Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1576

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
08-09-2020
Zaaknummer
200.243.416/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

aanzuiveren debetstand bankrekening, identiteitsfraude?, geloofwaardigheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2021/6
JONDR 2020/1104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.243.416/01

Zaaknummer rechtbank : 5930038 RL EXPL 17-10299

arrest van 8 september 2020

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. P. van der Veld te Den Haag,

tegen

ABN AMRO Bank N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de bank,

advocaat: mr. E.H.J. Slager te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Het hof heeft in deze zaak eerder arrest gewezen op 11 februari 2020 (het tussenarrest). Voor het verloop van de procedure tot aan die datum verwijst het hof naar dat arrest. In het tussenarrest heeft het hof aanleiding gezien om, alvorens verder te beslissen, [appellant] in de gelegenheid te stellen bij akte te reageren op de inhoud van de memorie van antwoord, omdat de bank bij dat processtuk nieuwe stukken had overgelegd en haar stellingen zowel feitelijk als juridisch nader had uitgewerkt. Het hof heeft voorts bepaald dat aan de bank vooralsnog geen gelegenheid zou worden geboden harerzijds een akte te nemen. Het hof heeft iedere verdere beslissing aangehouden.

Na het tussenarrest heeft [appellant] een akte genomen.

1.2.

Partijen hebben vervolgens arrest gevraagd, waarbij de bank het dossier heeft overgelegd.

2 De verdere beoordeling van het geschil

2..1. Het gaat in deze zaak om een debetstand op de bij de bank aangehouden rekening [nummer 1] (hierna: de rekening [nummer 1] ) op naam van de heer [appellant] h/o Stala Groothandel. Deze rekening is geopend op 14 januari 2011. Op 25 februari 2011 is ten behoeve van deze rekening een “Overeenkomst verpakt storten via stortingsautomaten” gesloten. Hiermee heeft de rekeninghouder de mogelijkheid gekregen om sealbags af te storten. Op 2 mei 2011 is deze overeenkomst omgezet naar “OGV afrekening”, hetgeen inhoudt dat bij aanmelding van een sealbag op basis van de opgegeven inhoud automatisch een bedrag van (sinds februari 2012) maximaal € 5.000 op de rekening wordt bijgeschreven. Pas later wordt de inhoud van de sealbag geteld. De bijschrijving geschiedt in deze constructie onder het voorbehoud dat de door de ondernemer genoemde geldelijke inhoud na controle juist blijkt te zijn

In de periode van 25 maart 2011 tot en met 2 februari 2013 zijn er 39 sealbags gestort, waarbij geen onregelmatigheden zijn aangetroffen. In de periode van 8 februari 2013 tot en met 13 februari 2013 zijn er acht sealbags ingeleverd, waarvan de totale inhoud, volgens de melding, € 58.800 zou zijn. De bank heeft voor vijf sealbags in totaal € 25.000 op de rekening [nummer 1] gestort. Van dit bedrag zijn op of omstreeks 11 februari 2013 bedragen tot een totaal van € 24.980 opgenomen dan wel overgeboekt. Bij telling bleken de sealbags echter leeg, op een bedrag van € 50 na en een briefje (voor zover relevant: “Geachte mevrouw, meneer, Ik wil u informeren dat ik geprobeerd om een lening te vragen. Ik heb dringend minimaal €30.000 nodig. Ik heb deze manier gekozen om een lening te krijgen bij de ABN Amro. Mijn vrouw en kinderen liggen op straat in Egypte ze kunnen de huur niet mee betalen. Op dit moment ben ik ziek ik kan niet werken. Ik heb hart en Lever klachten (Hepatitis C) Voor de opgenomen bedragen wil ik een regeling met jullie treffen. Ik stel voor om € 150 per maand terug te betalen Mvg [appellant] ”). De bank heeft derhalve € 24.930 ten onrechte uitgekeerd. Dit bedrag met de wettelijke rente en de kosten, maar beperkt tot € 25.000 vordert de bank nu terug bij [appellant] .

2.2.

In hoger beroep bestrijdt [appellant] de bekrachtiging door de kantonrechter van het verstekvonnis waarbij [appellant] is veroordeeld tot betaling aan de bank van € 25.000,- met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding en de proceskosten. Daarbij heeft de kantonrechter kort gezegd overwogen dat het verweer van [appellant] ongeloofwaardig is.

2.3.

