Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1670

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
200.272.776/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

De man neemt ontslag bij zijn werkgever aangezien de werkzaamheden voor hem te zwaar zijn geworden. Als gevolg hiervan heeft de man een aanzienlijke inkomensdaling. Het hof is van oordeel dat er geen sprake is van verwijtbaar inkomensverlies nu de man heeft aangetoond dat er medische gronden waren op grond waarvan hij de werkzaamheden niet meer kon verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 9 september 2020

Zaaknummer : 200.272.776/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 18-2369

Zaaknummer rechtbank : C/09/550747

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. Erkens te 's-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. B. Beekman te Noordwijk Zuid-Holland.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 22 januari 2020 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 22 oktober 2019 van de rechtbank Den Haag, hierna: de bestreden beschikking.

De vrouw heeft op 5 maart 2020 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 11 juni 2020 per e-mail een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de vrouw:

- op 19 maart 2020 een brief van diezelfde datum met als bijlage een V-formulier van eveneens diezelfde datum met bijlage.

De zaak is op 26 juni 2020 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

Na de zitting heeft de advocaat van de vrouw bij brief, gedateerd 29 juni 2020, verzocht om afgifte van een proces-verbaal van de mondelinge behandeling aangezien de vrouw zeer slechthorend is en er geen schrijftolk beschikbaar was zodat de vrouw hetgeen ter zitting is besproken slecht heeft meegekregen.

Het hof heeft bij brief van 10 augustus 2020 het verzochte proces-verbaal naar partijen gezonden.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de tussenbeschikking van de rechtbank Den Haag van 10 september 2018 en naar de bestreden beschikking.

Bij voormelde tussenbeschikking is de door de man te betalen en bij echtscheidingsconvenant overeengekomen partneralimentatie van € 1.214,- per maand, voor het eerst te indexeren in 2016, die in de echtscheidingsbeschikking van 11 juli 2014 is opgenomen, gewijzigd in die zin dat man met ingang van 10 september 2018 een voorlopige partneralimentatie van € 200,- per maand aan de vrouw dient te voldoen. Het in diezelfde procedure door de man gedane verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is bij diezelfde tussenbeschikking afgewezen. De zaak is voorts aangehouden om de man in de gelegenheid te stellen binnen een periode van zes maanden een passende en geschikte functie te vinden. Hieronder wordt verstaan een functie die zoveel mogelijk aansluit bij het niveau en de salariëring van zijn werkzaamheden bij [A. BV] , zonder dat deze nieuwe functie de fysieke en psychische klachten van de man doet verergeren. Indien het de man niet is gelukt een andere baan met hoger salaris te verkrijgen, dient hij dit met voldoende verificatoire bescheiden aan te tonen.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man om verlaging van de partneralimentatie afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank in haar beschikking van 10 september 2018 vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw.

2. De man verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het hof begrijpt: met wijziging in zoverre van de echtscheidingsbeschikking van 11 juli 2014 en het daarin opgenomen echtscheidingsconvenant, de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw op nihil te stellen of een ander bedrag in goede justitie.

3. De vrouw verweert zich daartegen en verzoekt het hof de door de man ingediende grieven te verwerpen en te bepalen dat de bestreden beschikking in stand dient te blijven, eventueel met verbetering van gronden. Kosten rechtens.

Behoefte van de vrouw

4. De behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man in haar levensonderhoud is tussen partijen niet in geschil.

Verwijtbaar inkomensverlies bij de man?

5. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat sprake is van door de man zelf teweeggebracht inkomensverlies dat voor herstel vatbaar is en dat dit van hem gevergd kan worden. Aldus is geen sprake van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden en is de rechtbank niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de draagkracht van de man.

6. De man is het daar niet mee eens en voert het volgende aan.

  • -

    Het enkele feit dat zijn inkomen lager is dan het inkomen waarop de partneralimentatie is gebaseerd, is reeds een rechtens relevante wijziging van omstandigheden.

