Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1628

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
200.275.038/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Europees betalingsbevel. Heroverwegingsprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.275.038 / 01

Rekestnummer rechtbank : C/09/575000 / HA RK 19-384

beschikking van 15 september 2020

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: mr. B.P.J.M.L. Vliexs te Nijmegen,

tegen

de vennootschap naar Belgisch recht Chapoo N.V.,

gevestigd te Lierde, België,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: Chapoo,

advocaat: mr. J.P. van Veenendaal te Den Haag.

Het geding

1.1

Bij beroepschrift met bijlagen, door het hof ontvangen op 3 maart 2020, heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen gewezen beschikking van de rechtbank Den Haag van 5 december 2019. In het beroepschrift zijn drie grieven tegen de bestreden beschikking geformuleerd. Chapoo heeft de grieven bij verweerschrift met producties bestreden. Op 3 juni 2020 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt.

1.2

Tijdens de mondelinge behandeling is afgesproken dat de griffier van het hof bij de rechtbank zal navragen of kan worden vastgesteld of formulier F van de bijlagen bij de hierna nader te bespreken Verordening 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (hierna de Verordening of, afgekort, Vo), is verzonden. Voorts is afgesproken dat [verzoeker] ondertussen de gelegenheid heeft om te reageren op het overzicht van facturen en betalingen dat Chapoo (als productie 6) in de procedure heeft overgelegd.

1.3

Van de rechtbank heeft het hof vervolgens een aantal (scans van) documenten ontvangen, waaronder een Formulier F. Die documenten zijn op 3 juni 2020 door de griffier aan partijen toegezonden. Mr. Van Veenendaal heeft daarop op 3 juni 2020 per e-mail gereageerd. Mr. Vliexs heeft erop gereageerd per e-mail van 30 juni 2020. Op die laatste mail heeft mr. Van Veenendaal op 14 juli 2020 weer gereageerd, waarna een datum voor deze beschikking is bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

2. Het gaat in deze zaak over de afgifte van een Europees betalingsbevel, zoals bedoeld in de Verordening. In deze procedure zijn de volgende feiten van belang:

a. Op 29 november 2018 heeft Chapoo de rechtbank Den Haag verzocht een Europees betalingsbevel af te geven tot een bedrag van € 12.512,59 dat volgens Chapoo door [verzoeker] moest worden voldaan uit hoofde van leveranties die Chapoo aan [verzoeker] heeft gedaan. Volgens de omschrijving heeft de vordering betrekking op “openstaande facturen 2017” en “openstaande facturen 2018”. Bij het verzoek is een overzicht van veertien facturen uit 2017 en 2018 gevoegd, met (kopieën van) de 14 facturen.

Op 20 februari 2019 is door de rechtbank het Europees betalingsbevel afgegeven voor het bedrag van € 12.512,59. Dit bevel vermeldt op p.1:
Gerecht
Rechtbank Den Haag, Team Handel – Algemene zaken
Adres
Postbus 20302
2500EJ Den Haag, Nederland.
en op p.3:
BELANGRIJKE INFORMATIE VOOR DE VERWEERDER
U wordt hierbij het volgende meegedeeld:
a. u kunt hetzij:
I. het in het betalingsbevel vermelde bedrag aan de eiser betalen; of
II. Verweer voeren tegen het bevel door bij het gerecht dat dit bevel heeft uitgevaardigd, binnen de onder b) gestelde termijn een verweerschrift in te dienen:
b. het verweerschrift moet worden toegezonden binnen 30 dagen nadat het bevel aan u is betekend of ter kennis gebracht. (…)

Op 22 februari 2019 is een zending, afkomstig van de rechtbank, door Post NL aangeboden en afgegeven op het woonadres van [verzoeker] . Er is voor ontvangst getekend door een onbekende persoon. Op het (uitgeprinte) Track&Trace formulier staat deze handtekening bij het adres van de Ontvanger, zijnde het adres van [verzoeker] , voor ontvangst, met daaronder in typeletters: “ [naam] ”. De handtekening kan de naam “ [naam] ” omschrijven, maar ook iets anders wat daarop lijkt. Op het Track&Trace formulier staat dat de zending is afgeleverd op 22-02-2019, om 13:59 uur.

