Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1591

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
2200055018
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verwerping ontvankelijkheidsverweer bij klachtdelict. Vrijspraak belediging vanwege de omstandigheden waaronder de op zichzelf voor belediging geschikte uitlatingen werden gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-000550-18

Parketnummer: 09-797149-17

Datum uitspraak: 2 september 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 26 januari 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1, het onder 2 – voor zover het tenlastegelegde betrekking heeft op [persoon A] en [persoon C] - en het onder 4 primair en subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2, 3 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1, onder 2 – voor zover het tenlastegelegde betrekking heeft op [persoon A] en [persoon C] -, en onder 4 primair en subsidiair is tenlastegelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van het onder 5 tenlastegelegde.

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen klachten in het dossier aanwezig zijn die een vervolging van de verdachte rechtvaardigen, nu de ingediende klachten niet het verzoek bevatten om de verdachte wegens belediging te vervolgen.

Het hof overweegt dat een klacht bestaat uit een aangifte met een verzoek tot vervolging. Een aangifte is een kennisgeving van enig strafbaar feit van het begaan waarvan de aangever kennis draagt. Deze kennisgeving behoeft niet nader te worden gespecificeerd met de aan een delictsomschrijving te ontlenen kwalificatie die aan die feiten, mits bewezen, zou toekomen. Dat aldus in de blijkens het onderzoek ter terechtzitting ingediende klachten niet de kwalificatie “belediging” wordt genoemd, staat dan ook niet in de weg aan een vervolging van de verdachte terzake van dit klachtdelict.

In alle drie de klachten wordt om vervolging gevraagd van de mogelijke daders. De wet eist niet dat er namen van specifieke daders worden genoemd. Dat de naam van de verdachte niet in de klachten wordt genoemd staat daarom evenmin in de weg aan een vervolging van de verdachte terzake van dit klachtdelict.

Het door de raadsvrouw gevoerde verweer wordt aldus verworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – voor zover thans nog aan de orde tenlastegelegd dat:


2.
hij in of omstreeks de periode van 01 december 2015 tot en met 01 december 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (meermalen) (een) perso(o)n(en) (te weten [persoon B]) (tekens) te stompen en/of slaan tegen de armen en/of benen en/of buik, waardoor voornoemde [persoon B] letsel hebben/heeft bekomen en/of pijn hebben/heeft ondervonden;

3.
hij in of omstreeks de periode van 01 december 2015 tot en met 01 december 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (een) perso(o)n(en) (te weten [persoon B] en/of [persoon A]), met een touw (bij de benen) heeft vastgebonden en/of (vervolgens) aan/met dat touw heeft rondgetrokken/gesleept over de grond, waardoor voornoemde [persoon B] en/of [persoon A] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5.
hij in of omstreeks de periode van 01 december 2015 tot en met 01 december 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, opzettelijk [persoon B] en/of [persoon A] en/of [persoon C], in zijn/hun tegenwoordigheid, mondeling bij geschrift, heeft beledigd door hem/hun (meermalen) de woorden toe te voegen: "homo" en/of "mongool" en/of "kutchinees" en/of "kankerlijer", althans (telkens) woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2, het onder 3 voor zover betrekking hebbende op [persoon A] en het onder 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraken

