, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

3.2

De grieven zijn gericht tegen het oordeel dat de vordering van Dexia/Tealinez – ondanks het verstekvonnis van 2003 – is verjaard.

3.3

Het hof stelt vast dat de ontvankelijkheid van [geïntimeerde] in zijn verzet niet meer aan de orde is. Het hof stelt verder – in navolging van de rechtbank – vast dat Tealinez genoegzaam heeft aangetoond dat de in geding zijnde vordering aan haar is overgedragen. Ook het verweer dat Tealinez niet vorderingsgerechtigd is, behoeft daarom geen verdere bespreking.

3.4

Tussen partijen is niet in geschil dat de vordering van Dexia op 9 september 2003, ten tijde van de inleidende dagvaarding, niet was verjaard. De instelling van de eis had ingevolge artikel 3:316 BW stuitende werking gedurende de procedure. De eis is door een toewijzing (het verstekvonnis) gevolgd. Hierop is artikel 3:324 BW van toepassing, welk artikel bepaalt dat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging verjaart door verloop van 20 jaar na de uitspraak. Sinds het verstekvonnis zijn nog geen 20 jaar vestreken. De bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het verstekvonnis was dus nog niet verjaard. Door het instellen van verzet is de stuitende werking van de inleidende dagvaarding herleefd. De vordering van Tealinez was toen dus nog niet verjaard. De omstandigheid dat partijen inmiddels waren gebonden aan de WCAM-overeenkomst (die maakte dat [geïntimeerde] jegens Tealinez recht had verkregen op een met de eindafrekening te verrekenen vergoeding) doet daaraan niet af.

3.5

Tealinez heeft met haar eiswijziging in eerste aanleg ook geen afstand gedaan van haar vordering. Zij heeft slechts haar eis verminderd, omdat zij had onderkend dat in de periode tussen het verstekvonnis en het verzet de eerder genoemde WCAM-overeenkomst tot stand is gekomen en verbindend verklaard en dat deze overeenkomst van invloed is op (het saldo van) haar vordering. [geïntimeerde] is immers een Gerechtigde als bedoeld in artikel 2 van die overeenkomst, die in gevolge de WCAM-overeenkomst jegens Dexia aanspraak kan maken op een vergoeding, die dient te worden verrekend met haar vordering.

3.6

Daarom valt niet in te zien dat door deze eisvermindering verjaring is ingetreden. Tealinez heeft immers niet de grondslag van haar vordering gewijzigd of prijsgegeven (die blijft nakoming van de tussen Dexia en [geïntimeerde] gesloten effectenleaseovereenkomst), maar heeft slechts haar vordering aangepast in die zin dat zij deze heeft verminderd met de vergoeding die aan [geïntimeerde] toekomt op basis van de WCAM-overeenkomst. De WCAM-overeenkomst heeft immers niet aan Tealinez het recht ontnomen nakoming te vorderen van de Effectenlease-overeenkomst (artikel 14.4), maar verplicht Tealinez wel tot verrekening van haar vordering met de aan [geïntimeerde] toekomende vergoeding (artikel 13.1). Ook de verminderde vordering is dus niet verjaard. De grieven van Tealinez slagen in zoverre. Daarmee komt het hof toe aan de vraag of en zo ja tot welke hoogte de vordering toewijsbaar is.

3.7

[geïntimeerde] heeft zich – onder verwijzing naar een vonnis van rechtbank Noord-Nederland van 18 juni 2014 (ECLI:NL:RBNNE:2014:3079) – beroepen op rechtsverwerking/misbruik van bevoegdheid aan de zijde van Tealinez. Omdat [geïntimeerde] niet op de hoogte was van de dagvaarding, noch van het verstekvonnis, heeft hij nooit rekening kunnen houden met de verschuldigdheid van het enorme bedrag dat Tealinez van hem vordert. Aan Tealinez moet daarom de bevoegdheid de vordering te innen worden ontzegd, zo begrijpt het hof [geïntimeerde] .

3.8

Dit verweer faalt, omdat volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad voor het aannemen van rechtsverwerking enkel stilzitten, ook gedurende lange tijd, niet voldoende is. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden vereist, als gevolg waarvan bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldenaar zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Dergelijke bijkomende omstandigheden zijn door [geïntimeerde] niet gesteld, althans niet ten aanzien van de hoofdsom. Ten aanzien van de contractuele rente verwijst het hof naar rechtsoverweging 3.22. Ook het beroep op misbruik van bevoegdheid faalt, omdat [geïntimeerde] dat beroep niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd.