Ook op 22 februari 2019 zond [verzoeker] om 14:34 uur een e-mail aan de Belgische deurwaarder, waarin hij schrijft:
“Ik kreeg vandaag een aanmaning van totaal 14 facturen met een totaalbedrag van 12512,59.
De facturen waar Chapoo naar verwijst zijn allemaal ruim voldaan. (…)”

Bij die e-mail zijn als betalingsbewijzen enkele bijlagen gevoegd.

De rechtbank heeft vervolgens op 24 april 2019 de uitvoerbaarverklaring afgegeven, volgens formulier G, een en ander zoals bedoeld in artikel 18 Verordening.

Op 16 mei 2019 is aan [verzoeker] betekend een afschrift van een exploot van betekening en bevel van 7 mei 2019. Met dat laatste exploot is door de Belgische deurwaarder aan de Nederlandse deurwaarder ten behoeve van [verzoeker] de uitvoerbaarverklaring van het betalingsbevel betekend (formulier G) en is hem bevel gedaan tot betaling over te gaan van een bedrag van € 14.103,91.

In een e-mail van 14 oktober 2019 van de griffier van de rechtbank aan de Belgische deurwaarder is onder meer opgenomen: “In reactie op uw onderstaande e-mail kan ik u bevestigen dat bij het toezenden van het Europees Betalingsbevel (Formulier E) aan de verwerende partij, Formulier F (het formulier voor het voeren van verweer tegen een Europees Betalingsbevel) tevens door de rechtbank wordt bijgevoegd.”

3. In eerste aanleg heeft [verzoeker] de rechtbank verzocht:

  • -

    primair [verzoeker] in zijn verweer tegen het betalingsbevel ontvankelijk te verklaren, een einde te maken aan de Europese betalingsbevelprocedure en de zaak te doen overgaan naar een gewone civielrechtelijke procedure;

  • -

    subsidiair het verzoek tot heroverweging van het betalingsbevel toe te wijzen en de nietigheid van het betalingsbevel uit te spreken, alsmede de tenuitvoerlegging op te schorten of te beperken.

4. De rechtbank heeft [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verweer en het verzoek tot heroverweging afgewezen. De rechtbank overwoog dat met het uitvoerbaar verklaren van het Europees betalingsbevel de mogelijkheid tot het indienen van een verweerschrift tegen het bevel is komen te vervallen. [verzoeker] wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn verweer (rov. 2.3).

Het verzoek tot heroverweging gebaseerd op artikel 20 lid 1 van de Verordening is afgewezen omdat de rechtbank heeft aangenomen dat formulier F wel is meegezonden met de zending die blijkens de Track & Trace gegevens op 22 februari 2019 op het adres van [verzoeker] is afgegeven. Nu [verzoeker] niet heeft gesteld dat “ [naam] ” voor hem een onbekende is die geen huisgenoot is en/of niet bij hem in dienst is gaat de rechtbank ervan uit dat het betalingsbevel op de wijze als aangegeven in artikel 14 lid 1 aanhef en onder a van de Verordening correct is betekend. Dat degene die het betalingsbevel op 22 februari 2019 op het adres van [verzoeker] in ontvangst heeft genomen wellicht niet heeft zorggedagen voor spoedige overhandiging aan [verzoeker] , komt geheel voor rekening en risico van [verzoeker] (rov. 2.6). Ten aanzien van het verzoek tot heroverweging gebaseerd op artikel 20 lid 2 van de Verordening oordeelde de rechtbank dat het niet tijdig is ingediend (rov. 2.8).

5. [verzoeker] vordert in hoger beroep de vernietiging van de bestreden beschikking en te bepalen dat dient te worden gekomen tot ongeldig verklaring c.q. heroverweging van het Europees betalingsbevel. De grieven richten zich niet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het (volgens de rechtbank te laat ingediende) verweer, maar komen op verschillende gronden op tegen de afwijzing van het verzoek tot heroverweging op grond van art. 20 Vo. [verzoeker] voert aan dat formulier F hem nimmer heeft bereikt en voorts dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat het Europees betalingsbevel op correcte wijze is uitgereikt. Tot slot voert hij ter heroverweging aan dat hij de facturen waarop het Europees betalingsbevel betrekking had, al had voldaan.

