Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1678

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
21-04-2021
Zaaknummer
BK-20/00338
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:2, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:1059, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 2.17, lid 3, Wet IB 2001; Belanghebbende en zijn ex-partner hebben geen onderlinge verhouding gekozen voor de verdeling van het saldo van de inkomsten en aftrekposten eigen woning; fiscale partners; hypotheekrente; huwelijkse schulden; onderhoudsverplichtingen; partneralimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-04-2021
FutD 2021-1329
NTFR 2021/1429
NLF 2021/0891 met annotatie van
VFP 2021/63
Vp-bulletin 2021/42 met annotatie van S.G.M.J. Rebbens, J.M.P. Tobben
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-20/00338

Uitspraak van 17 september 2020

in het geding tussen:

[X] , te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 16 januari 2020, nr. SGR 19/5516.

Overwegingen

1. De Rechtbank - een griffierecht van € 47 is geheven - heeft het beroep van belanghebbende tegen de gezamenlijk uitspraak op bezwaar, inhoudende het handhaven van de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en de premies volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2016 met bij beschikking berekende belastingrente, ongegrond verklaard.

2. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 131 is geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

3. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 10 september 2020. Partijen zijn verschenen.

4.1.

Belanghebbende is van 4 juni 2004 tot 1 december 2017 gehuwd met mevrouw [A] . In oktober 2013 heeft de ex-partner de echtelijke woning verlaten. Vanaf 2 december 2013 is zij niet meer op het adres van de echtelijke woning ingeschreven. Belanghebbende is in de echtelijke woning blijven wonen. Een echtscheidingsconvenant is opgesteld ter gelegenheid van het op 1 december 2017 ontbonden huwelijk. Bij het convenant is de echtelijke woning toegewezen aan de ex-partner onder het beding dat belanghebbende tot 1 oktober 2018, het moment dat hij een huurwoning betrekt, in de echtelijke woning woont en ook alle lasten draagt.

4.2.

In 2016 is geen rechterlijke uitspraak of echtscheidingsconvenant van kracht. Bij het in punt 4.1 vermelde echtscheidingsconvenant zijn geen afspraken over 2016 gemaakt.

4.3.

Belanghebbende en zijn ex-partner hebben over het jaar 2016 afzonderlijk aangifte IB/PVV gedaan. Belanghebbende heeft in zijn aangifte de helft van het eigenwoningforfait, zijnde € 611, en het volledige bedrag aan hypotheekrente, zijnde € 7.585, in aanmerking genomen en € 7.764 als alimentatie opgenomen. De ex-partner heeft in haar aangifte IB/PVV 45 percent van de helft van het eigenwoningforfait, zijnde € 277 en 45 percent van de hypotheekrente, zijnde € 3.402, in aanmerking genomen.

4.4.

De Inspecteur heeft - na een conform de door belanghebbende ingediende aangifte opgelegde voorlopige aanslag IB/PVV 2016 - ter gelegenheid van het vaststellen van de aanslag het negatieve saldo van de inkomsten en aftrekposten eigen woning gecorrigeerd naar € 3.894 en de aftrekpost partneralimentatie volledig gecorrigeerd.

5. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

Geschil

4. In geschil is of de correctie van het saldo van de inkomsten en aftrekposten eigen woning terecht is aangebracht. Verder is in geschil is of [de Inspecteur] terecht de door [belanghebbende] in aanmerking genomen partneralimentatie niet in aftrek heeft toegelaten.

5. [ Belanghebbende] stelt dat hij recht heeft op 100 procent van het negatieve saldo van de inkomsten en aftrekposten eigen woning aangezien hij ook de volledige rente heeft betaald. Voorts stelt [belanghebbende] dat hij ook het aandeel van zijn ex in de huwelijkse schulden heeft voldaan, deze bedragen moeten volgens hem worden aangemerkt als aftrekbare partneralimentatie.

6. [ De Inspecteur] heeft de stellingen van [belanghebbende] gemotiveerd weersproken.

Beoordeling van het geschil

Verdeling saldo inkomsten en aftrekposten eigen woning

7. Artikel 2.17 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

‘(…)

2 Gemeenschappelijke inkomensbestanddelen, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, en de op grond van artikel 9.2 als voorheffing in aanmerking te nemen geheven dividendbelasting, van de belastingplichtige en zijn partner worden geacht bij hen op te komen, tot hun bezit te behoren onderscheidenlijk als voorheffing in aanmerking te worden genomen, in de onderlinge verhouding die zij daarvoor ieder jaar bij het doen van aangifte kiezen. De korting voor groene beleggingen, bedoeld in artikel 8.19, van de belastingplichtige en zijn partner wordt geacht bij hen op te komen in de verhouding die op grond van dit artikel wordt toegepast voor de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen. Indien de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen van de belastingplichtige en zijn partner nihil bedraagt, wordt de korting in aanmerking genomen bij degene met het hoogste verzamelinkomen. Indien het verzamelinkomen van de belastingplichtige en het verzamelinkomen van zijn partner aan elkaar gelijk zijn en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen van de belastingplichtige en zijn partner nihil bedraagt, wordt de korting in aanmerking genomen bij degene met de hoogste leeftijd.

3 Een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft op te komen, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen wordt geacht bij de belastingplichtige en zijn partner voor de helft tot hun bezit te behoren en de geheven dividendbelasting wordt geacht bij ieder voor de helft te zijn geheven voor zover zij daarvoor geen onderlinge verhouding hebben gekozen.

