Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1630

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
10-09-2020
Zaaknummer
200.279.862/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:12520, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

“Vader zonder gezag is belanghebbende in zaak betreffende verlenging machtiging uithuisplaatsing kinderen; art. 8 EVRM, art. 798 lid 1 Rv. Tijdigheid van het hoger beroep; art. 806 lid 1, onder b, Rv. Zaaksinstructie; de gecertificeerde instelling dient de vader het volledige procesdossier te verschaffen. De verdere behandeling van de zaak wordt aangehouden.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0227 met annotatie van B. Laterveer
JPF 2020/133 met annotatie van Vlaardingerbroek, P.
JIN 2021/3 met annotatie van Klerk, M.J. de
FJR 2021/24.43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.279.862/01

rekestnummer rechtbank : JE RK 19-2270

zaaknummer rechtbank : C/09/580020

beschikking van de meervoudige kamer van 9 september 2020

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. C.M.C. Laumanns te Amsterdam,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- [naam 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen: de moeder,

- [namen] ,

wonende op een bij het hof bekend adres,

hierna te noemen: de pleegouders.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming regio Haaglanden,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 7 november 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vader is op 17 juni 2020 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 19 augustus 2020 plaatsgevonden, doch uitsluitend voor wat betreft de ontvankelijkheid van de vader in hoger beroep. Verschenen zijn:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- [naam 3] en [naam 4] namens de gecertificeerde instelling;

- de moeder.

De raad en de pleegouders zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

De advocaat van de vader heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

- uit de moeder zijn geboren [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , beiden op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen);

- de minderjarigen zijn erkend door de vader;

- het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt uitgeoefend door de moeder;

- bij beschikking van 8 november 2018 heeft de kinderrechter in de rechtbank Den Haag de minderjarigen onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling met ingang van 8 november 2018 tot 8 november 2019;

- bij beschikking van 11 juli 2019 heeft de kinderrechter in de rechtbank Den Haag machtiging verleend de minderjarigen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 11 juli 2019 tot 8 november 2019;

- de minderjarigen verblijven feitelijk in een pleeggezin.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is de ondertoezichtstelling van de minderjarigen verlengd voor de duur van een jaar, te weten tot 8 november 2020, en is eveneens de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen in een voorziening voor pleegzorg verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling. De bestreden beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.2

De vader is het niet eens met de bestreden beschikking. Namens de vader is ter zitting naar voren gebracht dat het petitum in zijn appelschrift aldus moet worden opgevat dat hij het hof verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, te bepalen dat de vader aangemerkt wordt als belanghebbende in de procedures betreffende de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de minderjarigen, zodat de vader alsnog kan worden gehoord met betrekking tot het verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen, met veroordeling van de gecertificeerde instelling in de kosten van het hoger beroep.

4.3

De gecertificeerde instelling heeft zich ter zitting gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van de ontvankelijkheid van de vader in hoger beroep.

5 De ontvankelijkheid van de vader in hoger beroep

Vader belanghebbende?

Algemeen

5.1

Bij de boordeling van de ontvankelijkheid van de vader in zijn hoger beroep stelt het hof het volgende voorop. Vast staat dat de vader de biologische vader is van de minderjarigen en dat hij de minderjarigen heeft erkend. Ook dragen de minderjarigen de geslachtsnaam van de vader. Verder staat vast dat de vader en de moeder – in ieder geval – vanaf de geboorte van de minderjarigen een knipperlichtrelatie in stand houden. De moeder heeft ter zitting verklaard dat de relatie tussen partijen nog steeds voortduurt, dat zij weliswaar niet bij elkaar wonen maar wel met elkaar zijn verloofd. Ook heeft de moeder ter zitting verklaard dat zij de vader steeds op de hoogte heeft gehouden over de gerechtelijke procedures met betrekking tot de minderjarigen en de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen.

5.2

De vader heeft onweersproken gesteld dat hij family life heeft met de minderjarigen zoals bedoeld in art. 8 EVRM. Dat blijkt ook uit het verhandelde ter zitting. Voor het hof is vast komen te staan dat de vader zich steeds heeft ontfermd over de minderjarigen vanaf hun geboorte. De vader was aanwezig bij de geboorte van de minderjarigen. Hij heeft de minderjarigen verschillende malen bezocht in het ziekenhuis in [plaatsnaam 1] en [plaatsnaam 2] , waar zij na hun vroeggeboorte enige tijd met de moeder hebben moeten verblijven. Maar ook daarna heeft de vader de minderjarigen regelmatig bezocht toen zij met hun moeder in [plaatsnaam 3] woonden. Daarmee is naar het oordeel van het hof vast komen te staan dat er sprake is van family life in de zin van art. 8 EVRM.

5.3

Het hof heeft ter zitting vastgesteld dat de vader emotioneel zeer is begaan met het lot van de minderjarigen. Nadat de minderjarigen op basis van de beschikking van 11 juli 2019 uit huis zijn geplaatst, heeft de vader zelf maar ook via de moeder getracht bij de gecertificeerde instelling een omgangsregeling te bewerkstelligen met de minderjarigen. Ondanks deze pogingen heeft de vader hiervoor geen gehoor kunnen vinden bij de gecertificeerde instelling. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling geen (overtuigende) verklaring kunnen geven voor het uitblijven van het contact met de vader. In januari 2020 is weliswaar een gesprek gevoerd met de vader met het oog op een eventuele contactregeling met de minderjarigen, maar vervolgstappen zijn er door de gecertificeerde instelling niet gezet. De gecertificeerde instelling heeft ter zitting toegezegd op korte termijn alsnog de nodige vervolgstappen te zullen zetten.