6. Bij beoordeling van de grieven neemt het hof het volgende tot uitgangspunt.

6.1

Op grond van artikel 12 Vo wordt door het gerecht een betalingsbevel uitgevaardigd indien aan de in artikel 8 Vo genoemde voorwaarden is voldaan. Het Europees betalingsbevel wordt uitgevaardigd samen met een afschrift van het verzoekformulier en aan de verweerder wordt onder meer meegedeeld dat hij verweer tegen het bevel kan aantekenen. Uit artikel 16 lid 1 Vo volgt dat de verweerder een verweerschrift kan indienen door het invullen van formulier F én dat dit formulier F aan de verweerder samen met het Europees betalingsbevel wordt verstrekt. Artikel 12 lid 5 Vo bepaalt dat het gerecht er zorg voor draagt dat het betalingsbevel overeenkomstig het nationale recht aan de verweerder betekend of ter kennis gebracht wordt volgens een methode die voldoet aan de in de artikelen 13, 14 en 15 Vo neergelegde minimumvereisten.

6.2

In de artikelen 13-15 Vo is opgenomen met inachtneming van welke minimumnormen het Europees betalingsbevel aan de verweerder kan worden verstrekt. Uit artikel 14 lid 1 onder a Vo volgt dat betekening of kennisgeving zonder bewijs van ontvangst kan plaatsvinden aan de verweerder in persoon op het persoonlijke adres van verweerder, aan een persoon die als huisgenoot van de verweerder dezelfde woonplaats heeft of aldaar in dienst is. In artikel 5 lid 1 van de Uitvoeringswet verordening Europese betalingsbevelprocedure (hierna ook: de Uitvoeringswet) is bepaald dat betekening of kennisgeving van het Europese betalingsbevel kan plaatsvinden door verzending per aangetekende post met bericht van ontvangst.

6.3

Een verweer dient op grond van artikel 16 lid 2 Vo te worden ingediend binnen 30 dagen nadat het betalingsbevel aan de verweerder is betekend of ter kennis gebracht.

6.4

In zijn arrest van 4 september 2014 (ECLI:EU:C:2014:2144) overwoog het Hof van Justitie EU onder meer het volgende:

40. Dienaangaande moet in herinnering worden geroepen dat de verweerder overeenkomstig artikel 16 van verordening nr. 1896/2006 bij het gerecht van oorsprong een verweerschrift tegen het Europees betalingsbevel kan indienen door middel van het standaardformulier F, dat hem samen met het standaardformulier E – waarin het bevel is vervat – wordt verstrekt. Het verweerschrift moet worden toegezonden binnen 30 dagen nadat het bevel is betekend of ter kennis is gebracht.

41. Wanneer het Europees betalingsbevel niet wordt betekend of ter kennis gebracht overeenkomstig de minimumnormen van de artikelen 13 tot en met 15 van verordening nr. 1896/2006, ontvangt de verweerder de in punt 40 van het onderhavige arrest vermelde standaardformulieren niet, en wordt hij dus niet op regelmatige wijze op de hoogte gesteld van het bestaan en de grondslag van het tegen hem uitgevaardigde Europese betalingsbevel. In dat geval is het niet zeker dat de verweerder over alle informatie beschikt die hij nodig heeft om te beslissen of hij verweer moet voeren tegen dat bevel.

42. Een dergelijke situatie is niet verenigbaar met de rechten van de verdediging, zodat de verweerprocedure van de artikelen 16 en 17 van verordening nr. 1896/2006 in omstandigheden als die van het hoofdgeding niet mag worden toegepast.

(…)

49. Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat verordening nr. 1896/2006 aldus moet worden uitgelegd dat de in de artikelen 16 tot en met 20 van deze verordening bedoelde procedures niet van toepassing zijn wanneer blijkt dat een Europees betalingsbevel niet overeenkomstig de minimumnormen van de artikelen 13 tot en met 15 van deze verordening is betekend of ter kennis gebracht. Indien een dergelijke onregelmatigheid pas aan het licht komt nadat het Europese betalingsbevel uitvoerbaar is verklaard, moet de verweerder in staat worden gesteld om op te komen tegen die onregelmatigheid. Wanneer deze onregelmatigheid genoegzaam wordt aangetoond, brengt zij de ongeldigheid van de uitvoerbaarverklaring mee.