  • -

    De man kan niet worden verweten dat hij zijn baan en inkomen is kwijtgeraakt:

  • -

    er was sprake van een werksituatie die niet langer houdbaar en gezond was (te veel uren werken, zware lichamelijke arbeid, stress door tijdsdruk en verkoopverwachtingen, morfine slikken en een verslaving aan dat middel, veroorzaken van ongeval);

  • -

    belastende factoren in de privésituatie (alcoholverslaafde partner met borderline, problemen met dochter die op straat dreigde te komen staan);

  • -

    (bedrijfs)arts en psycholoog concluderen dat de man ongeschikt is voor zijn functie als chauffeur/verkoper van [produkt] in [buitenland] ;

  • -

    de man heeft daarom ontslag genomen. De man kon niet terug naar zijn oude functie en salarisniveau, hij moest wel een andere baan zoeken, ook voor eigen welzijn. Blijven bij zijn werkgever en vanuit de Ziektewet re-integreren was geen optie. Er was binnen het bedrijf van zijn oude werkgever geen passende functie beschikbaar;

  • -

    de man heeft steeds rekening gehouden met de belangen van de vrouw en zijn onderhoudsverplichting jegens haar (hij is blijven doorwerken met zware medicatie, heeft spaargeld aangewend en is een lening aangegaan om partneralimentatie te kunnen betalen en hij werkt ondanks aanhoudende psychische en lichamelijke problemen nog steeds).

 Het inkomensverlies is niet voor herstel vatbaar:

de man had enkel een hoog inkomen omdat hij jarenlang dubbele werkweken heeft gedraaid in strijd met de Arbeidstijdenwet en de CAO;

de man heeft een MAVO-diploma, wordt dit jaar 50 en heeft alleen werkervaring als chauffeur/verkoper van [produkt] . Daarbij hoort een lager salarisniveau;

er worden inspanningen van de man verwacht die onredelijk zijn en zelfs in strijd met de wet;

de man heeft aantoonbaar gezondheidsproblemen, zowel psychisch als fysiek, hetgeen het vinden van een nieuwe baan bemoeilijkt (zijn groot rijbewijs wordt waarschijnlijk niet verlengd);

De man heeft thans een inkomen dat passend is bij zijn opleiding, ervaring en huidige mogelijkheden. In zijn e-mailbericht van 11 juni 2020 stelt de man dat een salaris van circa € 2.300,- tot € 2.400,- per maand een reële weerspiegeling is van zijn huidige verdienvermogen.

7. De vrouw verweert zich daartegen als volgt.

 De man heeft zijn inkomensdaling zelf bewerkstelligd door een onjuiste keuze te maken (ontslag nemen terwijl hij in een re-integratietraject zat en in dienst treden bij een andere werkgever in dezelfde functie voor een veel lager salaris). Ook al zou het hof een relevante wijziging van omstandigheden aannemen, dan nog is er sprake van vermijdbaar, verwijtbaar en voor herstel vatbaar inkomensverlies aan de zijde van de man. De man heeft geen rekening gehouden met de belangen van de vrouw.

  • -

    De vrouw betwist dat de man de uren maakte die hij stelt. Volgens de vrouw werkte de man tijdens het huwelijk als internationaal chauffeur circa zeven dagen achter elkaar en was hij daarna zeven dagen vrij. De man heeft zijn psychische en fysieke problemen onvoldoende onderbouwd.

  • -

    De man heeft te laat en onvoldoende gesolliciteerd. Hij kan gemakkelijk een baan vinden op zijn oude salarisniveau.

