Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1626

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
08-09-2020
Zaaknummer
200.270.802/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesrecht, vordering ex art. 234 Rv tot alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaring proceskostenveroordeling, belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.270.802/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/576374/ KA ZA 19-621

arrest van 16 juni 2020

inzake

1 Bayer Intellectual Property GmbH,

gevestigd te Monheim, Duitsland,

2. Bayer Animal Health GmbH,

gevestigd te Leverkusen, Duitsland,

appellanten in het principaal appel,

geïntimeerden in het incidenteel appel,

verweersters in het incident,

hierna te noemen: Bayer,

advocaat: mr. F.W. Gerritzen te Amsterdam,

tegen

1 Ceva Santé Animale SA,

gevestigd te Libourne, Frankrijk,

2. Ceva Santé Animale B.V.,

gevestigd te Naaldwijk,

geïntimeerden in het principaal appel,

appellanten in het incidenteel appel,

verzoeksters in het incident,

hierna te noemen: Ceva,

advocaat: mr. S. Dack te Amsterdam.

Het geding

Bij exploot van 26 september 2019 is Bayer in hoger beroep gekomen van een door de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 17 september 2019. Bij memorie van grieven met producties heeft Bayer twaalf grieven aangevoerd. Bij incidentele vordering ex art. 234 Rv tevens memorie van antwoord in appel en memorie van grieven in incidenteel appel met een productie heeft Ceva een incident opgeworpen, de grieven bestreden en tevens incidenteel appel ingesteld en daarbij twee grieven aangevoerd. Bayer heeft daarop een memorie van antwoord in incident ex art. 234 Rv genomen. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest in het incident gevraagd.

Beoordeling van het incident

In eerste aanleg zijn de vorderingen van Bayer afgewezen en heeft de voorzieningenrechter Bayer veroordeeld in de proceskosten van Ceva, op de voet van 1019h Rv begroot op € 208.639,-. Deze veroordeling is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Daarover heeft de voorzieningenrechter als volgt overwogen:

“Deze proceskostenveroordeling zal niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, aangezien Ceva c.s. dit niet heeft gevorderd en de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet zulks op de voet van artikel 258 Rv ambtshalve te bepalen.”

Ceva heeft in het incident verzocht dat de proceskostenveroordeling in eerste aanleg alsnog uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij in eerste aanleg per abuis heeft nagelaten uitvoerbaarheid bij voorraad van de proceskostenveroordeling te vorderen, maar dat zij er belang bij heeft dat deze alsnog uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.

Bayer heeft verweer gevoerd tegen het verzoek en geconcludeerd tot afwijzing.

Het hof overweegt als volgt.

In zijn arrest van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026) heeft de Hoge Raad de maatstaven voor de beoordeling van een incident betreffende de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een in vorige instantie gegeven beslissing verder uitgewerkt. In dat verband overwoog de Hoge Raad, voor zover hier van belang, onder meer:

“5.4.2 Zoals volgt uit de hiervoor in 5.3.5 en 5.3.6 vermelde uitspraken, dient bij een incidentele beslissing tot de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in beginsel een afweging van de relevante belangen van partijen plaats te vinden. Bij de in die uitspraken onder (ii) vermelde belangenafweging is (…) een belangrijk gezichtspunt dat de vorige rechter de vordering of het verzoek waarop de tenuitvoerlegging betrekking heeft, toewijsbaar heeft geoordeeld, en dat moet worden voorkomen dat het aanwenden van rechtsmiddelen wordt gebezigd als middel om uitstel van executie te verkrijgen. Dit betekent dat tot uitgangspunt dient dat een veroordeling hangende een hogere voorziening uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.

5.4.3 Aan het hiervoor in 5.3.6 weergegeven stelsel ligt onder meer de gedachte ten grondslag dat, in het geval de rechter in de uitspraak waarvan beroep geen, dan wel een niet gemotiveerde, beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarheid bij voorraad, moet worden aangenomen dat nog geen afweging van de belangen van partijen heeft plaatsgevonden aan de hand van de daarvoor van belang zijnde feiten en omstandigheden. De rechter in de hogere instantie moet in de hier bedoelde incidenten deze afweging daarom alsnog maken. (…)”.