6.5

In zijn arrest van 6 september 2018 (ECLI:EU:C:2018:675) heeft het Hof van Justitie EU herhaald dat, wanneer er sprake is van een onregelmatige betekening of kennisgeving, (zodat degene die het stuk heeft ontvangen niet in staat is gesteld de betekenis en reikwijdte van de tegen hem ingestelde vordering te vernemen en effectief en volledig te begrijpen, zodat hij zijn verweer behoorlijk kan voorbereiden en in de lidstaat van herkomst zijn rechten daadwerkelijk kan doen gelden), het Europese betalingsbevel niet op rechtsgeldige wijze uitvoerbaar is geworden en dat daarom de termijn voor indiening van een verweerschrift geen aanvang heeft genomen (rov. 53).

7. [verzoeker] heeft aangevoerd dat de zending van de rechtbank hem op 22 februari 2019 niet heeft bereikt en dat hij niet weet wie er voor ontvangst heeft getekend, maar dat het geen huisgenoot is en dat hij geen personeel heeft. Dat standpunt verwerpt het hof. Hoewel niet kan worden vastgesteld door wie de handtekening voor ontvangst is gezet, heeft [verzoeker] niet voldoende gemotiveerd weersproken dat hij alleen uit het Europees betalingsbevel de naam van de Belgische deurwaarder kon kennen en dat hij alleen daaruit de bijlage bij zijn e-mail van 22 februari 2019 aan diezelfde deurwaarder kon kennen. Nu hij ook overigens geen verklaring heeft kunnen geven voor het feit dat hij juist op 22 februari 2019 aan die deurwaarder een e-mail over de vordering van Chapoo heeft gestuurd, gaat het hof ervan uit dat de zending hem op die dag ter hand is gesteld door de persoon die voor ontvangst heeft getekend. Dit betekent dat de toezending conform het bepaalde in artikel 5 Uitvoeringswet heeft plaatsgevonden en dat [verzoeker] in ieder geval niet in zijn belangen is geschaad indien de zending door een ander in ontvangst is genomen.

8. Het hof kan in deze zaak in het midden laten of Formulier F behoorde tot de zending van 22 februari 2019. [verzoeker] heeft immers niet gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat de mogelijkheid van het indienen van een verweerschrift was vervallen (rov. 2.3). Hij heeft zijn grieven gebaseerd op de mogelijkheid van heroverweging in uitzonderlijke gevallen van artikel 20 Vo. Voor zo’n heroverweging, ziet het hof geen grond. Tussen partijen is immers niet in geschil dat het betalingsbevel zelf tot de door [verzoeker] ontvangen zending behoorde. Op het betalingsbevel is duidelijk opgenomen dat een verweerder die zich niet met de vordering verenigt, binnen 30 dagen een verweerschrift kan indienen bij het gerecht dat het betalingsbevel heeft uitgevaardigd (zie hiervoor onder 2.b). Dat verweerschrift kan door middel van formulier F worden ingediend, maar dat mag ook op andere wijze. Het adres van de rechtbank waar het verweerschrift moet worden ingediend, is op het betalingsbevel opgenomen. Het was voor [verzoeker] dus ook zonder dat hem formulier F is toegezonden duidelijk wat hem te doen stond. De situatie waarin [verzoeker] als degene die het stuk heeft ontvangen niet in staat is gesteld de betekenis en reikwijdte van de tegen hem ingestelde vordering te vernemen en effectief en volledig te begrijpen (vgl. de hierboven aangehaalde jurisprudentie van het HvJEU), deed zich niet voor; er was geen sprake van dat [verzoeker] de vordering niet kon betwisten wegens overmacht of buitengewone omstandigheden buiten zijn schuld (art. 20 lid 1 onder b Vo). Uit het Europees betalingsbevel volgt immers welke vordering Chapoo pretendeerde te hebben en dat en binnen welke termijn [verzoeker] een verweerschrift bij de rechtbank Den Haag kon indienen.

9.1

Het verzoek om heroverweging moet in het licht van het bovenstaande worden afgewezen. De in artikel 20 lid 1 onder a Vo genoemde omstandigheden deed zich evenmin voor aangezien moet worden aangenomen dat het Europees betalingsbevel [verzoeker] tijdig heeft bereikt en de termijn voor het indienen van een verweerschrift dus op reguliere wijze is gaan lopen.