Ondertoezichtstelling

5.4

Naar het oordeel van het hof kan de vader in het onderhavige geval niet als belanghebbende worden aangemerkt in het kader van de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen (zie HR 12 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2665). Daarvoor is van belang dat de maatregel van ondertoezichtstelling ingrijpt in de rechtsbetrekking tussen de met het gezag beklede ouder en minderjarigen en aldus rechtstreeks betrekking heeft op de uit het ouderlijk gezag voortvloeiende rechten en verplichtingen met betrekking tot minderjarigen. De rechten en verplichtingen van de niet met het gezag beklede ouder – in dit geval de vader – worden daardoor niet rechtstreeks geraakt in de zin van art. 798 lid 1 Rv.

5.5

Voor zover de vader betoogt dat hij als belanghebbende betrokken wenst te worden in de onderhavige procedure opdat hij een omgangsregeling met de minderjarigen kan bewerkstelligen, overweegt het hof dat de gecertificeerde instelling in de onderhavige procedure geen beslissing met betrekking tot (de wijziging van) een omgangsregeling van de vader heeft verzocht, zodat de vader door de ondertoezichtstelling in zoverre niet rechtstreeks wordt geraakt in een door art. 8 EVRM beschermd recht. De vader zal zijn door art. 8 EVRM gewaarborgde recht op omgang met de minderjarigen zelfstandig kunnen effectueren door op de voet van art. 1:377a lid 2 BW een verzoek aan de rechtbank te doen tot vaststelling van een omgangsregeling (zie HR 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7043 en HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:463).

Uithuisplaatsing

5.6

Naar het oordeel van het hof dient de vader in het onderhavige geval wel als belanghebbende te worden aangemerkt in het kader van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen. Het hof legt dat als volgt uit. Zoals hiervoor uiteengezet, heeft de vader vanaf de geboorte van de minderjarigen tot hun uithuisplaatsing family life gehad met de kinderen zoals bedoeld in art. 8 EVRM. De uithuisplaatsing van de minderjarigen vormt een inbreuk op het family life van de vader, aangezien hij sinds de uithuisplaatsing niet meer betrokken kan zijn bij de verzorging en opvoeding van de minderjarigen, terwijl hij daarvoor die gelegenheid wel had en van deze gelegenheid ook daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt. Volgens de vader zal in de onderhavige procedure alsnog onderzocht moeten worden of een plaatsing van de minderjarigen bij hem dan wel bij een pleeggezin binnen zijn netwerk tot de mogelijkheden behoort.

5.7

Het hof is van oordeel dat de vader aanspraak erop kan maken dat hij in voldoende mate betrokken wordt in het besluitvormingsproces dat heeft geleid tot een inmenging in zijn family life (zie EHRM 6 oktober 2015, zaaknummer 58455/13). Daarbij acht het hof van belang dat de minderjarigen thans in een perspectief biedend pleeggezin verblijven en de raad onderzoek zal doen naar de beëindiging van het gezag van de moeder. Anders gezegd, zal de onderhavige procedure voorlopig de laatste reële mogelijkheid voor de vader zijn om door de rechter te laten toetsen of een plaatsing van de minderjarigen bij hem dan wel bij een pleeggezin binnen zijn netwerk de belangen van de minderjarigen dient.

5.8

Gelet op de omstandigheden van dit geval alsmede de mate van ingrijpendheid van de bestreden beschikking voor het family life van de vader, is het hof van oordeel dat de vader in de onderhavige procedure recht heeft op een rechterlijke toetsing van de inbreuk op zijn family life. De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen heeft rechtstreeks invloed op de wijze waarop de vader invulling kan geven aan zijn gezinsleven met de minderjarigen. Aangezien het recht op family life van de vader zoals bedoeld in art. 8 EVRM behoort tot de rechten die worden beschermd door art. 798 lid 1 Rv, dient de vader als belanghebbende te worden aangemerkt in het kader van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing (zie HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:463).

Tijdigheid van het beroep

5.9

De volgende – ambtshalve – door het hof te beoordelen vraag is, of de vader tijdig in hoger beroep is gekomen van de bestreden beschikking. Voor het hof is genoegzaam vast komen te staan dat de vader, als gevolg van een samenloop van omstandigheden, pas eind april 2020 voor het eerst daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de – bestreden – beschikking van 7 november 2019. Op grond hiervan acht het hof het hoger beroep van de vader tijdig ingesteld (art. 806 lid 1, onder b, Rv).

Verdere gang van zaken

5.10

Het hof ziet geen aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank, omdat geen van de in de rechtspraak daarvoor aanvaarde gronden zich voordoet (zie HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:96 en ECLI:NL:HR:2014:97). De inhoudelijke behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een nader te bepalen zitting van het hof. Aangezien de vader niet beschikt over het volledige procesdossier, zal het hof bepalen dat de gecertificeerde instelling binnen een week na heden een kopie van het volledige procesdossier met betrekking tot de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen aan de vader ter beschikking dient te stellen.

6 De beslissing

Het hof:

- verklaart de vader niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling;

- merkt de vader aan als belanghebbende in het hoger beroep tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing;

- bepaalt dat de gecertificeerde instelling binnen een week na heden een kopie van het volledige procesdossier met betrekking tot de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing aan de vader ter beschikking dient te stellen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. F. Ibili, K.M. Braun en M.J. Vonk, bijgestaan door mr. F. Sereke als griffier, en is op 9 september 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.