4 De voor een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel, voor de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen of voor de geheven dividendbelasting tot stand gekomen onderlinge verhouding kan door de belastingplichtige en zijn partner gezamenlijk worden gewijzigd tot het moment waarop de aanslag, navorderingsaanslag, conserverende aanslag of conserverende navorderingsaanslag van de belastingplichtige en zijn partner, onherroepelijk vaststaan. In afwijking van de eerste volzin kunnen de belastingplichtige en zijn partner de tot stand gekomen onderlinge verhouding nog wijzigen tot zes weken na een uitspraak van de Hoge Raad ingeval een in de eerste volzin bedoelde aanslag vanwege die uitspraak onherroepelijk komt vast te staan.

5 Indien de belastingplichtige gedurende het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft, zijn gemeenschappelijke inkomensbestanddelen:

a. belastbare inkomsten uit eigen woning;

(…)’

8. Niet in geschil is dat [belanghebbende] en zijn ex-partner in 2016 kwalificeren als fiscaal partners. [Belanghebbende] en zijn ex-partner hebben in hun aangiften geen onderlinge verhouding gekozen voor de verdeling van de belastbare inkomsten uit eigen woning, maar hebben het saldo van de inkomsten en aftrekposten eigen woning voor respectievelijk 100 en 45 procent aangegeven. Het saldo kan in totaal echter nooit voor meer dan 100 procent in aanmerking worden genomen.

9. Aangezien er geen verdeling van de belastbare inkomsten uit eigen woning heeft plaatsgevonden, dienen op grond van artikel 2.17, derde lid, van de Wet IB 2001 in dat geval de belastbare inkomsten uit eigen woning bij elk van de fiscale partners voor de helft in aanmerking te worden genomen. Anders dan [belanghebbende] betoogt is niet relevant wie de hypotheekrente heeft betaald voor het bepalen van de hoogte van de aftrek. Nu van een gezamenlijk verzoek van de fiscale partners geen sprake is, is op grond van artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001 een andere verdeling van de belastbare inkomsten uit eigen woning niet mogelijk.

10. Dat [belanghebbende] de wetgeving onrechtvaardig vindt, kan niet tot een ander oordeel leiden. Het staat de rechter niet vrij af te wijken van de wet en de rechter mag niet de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen (artikel 11 van de Wet algemene bepalingen).

Onderhoudsverplichtingen

11. Uit artikel 6.1, eerste en tweede lid, Wet IB 2001 volgt dat de persoonsgebonden aftrek onder andere bestaat uit uitgaven voor onderhoudsverplichtingen. Deze zijn omschreven in artikel 6.3, eerste lid, van de Wet IB 2001, welke bepaling voor zover hier van belang als volgt luidt:

‘1. Onderhoudsverplichtingen zijn:

a. periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij deze worden gedaan aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn;

(…)

f. in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen die berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud.’

12. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich dat [belanghebbende] de feiten en omstandigheden aannemelijk maakt waaruit volgt dat de door hem gedane betalingen kunnen worden aangemerkt als aan zijn ex-partner gedane betalingen in het kader van onderhoudsverplichtingen als bedoeld in artikel 6.3 Wet IB 2001. Met hetgeen door [belanghebbende] is verklaard en overgelegd is hij hierin niet geslaagd. [Belanghebbende] heeft in zijn beroepschrift gesteld dat hij de hypotheeklasten van de voormalige echtelijke woning geheel voor zijn rekening heeft genomen. De afspraak waaruit volgt dat [belanghebbende] verplicht is om aan zijn ex-partner partneralimentatie te betalen is niet schriftelijk vastgelegd of op een andere wijze onderbouwd. Evenmin heeft [belanghebbende] aannemelijk gemaakt dat de door hem in aftrek gebrachte bedragen waren bedoeld als partneralimentatie. Omdat niet is bewezen dat [belanghebbende] betalingen aan zijn ex-partner heeft verricht ingevolge een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, komen de door [belanghebbende] bedoelde betalingen niet voor aftrek in aanmerking.

Belastingrente

13. [ Belanghebbende] heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de berekening van de belastingrente en ook overigens is niet gebleken dat deze is berekend in strijd met de wettelijke bepalingen.

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)"

6. In geschil is, net als bij de Rechtbank, of de Inspecteur het door belanghebbende aangegeven saldo van inkomsten en aftrekposten met betrekking tot de eigen woning en de aftrek partneralimentatie terecht heeft gecorrigeerd. Op de zitting is komen vast te staan dat belanghebbende de berekening van de ingevolge de correcties verschuldigde belasting niet langer onjuist acht. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

7. Naar 's Hofs oordeel heeft de Rechtbank aan de hand van het geheel van beschikbare gegevens, in het licht van de aan de orde zijnde regelingen, op goede gronden, begrijpelijk en juist, geoordeeld dat met betrekking tot alle onderdelen van het geschil, ook wat betreft de belastingrente, het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is. Het Hof heeft meegewogen, de overwegingen van de Rechtbank volgend en in aanmerking nemend wat op de zitting over en weer is besproken, 1) dat belanghebbende en zijn ex-partner in 2016 fiscale partners zijn, zij geen onderlinge verhouding hebben gekozen voor de verdeling van het saldo van de inkomsten en aftrekposten eigen woning, zodat de belastbare inkomsten uit eigen woning niet anders dan bij ieder van de fiscale partners voor de helft in aanmerking komen, en 2) dat voor de aftrek van partneralimentatie benodigde afspraken ten enenmale ontbreken.

8. Het hoger beroep is ongegrond.

9. Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door W.M.G. Visser, J.T. Sanders en U.E. Tromp, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 17 september 2020, met de nodige coronabeperkingen, in het openbaar uitgesproken.

wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door raadsheer Tromp

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kan zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Wanneer die personen geen gebruik willen maken van digitaal procederen, sturen zij het beroepschrift in cassatie aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2. Alleen bij procederen op papier: het cassatieberoepschrift moet ondertekend zijn;

3. Het cassatieberoepschrift moet ten minste vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. De indiener zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.