De grieven I tot en met VI van [appellant] lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Zij komen erop neer dat de kantonrechter het verweer van [appellant] ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht en ook ten onrechte heeft aangenomen dat [appellant] betrokken is geweest bij de onder 2.1. vermelde gebeurtenissen. Hij ontkent ooit bij de bank binnen te zijn geweest, een rekening te hebben geopend of een overeenkomst te hebben gesloten met de bank. Hij betwist dat hij de desbetreffende gelden heeft opgenomen of overgeboekt. Hij ontkent ook dat hij in de periode 8 tot 13 februari 2013 sealbags heeft ingeleverd. [appellant] betwist dat de handtekeningen op de door de bank overgelegde stukken van hem zijn en dat hij het aangetroffen briefje in de desbetreffende sealbag heeft achtergelaten. [appellant] stelt het slachtoffer te zijn van identiteitsfraude na verlies van een tas met hem toebehorende zaken, waaronder zijn identiteitsbewijs ruim voor 2013. Ten onrechte heeft de kantonrechter het verlies van deze tas ongeloofwaardig geacht. Met grief VII en VIII klaagt [appellant] over de bewijslevering.

2.4.

In eerste aanleg heeft de bank haar vordering gebaseerd op onverschuldigde betaling. In hoger beroep heeft de bank de grondslagen van haar vordering uitgebreid. In hoger beroep baseert zij haar vordering primair op de bestaande overeenkomst met betrekking tot de rekening [nummer 1] , nu het debetsaldo op deze rekening niet is geoorloofd en direct opeisbaar is. Subsidiair baseert de bank haar vordering op ongerechtvaardigde verrijking en meer subsidiair op onrechtmatige daad. [appellant] heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze uitbreiding van de grondslagen van de eis en het hof acht deze evenmin in strijd met de goede procesorde. Het hof zal in hoger beroep uitgaan van deze nieuwe grondslagen.

2.5.

Aan haar standpunt dat [appellant] op deze grondslagen jegens haar aansprakelijk is voor het tekort op de rekening [nummer 1] legt de bank in hoger beroep (onder verwijzing naar diverse producties) onder andere de volgende feiten en omstandigheden ten grondslag:

- op 2 maart 2001 is een rekening geopend op naam van [appellant] , met nummer [nummer 2] (hierna: de rekening [nummer 2] );

- de bank beschikt over een kopie van de identiteitskaart van [appellant] , die geldig is van 14 september 2004 tot 14 september 2009 en aan de bank is getoond (“Origineel gezien op”) op 13 juli en 20 juli 2005 (bijlage 1d bij productie 7 van de bank in eerste aanleg, productie 5 in hoger beroep);

- op 1 september 2009 is de bankpas voor de rekening [nummer 2] verzonden naar het huisadres van [appellant] , deze pas is op 3 september 2009 geactiveerd;

- op 5 september 2010 is een rekening geopend op naam van [appellant] , met nummer [nummer 3] (hierna: de rekening [nummer 3] );

- op 5 april 2011 is de bankpas voor deze rekening verzonden naar het huisadres van [appellant] , deze pas is op 18 april 2011 geactiveerd;

- de huisadressen van [appellant] op 1 september 2009 en 5 april 2011 zijn verschillend;- in de registers van de Kamer van koophandel is Stala groothandel ingeschreven als gedreven voor rekening van [appellant] en geregistreerd op het woonadres van [appellant] . Bij de oprichting moet een identiteitsbewijs zijn getoond;

- tussen 13 februari 2011 en 25 augustus 2011 was het postadres dat was opgegeven voor de rekening [nummer 1] het huisadres van [appellant] . Naar dit adres zijn rekeningafschriften gestuurd;

- de bank beschikt over een kopie van het identiteitsbewijs (“iA-Examiner Document Report”) van [appellant] , dat geldig is van 6 mei 2009 tot 6 mei 2014 en dat op 24 augustus 2011 is getoond toen de geldlimiet voor de rekening 689 is verhoogd naar € 4.000 (productie 6 van de bank in hoger beroep). Deze kopie is gemaakt op 24 augustus 2011;

- op 8, 9, 10, 11 en 12 februari 2013 is telkens € 5.000,- gestort op de rekening [nummer 1] . Toen op 12 februari 2013 de onregelmatigheden werden ontdekt was er al € 22.480,- overgeboekt naar de rekening [nummer 4] die op naam staat van [appellant] , € 1.000,- naar rekening [nummer 2] en € 1.000,- naar rekening [nummer 3] . Tevens is met pas […] (behorende kennelijk bij de rekening [nummer 1] ) € 500,- gepind.

2.6.

