Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1590

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
2200062918
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak belediging vanwege de omstandigheden waaronder de op zichzelf voor belediging geschikte uitlatingen werden gedaan.

Veroordeling wegens mishandeling bij freeruntraining.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/325
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-000629-18

Parketnummer: 09-797147-17

Datum uitspraak: 2 september 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 26 januari 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 5 primair en subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2, 3, 4 en 6 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 5 primair en subsidiair is tenlastegelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – voor zover thans nog aan de orde - tenlastegelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 01 december 2015 tot en met 01 december 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, [persoon A] heeft mishandeld door een in werking gesteld(e) taser/stroomstootwapen althans een op een stroomstootwapen gelijkend voorwerp tegen de hand en/of pols van die [persoon A] te houden/drukken;

2.
hij in of omstreeks de periode van 01 december 2015 tot en met 01 december 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (meermalen) een persoon (te weten [persoon B]) (telkens) tegen de grond gedrukt heeft gehouden (door met zijn, verdachtes, knie tegen de borst van die [persoon B] te duwen), waardoor voornoemde [persoon B] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.
hij in of omstreeks de periode van 01 december 2015 tot en met 01 december 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (meermalen) (een) perso(o)n(en) (te weten [persoon B] en/of [persoon A] en/of [persoon C]) (tekens) te stompen en/of slaan tegen de armen en/of benen en/of buik, waardoor voornoemde [persoon B] en/of [persoon A] en/of [persoon C] letsel hebben/heeft bekomen en/of pijn hebben/heeft ondervonden;

4.
hij in of omstreeks de periode van 01 december 2015 tot en met 01 december 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (een) perso(o)n(en) (te weten [persoon B] en/of [persoon A]), met een touw (bij de benen) heeft vastgebonden en/of (vervolgens) aan/met dat touw heeft rondgetrokken/gesleept over de grond, waardoor voornoemde [persoon B] en/of [persoon A] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

6.
hij in of omstreeks de periode van 01 december 2015 tot en met 01 december 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, opzettelijk [persoon B] en/of [persoon A] en/of [persoon C], in zijn/hun tegenwoordigheid, mondeling bij geschrift, heeft beledigd door hem/hun (meermalen) de woorden toe te voegen: "homo" en/of "mongool" en/of "kutchinees" en/of "kankerlijer", althans (telkens) woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4 (voor zover het tenlastegelegde betrekking heeft op [persoon A]) en 6 zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Feit 6

Het hof is van oordeel dat geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte het in de tenlastelegging genoemde woord “kutchinees” heeft gebezigd of een van de in de tenlastelegging genoemde woorden jegens aangever [persoon C] heeft geuit.

Het hof stelt vast dat aangever [persoon A] heeft verklaard dat de verdachte hem “homo” en “kankerlijer” heeft genoemd en dat aangever [persoon B] heeft verklaard dat de verdachte hem “homo” en “mongool” heeft genoemd.

Het hof stelt voorop dat deze woorden, alle in beginsel geschikt zijn om een persoon te beledigen. Of ook in dit geval de woorden een beledigend karakter hadden en de verdachte het opzet heeft gehad om daarmee [persoon B] en [persoon A] te beledigen, zal het hof beoordelen aan de hand van de omstandigheden van het geval.

Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof vast dat zowel [persoon B] als [persoon A] heeft deelgenomen aan gesprekken in een app-groep, waarin veelvuldig het woord ‘homo’ werd gebruikt. Het hof stelt voorts vast dat dit woord in deze app-groep door meerdere gebruikers werd gehanteerd, en dat dit gebeurde op vele momenten en ogenschijnlijk lang niet altijd in reactie op een specifiek bericht of een specifieke opmerking. Daarmee kreeg het gebruik van deze term veeleer de functie van een stopwoord of algemene uiting. Naar het oordeel van het hof ligt het in de rede dat die functie van het woord “homo” dan doorwerkte in de interactie tussen de leden van die app-groep, ook indien die interactie niet via dat medium plaatshad maar in enige vorm van direct persoonlijk contact. Met inachtneming van dit laatste volgt het hof het oordeel van de rechtbank dat de constatering van genoemde functie van het woord “homo”, in combinatie met het gegeven dat de app-groep een eigen dynamiek leek te hebben, waarin alle deelnemers, onder wie ook deelnemende aangevers, zich verbaal stevig uitten, maakt dat de bewijsmiddelen niet de overtuiging opleveren dat het in de tenlastelegging bedoelde gebruik van het woord ’homo’ een beledigend karakter had.

Het hof vat de woorden “mongool” en “kankerlijer” in deze specifieke context op als woorden die zich lenen voor soortgelijk gebruik binnen de vorenbedoelde groep personen als het woord “homo”. Aangever [persoon A] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat het gebruik van dergelijke woorden soms wel als “geinen” werd bedoeld en dat hij daar soms ook aan meedeed. Dit brengt mee dat het hof ook ten aanzien van deze woorden niet de overtuiging heeft bekomen dat deze binnen de context van de betreffende groep een beledigend karakter hadden.

In het licht van het voorgaande acht het hof niet bewezen dat de verdachte het opzet heeft gehad, al dan niet in voorwaardelijke zin, om met het uiten van deze woorden de betreffende aangevers te beledigen.

Naar het oordeel van het hof is aldus niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 6 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Nadere bewijsoverweging

Feiten 2 en 3

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 2 en onder 3 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het (voorwaardelijk) opzet op de mishandeling ontbreekt, nu bepaalde handelingen als oefening hoorden bij de free run training om blessures te voorkomen dan wel dat de verdachte bepaalde handelingen heeft bedoeld als stoeien of dollen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Niet aannemelijk is geworden dat het herhaaldelijk tegen de grond gedrukt houden van een persoon door op pijnlijke wijze met een knie op diens borst te drukken (feit 2) redelijkerwijs kan worden aangemerkt als een bij een free run training behorende handeling. Evenmin is aannemelijk geworden dat dit handelen heeft plaatsgevonden in het kader van stoeien of dollen, zoals de verdediging heeft aangevoerd. Bij dit laatste weegt mee dat niet is gebleken dat dergelijke handelingen over en weer plaatsvonden.