3.9

[geïntimeerde] heeft als verweer tegen de vordering van Tealinez aangevoerd dat hij in 1999, bij het aangaan van de effectenleaseovereenkomst, 26 jaar oud was. Hij meent zich te herinneren dat er destijds sprake was telefonische verkoop, waarbij er niet duidelijk op de risico van de transactie werd gewezen. Op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad moet daarom worden aangenomen dat Dexia is tekortgeschoten in haar zorgplicht, hetgeen ertoe zou moeten leiden dat de vordering van Tealinez moet worden afgewezen, aldus [geïntimeerde] .

3.10

Het hof overweegt dat – wat er ook zij van de verwijten van [geïntimeerde] – het feit dat effectenlease-producten op grote schaal zijn verkocht, zonder dat de kopers erop zijn gewezen dat deze zeer risicovol waren, heeft geleid tot de zogenoemde Duisenberg-regeling. De verbindendverklaring van genoemde regeling heeft tot gevolg dat deze regeling geldt voor alle in die overeenkomst genoemde gerechtigden, tenzij zij tijdig een opt out-verklaring hebben afgelegd. Vaststaat dat [geïntimeerde] niet tijdig een dergelijke verklaring heeft afgelegd. Dat betekent dat partijen gebonden zijn aan de WCAM-overeenkomst.

3.11

De gebondenheid aan de WCAM-overeenkomst brengt niet alleen met zich dat [geïntimeerde] jegens Dexia aanspraak kan maken op een vergoeding in verband met de effectenleaseovereenkomst, maar ook dat hij andere vorderingen jegens Dexia samenhangend met de effectenleaseovereenkomst niet langer geldend kan maken (artikel 14). Dit betekent dat de het hiervoor door [geïntimeerde] gevoerde verweer, geen verdere bespreking behoeft. Volstaan kan worden met de beoordeling tot welke vergoeding de WCAM-overeenkomst noopt.

3.12

Vaststaat dat de oorspronkelijke eindafrekening van 24 april 2003 onder de streep een bedrag vermeldt van € 17.067,--. Het hof stelt vast dat dit bedrag niet de resultante is van de boven de streep opgenomen bedragen, immers € 30.098,52 minus € 40.121,70 is niet € 17.067,--, maar € 10.023,18. In de eindafrekening van 24 april 2003 is dus een fout geslopen. Tealinez heeft dit onderkend en een verbeterde eindafrekening overgelegd. Volgens laatstgenoemde eindafrekening is nog steeds sprake van een restschuld van € 17.067,--, maar is de som boven de streep aangepast. Op die eindafrekening zijn de achterstallige posten verhoogd van € 908,88 naar € 7.952,70 (zijnde 35 gemiste termijnen). Uitgaande van dit laatste bedrag leidt de som wel tot het bedrag van € 17.067,--.

3.13

In reactie op deze aangepaste eindafrekening heeft [geïntimeerde] ontkend dat hij 35 van de 36 betalingen heeft gemist, maar hij onderbouwt dit op geen enkele wijze (bijvoorbeeld door overlegging van betaalbewijzen). Dit had wel van hem mogen worden verwacht. [geïntimeerde] erkent immers dat hij de effectenleaseovereenkomst heeft gesloten en weerspreekt niet dat hij op basis van de effectenleaseovereenkomst 36 maandelijkse termijnen verschuldigd was van fl 500,73 / € 237,22. Er is dus sprake is van een bevrijdend verweer. Op hem rust ter zake de bewijslast. Dit betekent dat het hof er niet van kan uitgaan dat de bedragen zijn voldaan.

3.14

De omstandigheid dat Dexia in de inleidende dagvaarding had geschreven dat [geïntimeerde] tijdens de looptijd de verschuldigde bedragen tijdig had voldaan, maakt niet dat Tealinez deze fout niet mag herstellen. Van een gerechtelijke erkenning door Dexia was geen sprake, reeds omdat gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] zich ten tijde van de inleidende dagvaarding tegenover Dexia al op betaling had beroepen, terwijl bovendien uit de inleidende dagvaarding en de daarbij behorende producties als geheel genoegzaam blijkt dat het hier een verschrijving van Dexia betrof.

3.15

Verder heeft [geïntimeerde] gesuggereerd dat de door Tealinez opgevoerde aankoop en verkoopbedragen niet kloppen, omdat Tealinez ter zake van de koop en verkoop geen enkel bewijsstuk heeft overgelegd en er aanwijzingen zijn dat Dexia helemaal geen aandelen heeft gekocht en verkocht, maar in plaats daarvan werkte met optieconstructies.

3.16

Het hof overweegt dat – wat hiervan ook zij – [geïntimeerde] de verschuldigdheid van het op de eindafrekening voorkomende bedragen onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Het hof zal daarom uitgaan van de eindafrekening zoals door Tealinez overgelegd als productie 9 bij haar akte uitlaten tevens vermindering van eis van 28 november 2018.