8. Het hof acht de door de man overgelegde rapportage van het Expertise Instituut (productie 25) meer dan voldoende om te kunnen vaststellen dat de man zijn vorige beroep van lijnrijder (inkoop [produkt] en vervolgens deze [produkt] vanuit de vrachtwagen verkopen aan diverse bedrijven) niet meer kan uitoefenen. De verzekeringsarts van het Expertise Instituut concludeert dat de man per 1 april 2018 verminderde benutbare mogelijkheden voor het verrichten van arbeid heeft, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek. Deze beperkingen zijn nog steeds van toepassing. De man is zeker blijvend aangewezen op rugsparend werk. De arbeidsdeskundige van het Expertise Instituut concludeert dat het voor de man niet mogelijk is een passende en geschikte functie te vinden die zoveel mogelijk aansluit bij zijn oude salariëring zonder zijn fysieke en psychische klachten te verergeren.

9. Het hof ziet geen enkele aanleiding de betrouwbaarheid van voormeld rapport te betwijfelen. De stelling van de vrouw dat het rapport zou zijn opgesteld zonder een fysieke ontmoeting met de man, is door de man gemotiveerd weersproken. Dat het rapport zou zijn geschreven louter op basis van door de man verstrekte informatie heeft de vrouw in het licht van de gemotiveerde betwisting van de man op geen enkele wijze onderbouwd. De vrouw heeft ter zitting voorts erkend dat de man lange werkdagen maakte.

10. Dat de man onder de gegeven omstandigheden het re-integratietraject niet heeft afgewacht maar naar een andere werkkring is gaan omkijken, acht het hof niet verwijtbaar. Het huidige werk van de man sluit wel aan bij zijn mogelijkheden en het bijbehorende inkomen is naar het oordeel van het hof aanvaardbaar. Het uitzonderlijk hoge inkomen dat de man voordien had, kon hij slechts verdienen zolang hij medisch gezien meer dan honderd procent kon functioneren, hetgeen niet meer het geval is. Naar het oordeel van het hof pleit het voor de man dat hij actief op zoek is gegaan naar een passende mogelijkheid om inkomen te verwerven.

11. Gelet op het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat het inkomensverlies van de man niet voor herstel vatbaar is en ook niet verwijtbaar, zodat bij de berekening van de draagkracht van de man met dit inkomensverlies rekening moet worden gehouden. In zoverre is sprake van een relevante wijziging van omstandigheden.

Ingangsdatum

12. De man heeft ter terechtzitting desgevraagd verklaard dat de ingangsdatum van de gewijzigde partneralimentatie op 3 april 2018 moet worden bepaald, zijnde de datum van het inleidende verzoek tot verlaging van de partneralimentatie. De vrouw heeft ter terechtzitting betoogd dat de ingangsdatum op de datum van de beschikking van het hof moet worden gesteld.

13. Het hof overweegt als volgt. De gewijzigde omstandigheid, namelijk het ontslag van de man bij zijn vorige werkgever, is ingegaan per 1 maart 2018. Nu deze datum dicht gelegen is bij de door de man voorgestane ingangsdatum van 3 april 2018 zal het hof conform het verzoek van de man van die laatstvermelde ingangsdatum uitgaan.

Draagkracht van de man

14. Volgens de man heeft hij geen draagkracht voor partneralimentatie. Als hij de overeengekomen en in de echtscheidingsbeschikking vastgelegde partneralimentatie van
€ 1.332,- per maand (€ 1.214,- geïndexeerd naar 2020) aan de vrouw moet voldoen, raakt hij onder het bestaansminimum.

15. De man stelt in zijn e-mailbericht van 11 juni 2020 dat zijn draagkracht in de periode april 2018 tot februari 2020 nihil is. Hij verwijst voor de desbetreffende draagkrachtberekening naar productie 5 bij het appelschrift (productie 24 in eerste aanleg). De man wenst terugbetaling door de vrouw van de te veel ontvangen partneralimentatie.

16. Voor de periode na 1 februari 2020 heeft de man volgens zijn berekening (productie 27 bij e-mailbericht van 11 juni 2020) draagkracht voor een partneralimentatie van € 419,- per maand.

17. De vrouw heeft voormelde draagkrachtberekeningen van de man slechts weersproken voor zover het de door de man in zijn laatste draagkrachtberekening opgenomen woonlasten betreft. Zij heeft ter terechtzitting vraagtekens gezet bij de omvang van de hypothecaire schuld en lasten. Tevens heeft zij gesteld dat de man deze lasten met zijn nieuwe partner kan delen, zodat met de helft van deze lasten rekening moet worden gehouden.