Hetzelfde geldt voor het meermalen stompen en slaan tegen armen, benen en buik voor zover dat met zodanige kracht geschiedde dat dit, zoals uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt, aanhoudende pijn en/of letsel (in de vorm van blauwe plekken en/of zwellingen) tot gevolg had.

Al deze handelingen zijn van zodanige aard dat – ook in de betreffende context - het opzet van de verdachte op de mishandeling telkens uit de feitelijke handelingen kan worden afgeleid.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Feit 4

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnota – op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 4 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat er geen sprake is geweest van pijn of letsel.

Het hof verwerpt dit verweer. Ook het teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam kan een mishandeling opleveren (HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2667). Uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof de overtuiging bekomen dat daarvan in het onderhavige geval sprake is geweest, zowel bij aangever [persoon B] als bij aangever [persoon A]. Aldus kan het onder 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 01 december 2015 tot en met 01 december 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, [persoon A] heeft mishandeld door een in werking gesteld(e) taser/stroomstootwapen althans een op een stroomstootwapen gelijkend voorwerp tegen de hand en/of pols van die [persoon A] te houden/drukken;

2.
hij in of omstreeks de periode van 01 december 2015 tot en met 01 december 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (meermalen) een persoon (te weten [persoon B]) (telkens) tegen de grond gedrukt heeft gehouden (door met zijn, verdachtes, knie tegen op de borst van die [persoon B] te duwen), waardoor voornoemde [persoon B] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.
hij in of omstreeks de periode van 01 december 2015 tot en met 01 december 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, opzettelijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (meermalen) (een) perso(o)n(en) (te weten [persoon B] en/of alleen, meermalen personen te weten [persoon A] en/of [persoon C]) (telkens) te heeft gestompten en/of geslaangen tegen de armen en/of benen en/of buik, waardoor voornoemde [persoon B] en/of [persoon A] en/of [persoon C] letsel hebben/heeft bekomen en/of pijn hebben/heeft ondervonden;

4.
hij in of omstreeks de periode van 01 december 2015 tot en met 01 december 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (een) perso(o)n(en) (te weten [persoon B] en/of [persoon A]), met een touw (bij de benen) heeft vastgebonden en/of (vervolgens) aan/met dat touw heeft rondgetrokken/gesleept over de grond, waardoor voornoemde [persoon B] en/of [persoon A] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

en,

hij in of omstreeks de periode van 01 december 2015 tot en met 01 december 2016 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (een) perso(o)n(en) (te weten [persoon B] en/of [persoon A]), met een touw (bij de benen) heeft vastgebonden en/of (vervolgens) aan/met dat touw heeft rondgetrokken/gesleept over de grond, waardoor voornoemde [persoon B] en/of [persoon A] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van mishandeling, meermalen gepleegd.

en

mishandeling, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van mishandeling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte, een trainer freerunning bij sportclub [vereniging] in Ter Aar, trainde een groep minderjarige jongens in de leeftijd van 12 tot 18 jaar. Tijdens de trainingen had de verdachte de leiding over de groep, waarbij hij soms hulp van docenten of assistenten kreeg. Tijdens de trainingen heeft de verdachte zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan meerdere mishandelingen van in totaal drie minderjarige jongens, in de leeftijd van 13 tot 15 jaar. Door op deze wijze te handelen heeft hij inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en hen pijn en/of letsel toegebracht en/of bij hen een hevige onlust veroorzakende gewaarwording aan het lichaam teweeggebracht. De verdachte heeft misbruik gemaakt van zijn machtspositie die hij als leidinggevende had in een groep jongeren. Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van dergelijke feiten daar nog een lange tijd de psychische gevolgen van kunnen ondervinden.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 augustus 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Voorts heeft het hof acht geslagen op het over de verdachte uitgebrachte Reclasseringsadvies d.d. 26 september 2017. Hieruit volgt dat de verdachte tijdens het gesprek een kinderlijke indruk wekte, waarbij hij de gevolgen van zijn acties niet lijkt te herkennen dan wel te overzien. Het hof gaat ervan uit dat er bij de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van een onrijpe persoonlijkheid. Het hof houdt hiermee – evenals met de jeugdige leeftijd van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde, hij was toen zelf jong, 20/21 jaar oud – in het voordeel van de verdachte rekening bij het opleggen van de straf.

Het hof neemt voorts in aanmerking dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Immers, nu tussen het instellen van het hoger beroep op 9 februari 2018 en de datum van het eindarrest ongeveer twee jaar en zeven maanden is verstreken, is de redelijke termijn van twee jaar met ongeveer zeven maanden overschreden.

De vertraging van de behandeling van de zaak in hoger beroep is onder meer – maar niet alleen - het gevolg van het door de raadsvrouw van de medeverdachte ingediende verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak. Het hof ziet reden om aan de overschrijding van de redelijke termijn gevolgen te verbinden. Het hof zal de overschrijding verdisconteren in de strafmaat in die zin, dat in plaats van de overwogen 70 uur taakstraf, een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, zal worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 5 primair en 5 subsidiair tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 6 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius, mr. O.E.M. Leinarts en mr. M.A.J. van de Kar, in bijzijn van de griffier mr. M. Rouw.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 september 2020.

Mr. O.E.M. Leinarts en mr. M.A.J. van de Kar zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.