9.2

Uit artikel 20 lid 2 Vo volgt dat na het verstrijken van de termijn voor het indienen van een verweerschrift, heroverweging kan volgen in het geval het Europees betalingsbevel gelet op de voorschriften van de Verordening kennelijk ten onrechte is toegekend of vanwege andere uitzonderlijke omstandigheden. Uit overweging 25 van de considerans bij de Verordening volgt dat deze grond voor heroverweging is bedoeld voor de situatie dat het betalingsbevel is gebaseerd op verkeerde informatie in het aanvraagformulier, zodat bijvoorbeeld een heroverweging tegen een door bedrog verkregen betalingsbevel kan worden verzocht. Tevens kan worden gedacht aan een Europees Betalingsbevel dat op een fictieve claim is uitgevaardigd. Heroverweging als bedoeld in artikel 20 lid 2 Vo strekt evenwel niet tot een inhoudelijke toetsing van de gegrondheid van de vordering; daarvoor stond de mogelijkheid van het indienen van een verweerschrift open. In de considerans (overweging 25) is in dat verband opgenomen dat de verweerder niet nogmaals de gelegenheid krijgt om verweer te voeren en dat de gegrondheid van de vordering niet verder mag worden getoetst dan de gronden die voortvloeien uit de door verweerder genoemde uitzonderlijke omstandigheden. De (on)gegrondheid van de vordering zelf is aldus in beginsel niet een uitzonderlijke omstandigheid.

9.3.

De situatie dat wegens strijd met de voorschriften van de Verordening het Europees betalingsbevel kennelijk ten onrechte is toegekend, doet zich niet voor. Het staat niet vast (‘kennelijk’) dat formulier F ten onrechte niet was bijgevoegd. Bovendien is, zoals hiervoor al is geoordeeld, niet gebleken van enige schending van de rechten van [verzoeker] om zich te verweren tegen de vordering van Chapoo, terwijl evenmin is komen vast te staan dat sprake is van bedrog of een fictieve claim. [verzoeker] kon aan de hand van de stukken die hij op 22 februari 2019 heeft ontvangen bepalen of hij verweer wilde voeren en hij had in dat verband reeds toen alle argumenten die hij nu in het kader van zijn verzoek tot heroverweging aanvoert, naar voren kunnen brengen. In die situatie is er geen ruimte om in het kader van een heroverweging een inhoudelijke toets van de vordering uit te voeren.

9.4

Ook overigens kan niet worden aangenomen dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die een heroverweging rechtvaardigen. Daarbij neemt het hof ten overvloede in aanmerking dat tijdens de mondelinge behandeling de betalingen en de vordering naast elkaar zijn gelegd en dat daaruit niet is gebleken dat [verzoeker] , zoals hij stelt, per saldo, dus tegen de achtergrond van de gehele relatie tussen partijen, factuurbedragen dubbel of ten onrechte heeft voldaan. In de e-mail van 30 juni 2020 van zijn advocaat is gesteld dat bepaalde facturen zijn gecrediteerd, maar die stelling is niet van een onderbouwing voorzien en door Chapoo weersproken. Weliswaar heeft [verzoeker] bij de betaling aangegeven op welke facturen zijn betaling betrekking had, maar nu per saldo niet kan worden vastgesteld dat [verzoeker] te veel heeft betaald, is dat geen reden voor heroverweging.

10. Omdat het Europees Betalingsbevel [verzoeker] op 22 februari 2019 heeft bereikt, onderschrijft het hof overigens het oordeel van de rechtbank in 2.8 van de bestreden beschikking dat [verzoeker] zijn verzoek tot heroverweging niet binnen de termijn gesteld in artikel 9 van de Uitvoeringswet heeft ingediend. Het hoger beroep strandt ook daarop.

11. Tegen de achtergrond van het bovenstaande falen de grieven. Het bewijsaanbod van [verzoeker] wordt gepasseerd, omdat [verzoeker] daarbij geen concrete feiten heeft genoemd die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. [verzoeker] is de overwegend in het ongelijk gestelde partij en moet daarom worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de tussen partijen gewezen beschikking van de rechtbank Den Haag van 5 december 2019,

  • -

    veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Chapoo tot op heden begroot op € 760,- aan verschotten en € 2.148,- aan salaris advocaat;

  • -

    verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.J. van der Helm, G. Dulek-Schermers en R.F. Groos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 september 2020 in aanwezigheid van de griffier.