18. Het hof is van oordeel dat de man met de bij zijn e-mailbericht van 11 juni 2020 overgelegde stukken en de nadere uitleg van zijn advocaat ter terechtzitting zijn hypothecaire schulden en lasten genoegzaam heeft onderbouwd. De nieuwe partner van de man heeft ‘haar deel’ van de woning zelf gefinancierd zodat de hypotheeklasten die de man betaalt enkel zien op zijn eigen aandeel in de woning en met de partner is ook afgesproken dat de man de volledige hypotheeklasten draagt. Het hof acht de door de man opgevoerde en beperkte woonlasten van rond de € 550,- per maand alleszins redelijk en zal deze voor het geheel in aanmerking nemen.

19. Gelet hierop en nu de vrouw de draagkrachtberekeningen van de man voor het overige niet heeft betwist, zal het hof deze draagkrachtberekeningen volgen. Dat brengt mee dat de partneralimentatie over de periode van 3 april 2018 tot 1 februari 2020 op nihil moet worden gesteld en met ingang van 1 februari 2020 op € 419,- per maand.

Terugbetaling

20. Ter terechtzitting heeft de advocaat van de man verklaard dat de man de partneralimentatie heeft betaald vanaf de datum van de bestreden beschikking. De man wenst het bedrag aan partneralimentatie van de tussenbeschikking aan te houden en de door de vrouw dan te veel ontvangen partneralimentatie te verrekenen met de vast te stellen partneralimentatie.

21. Het hof acht het ter terechtzitting gedane verzoek van de man om verrekening van de te veel ontvangen partneralimentatie met toekomstige termijnen in strijd met de eisen van een goede procesorde. De vrouw heeft hiermee - gelet op het petitum van de man - geen rekening kunnen houden. Het hof zal dit verzoek van de man dan ook afwijzen.

22. De vrouw heeft voorts ter terechtzitting onweersproken gesteld dat zij vanwege haar slechthorendheid zelf geen baan heeft en derhalve niet in staat is duizenden euro’s terug te betalen als de ingangsdatum van de gewijzigde partneralimentatie op 3 april 2018 wordt bepaald. De door haar ontvangen partneralimentatie is verbruikt en het is niet redelijk daarvan terugbetaling te verlangen.

23. Het hof volgt de vrouw in haar betoog voor wat de periode van 3 april 2018 tot 1 juli 2020 betreft. Echter, met ingang van 1 juli 2020 had de vrouw naar het oordeel van het hof op grond van de inhoud van het rapport van het Expertise Instituut, dat rond half juni 2020 bij haar advocaat is ingekomen, rekening kunnen en moeten houden met een eventuele terugbetalingsverplichting. Het hof zal overeenkomstig beslissen.

Proceskosten

24. Gelet op de familierechtelijke aard van de onderhavige zaak zal het hof de proceskosten in

eerste aanleg en in hoger beroep tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij de eigen

kosten draagt. Het andersluidende verzoek van de vrouw zal worden afgewezen.

25. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de tussenbeschikking van de rechtbank Den Haag van 10 september 2018 voor zover het de bodemzaak betreft, alsmede vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

bepaalt - met wijziging in zoverre van de echtscheidingsbeschikking van 11 juli 2014 van de rechtbank Den Haag en het daarin opgenomen echtscheidingsconvenant - de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw ten laste van de man, voor de periode van 3 april 2018 tot
1 februari 2020 op nihil en met ingang van 1 februari 2020 op € 419,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de vrouw de over de periode van 3 april 2018 tot 1 juli 2020 te veel ontvangen uitkering tot haar levensonderhoud niet aan de man hoeft terug te betalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. Labohm, A. Zonneveld en W. Burgerhart, bijgestaan door mr. T. de Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 september 2020.