Uit deze overwegingen van de Hoge Raad volgt dat tot uitgangspunt dient dat een veroordeling hangende een hogere voorziening uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Daarmee is het belang van Ceva bij haar vordering gegeven. Het verweer van Bayer, dat Ceva haar vordering niet voldoende heeft onderbouwd en bij toewijzing daarvan geen belang zou hebben, dient daarom te worden verworpen.

Uit hetgeen de voorzieningenrechter heeft overwogen moet worden afgeleid dat er geen belangenafweging ten grondslag heeft gelegen aan de overweging dat er voor ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaring geen aanleiding werd gezien. Dat geldt temeer nu uitvoerbaar bij voorraad verklaring door Ceva niet was gevorderd en er door Bayer blijkens de overgelegde stukken in eerste aanleg ook geen verweer is gevoerd tegen (ambtshalve) uitvoerbaar bij voorraad verklaring, zodat ook niet is in te zien waarop die belangenafweging dan had kunnen zijn gebaseerd. Dat betekent dat het hof deze belangenafweging alsnog moet maken.

Bayer stelt dat haar belang bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van Ceva bij de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de proceskosten. Zij voert daartoe aan dat er een restitutierisico voor Bayer bestaat omdat uit de media is gebleken dat het coronavirus zeer ingrijpende gevolgen heeft voor de economie en dat de financiële situatie van veel bedrijven ernstig verslechtert. Ook bedrijven in de ‘animal health sector’ zullen de gevolgen daarvan ondervinden. Ceva zal daarbij harder worden getroffen dan Bayer, omdat Ceva zich meer op boerderijdieren dan op huisdieren richt, terwijl dat bij Bayer juist andersom is. De markt voor huisdieren wordt een stuk minder hard geraakt door de gevolgen van het coronavirus dan de markt voor boerderijdieren. Verder zal Ceva's financiële toestand verder verslechteren vanwege het feit dat Bayer in veel Europese landen reeds een verbod heeft gevraagd en ook heeft gekregen om Forceris te lanceren.

Naar het oordeel van het hof is hetgeen Bayer heeft aangevoerd onvoldoende om een reëel restitutierisico aan te kunnen nemen. Dat de Covid-19 uitbraak in zijn algemeenheid economische gevolgen heeft, rechtvaardigt niet de conclusie dat Ceva – net als Bayer een grote internationale onderneming – niet in staat zal zijn aan een eventuele verplichting tot terugbetaling van de proceskosten te voldoen, mocht het bestreden vonnis op het punt van de proceskostenveroordeling niet in stand blijven. Ook de (gevolgen van de) procedures waarin partijen in verschillende landen zijn verwikkeld rechtvaardigen een dergelijke conclusie niet.

Het voorgaande betekent dat er geen aanleiding bestaat af te wijken van het hiervoor genoemde uitgangspunt en dat de vordering van Ceva kan worden toegewezen. Voor zekerheidstelling zoals door Bayer gevorderd bestaat om dezelfde redenen geen aanleiding.

Bayer zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van Ceva. De begroting daarvan zal worden aangehouden tot de beslissing in de hoofdzaak.

Beslissing

Het hof:

in het incident:

- verklaart de veroordeling van Bayer tot vergoeding van de proceskosten van Ceva tot een bedrag van € 208.639,-, uitgesproken in het door de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 17 september 2019, uitvoerbaar bij voorraad;

- veroordeelt Bayer in de proceskosten die op dit incident aan de zijde van Ceva zijn gevallen en houdt de begroting van de proceskosten aan tot de beslissing in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

- verwijst de zaak naar de rol van 28 juli 2020 voor het nemen van een memorie van antwoord in het incidenteel appel aan de zijde van Bayer;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R. Kalden, P.H. Blok en A.W.J. Kamperman Sanders en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2020 in aanwezigheid van de griffier.