In de akte genomen op de rol van 21 april 2020 heef [appellant] hiertegenover niet meer ingebracht dan dat hij, kort gezegd, iedere betrokkenheid bij deze feiten en omstandigheden ontkent: [appellant] ziet voor het eerst dat er nog meer rekeningen zijn geopend dan de rekening uit 2011. [appellant] heeft nimmer zijn identiteitsbewijzen nodig gehad en kan niet aangeven per wanneer hij deze kwijtgeraakt zou zijn. Hij heeft nooit een rekening geopend bij de bank en het is uiterst merkwaardig dat de bank zijn identiteitskaart heeft. Hij heeft nooit bankafschriften ontvangen of om een wijziging limiet verzocht.

2.7.

Deze blote betwisting van [appellant] is tegenover de gespecificeerde en met producties onderbouwde stellingen van de bank onvoldoende. [appellant] heeft niet betwist dat de drie rekeningen zijn geopend op zijn naam. Hij heeft ook niet betwist dat bij drie verschillende gelegenheden de bank een identiteitsbewijs van [appellant] is getoond. Het betrof daarbij twee verschillende identiteitsbewijzen. Tussen de tijdstippen van het overleggen van de documenten ligt een periode van ongeveer 6 jaar (zomer 2005 en zomer 2011). [appellant] heeft ook niet specifiek betwist dat de bankpassen voor de twee op zijn naam geopende rekeningen [nummer 2] en [nummer 3] zijn verzonden naar zijn woonadres, waarna zij zijn geactiveerd, en dat ook het adres voor rekening [nummer 1] aanvankelijk zijn woonadres was. Voorts is er het tijdsverloop tussen de data van het openen van de drie rekeningen op zijn naam in 2001, 2010 en 2011. Dit alles maakt het uiterst onwaarschijnlijk dat [appellant] niet zelf deze rekeningen heeft geopend en niet zelf zijn identiteitsbewijzen heeft getoond aan de bank bij de verschillende gelegenheden waarbij deze zijn getoond. Het is aan [appellant] om een voldoende onderbouwde en steekhoudende verklaring te geven en dat heeft hij nagelaten.

2.8.

Terecht heeft de kantonrechter het verweer van [appellant] dat hij ruim voor februari 2013 in de tram een tas met zeer belangrijke papieren heeft verloren, ongeloofwaardig geacht. Allereerst hebben zowel [appellant] als zijn advocaat ter comparitie zonder voorbehoud verklaard dat de papieren begin 2013 dan wel in maart (het hof begrijpt: 2013) zijn gestolen, terwijl volgens de overgelegde aangifte de vermissing in februari 2013 zou hebben plaatsgevonden. Daarnaast betreffen de aan de bank in 2005 en 2011 getoonde papieren telkens een identiteitskaart, terwijl volgens de aangifte uitsluitend een rijbewijs is vermist. Zelfs als de kantonrechter ten onrechte voornoemd verweer ongeloofwaardig heeft geacht, leidt dat niet tot een ander oordeel, omdat [appellant] niet heeft gespecificeerd wanneer welke papieren precies zijn zoekgeraakt, anders dan het rijbewijs in februari 2013. Voorts geeft het verlies van één tas met papieren waaronder een identiteitskaart geen verklaring voor het gebruik van twee verschillende identiteitskaarten met een tussenruimte van 6 jaar. Daarmee is het verweer onvoldoende geconcretiseerd en moet het om die reden worden gepasseerd. Aan het voorgaande voegt het hof ten overvloede nog het volgende toe. Als productie 16 heeft de bank in eerste aanleg een e-mail met bijlage overgelegd. Deze bijlage betreft een overzicht van inkomsten en uitgaven, waarin aan de bank wordt voorgesteld maandelijks €10,- af te betalen. Als productie 17 heeft de bank in eerste aanleg een e-mail overgelegd waarin aan, kort gezegd, de deurwaarder wordt meegedeeld dat [appellant] in een traject van schuldhulpverlening is, gevraagd wordt om een overzicht met de laatste openstaande schuld en het verzoek wordt gedaan om incassomaatregelen te stoppen. In reactie hierop heeft [appellant] bij akte in eerste aanleg aangevoerd dat hij betwist dat deze e-mails van hem afkomstig zijn en dat hij het e-mailadres van de afzender niet kent. In hoger beroep heeft de bank bij memorie van antwoord onder verwijzing naar deze producties gesteld dat [appellant] de vordering in feite al meerdere malen heeft erkend omdat het niet logisch is dat [appellant] een afbetalingsvoorstel doet voor een schuld indien hij daadwerkelijk meent geen enkele relatie met de bank te hebben. In reactie hierop heeft [appellant] bij akte aangevoerd dat hij in een schulphulpverleningstraject wilde en meerdere schulden had en dat hij regelingen heeft proberen te treffen zonder naar de schulden en grondslagen te kijken. Er wordt, aldus [appellant] , in schuldhulpverleningstrajecten niet naar gekeken of de vorderingen geheel of gedeeltelijk onjuist zijn. Deze reactie overtuigt niet en in elk geval niet als reactie op productie 16, waarin concreet een afbetalingsvoorstel aan de bank wordt gedaan. Bovendien leidt het hof uit deze reactie af dat [appellant] erkent dat de e-mails van hem afkomstig zijn. Het andersluidende standpunt in eerste aanleg (met de toevoeging dat het e-mailadres [appellant] onbekend is) doet in ernstige mate afbreuk aan de geloofwaardigheid van het verweer van [appellant] in deze procedure.