3.17

Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] op basis van artikel 9.2 van de WCAM-overeenkomst recht heeft op een vergoeding van 66,67% van de restschuld. Tealinez spreekt over artikel 4.2 van de overeenkomst, maar het hof gaat ervan uit dat dit op een misverstand berust, omdat geen sprake was van een voortijdige beëindiging. Voor de vergoeding maakt het overigens niet uit: in beide gevallen bestaat aanspraak op een vergoeding van 66,67% van de restschuld.

3.17

De restschuld bedroeg blijkens de eindafrekening (aankoopbedrag effecten € 38.985,60 minus verkoopopbrengst effecten € 30.098,52 is) € 8.887,08.

66,67% van € 8.887,08 is € 5.925,02.

3.18

Volgens Tealinez heeft [geïntimeerde] echter recht op een vergoeding van € 5.954,34. Het hof gaat ervan uit dat hier sprake is van een afrondingsverschil. Uitgaande van het door Tealinez opgegeven bedrag, brengt dat de hoofdsom op (€ 17.067,-- minus € 5.954,34 is) € 11.112,66. Dit bedrag is toewijsbaar.

3.19

Tealinez maakt niet alleen aanspraak op genoemde hoofdsom, maar ook op de contractuele rente van 0,96 per maand vanaf 19 augustus 2002 tot aan de dag van voldoening.

3.20

[geïntimeerde] heeft zich ook ter zake van de rentevordering beroepen op rechtsverwerking / misbruik van bevoegdheid. Hij stelt daartoe dat het hem niet bekend was dat hij ooit is gedagvaard en dat tegen hem een verstekvonnis was gewezen. Hij vermoedt dat Dexia, als gevolg van het rond 2003 ontstane tumult over de effectenlease-overeenkomsten heeft afgezien van incassomaatregelen, met als gevolg dat de vordering nu als gevolg van rente is aangegroeid tot een enorm bedrag. Hij meent dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Tealinez daar nu aanspraak op maakt. Hij stelt zich bovendien op het standpunt dat de bevoegdheid tot het executeren van de wettelijke rente is verjaard.

3.21

Het hof overweegt als volgt.

Tealinez vordert contractuele rente van 0,96% per maand over de hoofdsom. Een rente van 0.96% per maand, over de lange periode waar het in deze zaak om gaat, is naar het oordeel van het hof – zeker nu het algemene renteniveau zich al jaren op een historisch laag niveau bevindt – onaanvaardbaar hoog. Het gevolg hiervan is dat de (contractuele) rentevordering een veelvoud betreft van de hoofdvordering. Onder de gegeven omstandigheden (waarin sprake is van schending van de zorgplicht door Dexia en moet worden uitgegaan van onbekendheid van [geïntimeerde] met de veroordeling, waardoor hij de schade niet heeft kunnen beperken) is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, dat Tealinez aanspraak maakt contractuele rente, voor zover deze meer bedraagt dan de wettelijke rente.

3.22

Bij gebreke van voldoende onderbouwde stellingen die – indien bewezen – tot een ander oordeel zouden leiden, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

3.23

De slotsom is dat het vonnis in verzet niet in stand kan blijven voor zover daarbij de vordering van Tealinez geheel is afgewezen. De vordering zal alsnog worden toegewezen tot een bedrag van € 11.112,66, vermeerderd met de contractuele rente voor zover deze niet hoger is dan de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW ingaande 19 augustus 2002 tot aan de datum van voldoening.

3.24

De door Tealinez gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen. Tealinez heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat door haar daadwerkelijk kosten zijn gemaakt die meer behelzen dan voorbereiding van de procedure en instructie van de zaak en (dus) voor vergoeding in aanmerking komen.

3.25

Nu beide partijen aldus op punten in het (on)gelijk zijn gesteld, past bij deze uitkomst dat zowel de kosten van in eerste aanleg als die van het hoger beroep worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. Dit betekent dat het vonnis in verzet ook ten aanzien van de proceskostenveroordeling dient te worden vernietigd.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis in verzet van de rechtbank Rotterdam van 9 januari 2019, voor zover daarbij de vordering van Tealinez geheel is afgewezen en ten aanzien van de proceskosten (te weten de onderdelen 5.2 t/m 5.4),

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van Tealinez van een bedrag van € 11.112,66, vermeerderd met de contractuele rente voor zover deze niet hoger is dan de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW ingaande 19 augustus 2002 tot aan de datum van voldoening;

- compenseert de proceskosten van zowel de procedure in eerste aanleg als van het hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

- bekrachtigt het vonnis voor het overige (t.a.v. onderdeel 5.1);

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, F.R. Salomons en J.W. Frieling en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. F.R. Salomons, rolraadsheer, op 29 september 2020 in aanwezigheid van de griffier.