Feiten 2 en 3

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 2 en 3 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsvrouw onder meer aangevoerd dat sprake is van een persoonsverwarring.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ten aanzien van de tenlastegelegde mishandelingen van [persoon B] onder feit 2 en 3 is het hof naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat er bij aangever [persoon B] verwarring heeft bestaan omtrent de identiteit van de pleger van de tenlastegelegde gedragingen, nu niet onaannemelijk is dat hij [persoon N] heeft bedoeld als pleger in plaats van [verdachte], de verdachte. Immers, heeft aangever [persoon B] bij de raadsheer-commissaris verklaard dat [verdachte] blond, oranje achtig haar had en dat [persoon N] blond lang haar had. Op de door de verdediging op 17 augustus 2020, ter terechtzitting in hoger beroep aan het hof toegekomen foto’s is te zien dat [persoon N] – anders dan de verdachte - oranje achtig haar heeft. Niet is gebleken dat er nader onderzoek heeft plaatsgevonden ter verificatie van de door de aangever bedoelde persoon. Naar het oordeel van het hof is aldus niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 en 3 ten aanzien van [persoon B] is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het tenlastegelegde onder 3 betreffende [persoon A] stelt het hof naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting vast, dat aangever [persoon A] bij de politie heeft verklaard dat hij door [persoon N] werd vastgepakt, dat [medeverdachte] vervolgens een touw aan zijn enkels heeft vastgemaakt en hem vervolgens om zijn enkels door de zaal heeft gesleept. Dat [persoon A] anders dan bij de politie, ten overstaan van de raadsheer-commissaris verklaard dat dit werd gedaan door [medeverdachte] én [verdachte], doet aan zijn eerste verklaring naar het oordeel van het hof niets af, nu de verklaring bij de raadsheer-commissaris ruim twee jaar na zijn eerste verklaring is afgelegd. Naar het oordeel van het hof is aldus niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 ten aanzien van aangever [persoon A] is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Feit 5

Het hof is van oordeel dat geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte het in de tenlastelegging genoemde woord “kankerlijer” heeft gebezigd of een van de in de tenlastelegging genoemde woorden jegens [persoon C] heeft geuit.

Het hof stelt vast dat aangever [persoon B] heeft verklaard dat de verdachte hem “homo” en “mongool” heeft genoemd en dat de aangever [persoon A] heeft verklaard dat de verdachte hem “kutchinees” heeft genoemd.

Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof vast dat zowel [persoon B] als [persoon A] heeft deelgenomen aan gesprekken in een app-groep, waarin veelvuldig het woord ‘homo’ werd gebruikt. Het hof stelt voorts vast dat dit woord in deze app-groep door meerdere gebruikers werd gehanteerd, en dat dit gebeurde op vele momenten en ogenschijnlijk lang niet altijd in reactie op een specifiek bericht of een specifieke opmerking. Daarmee kreeg het gebruik van deze term veeleer de functie van een stopwoord of algemene uiting. Naar het oordeel van het hof ligt het in de rede dat die functie van het woord “homo” dan doorwerkte in de interactie tussen de leden van die app-groep, ook indien die interactie niet via dat medium plaatshad maar in enige vorm van direct persoonlijk contact. Met inachtneming van dit laatste volgt het hof het oordeel van de rechtbank dat de constatering van genoemde functie van het woord “homo”, in combinatie met het gegeven dat de app-groep een eigen dynamiek leek te hebben, waarin alle deelnemers, onder wie ook deelnemende aangevers, zich verbaal stevig uitten, maakt dat de bewijsmiddelen niet de overtuiging opleveren dat het in de tenlastelegging bedoelde gebruik van het woord ’homo’ een beledigend karakter had.

Het hof vat de woorden “mongool” en “kutchinees” in deze specifieke context op als woorden die zich lenen voor soortgelijk gebruik binnen de vorenbedoelde groep personen als het woord “homo”. [Persoon A] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat het gebruik van dergelijke woorden soms wel als “geinen” werd bedoeld en dat hij daar soms ook aan meedeed. Dit brengt mee dat het hof ook ten aanzien van deze woorden niet de overtuiging heeft bekomen dat deze binnen de context van de betreffende groep een beledigend karakter hadden.

In het licht van het voorgaande acht het hof niet bewezen dat de verdachte het opzet heeft gehad, al dan niet in voorwaardelijke zin, om met het uiten van deze woorden de betreffende aangevers te beledigen.

Naar het oordeel van het hof is aldus niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 5 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1, het onder 2 – voor zover het tenlastegelegde betrekking heeft op [persoon A] en [persoon C] -, en onder 4 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 en 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius, mr. O.E.M. Leinarts en mr. M.A.J. van de Kar, in bijzijn van de griffier mr. M. Rouw.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 september 2020.

Mr. O.E.M. Leinarts en mr. M.A.J. van de Kar zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.