2.9.

Het hof is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat als vaststaand moet worden aangenomen dat [appellant] wel degelijk zelf de bank heeft bezocht en de rekeningen heeft geopend, zodat hij gebonden is aan de voorwaarden daarvan. Maar ook als hij de bank nooit heeft bezocht, alle aan hem toegeschreven handtekeningen door een derde zijn vervalst en hij niet op eventuele camerabeelden staat van de automaten waar de sealbags zijn ingeleverd of waar is gepind, dan laten de hiervoor onder 2.5. weergegeven, door de bank gestelde en door [appellant] onvoldoende concreet betwiste feiten, bij gebreke van enige andere redelijke verklaring geen andere conclusie toe dan dat een derde, die kennelijk enorme gelijkenis vertoonde met [appellant] , met diens authentieke identiteitsbewijzen tot driemaal toe de bank heeft bezocht. Voorts heeft deze derde op naam van [appellant] bankrekeningen geopend, waarna de bankpassen van twee rekeningen naar het adres van [appellant] zijn gestuurd en daarna zijn geactiveerd en waarbij voor toezending van de bankafschriften van rekening [nummer 1] het woonadres van [appellant] is opgegeven. Uit deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien moet worden afgeleid dat [appellant] bewust aan deze gang van zaken moet hebben meegewerkt – hetgeen als een aan [appellant] toerekenbare onrechtmatige daad moet worden aangemerkt -, zodat de gevolgen van het handelen van deze derde voor zijn rekening en risico komen. Bewijslevering door middel van camerabeelden of onderzoek door een deskundige van de handtekeningen kan aan deze conclusie niet afdoen, zodat hier geen aanleiding voor bestaat. Datzelfde geldt voor de vraag of het (getypte) briefje dat is aangetroffen in een van de sealbags al dan niet afkomstig is van [appellant] en of het handschreven stortingsbriefje al dan niet van zijn hand is en of deze stukken al dan niet door hem in de sealbag achtergelaten zijn.

2.10.

Rekening [nummer 1] staat op naam van [appellant] . Nu het hof primair heeft overwogen dat als vaststaand moet worden aangemerkt dat [appellant] zelf de bank heeft bezocht en de rekeningen heeft geopend, is hij de contractuele wederpartij van de bank. De bank heeft in hoger beroep onbetwist gesteld dat de op de overeenkomst Verpakt storten via stortingsautomaten van toepassing zijnde voorwaarden in art. 3.5. bepalen dat uitsluitend de vaststelling van de inhoud van een sealbag door de bank als bewijs geldt. Hiertegen heeft [appellant] zijn verweer dat de inhoud van de sealbags groter was onvoldoende geconcretiseerd. Ook overigens bestaat geen reden aan de stellingen van de bank te twijfelen, zodat het hof van de juistheid hiervan uitgaat. Gelet op zijn (in elk geval) nauwe betrokkenheid bij het feitencomplex kon [appellant] niet volstaan met een simpele betwisting van de stellingen van de bank op dit punt.

2.11.

Dat betekent dat op rekening [nummer 1] een ongeoorloofde debetstand is ontstaan van € 23.980, die [appellant] als rekeninghouder – dan wel als degene die onrechtmatig jegens de bank heeft gehandeld waardoor de bank schade heeft geleden in de vorm van deze debetstand - moet aanzuiveren. De grieven I tot en met VI falen.

2.12.

Bij zijn akte na het tussenarrest voert [appellant] ook nog aan dat hij geen veertiendagenbrief heeft ontvangen. Dit verweer is irrelevant omdat buitengerechtelijke kosten in eerste aanleg niet zijn gevorderd en evenmin zijn toegewezen en de wettelijke rente is toegewezen vanaf de dag der dagvaarding. De bank heeft op deze punten geen incidentele grief geformuleerd, zodat deze kosten geen onderdeel uitmaken van het geding in hoger beroep. Of de zogeheten ‘tweeconclusieregel’ al dan niet aan het voeren van dit nieuwe verweer in de weg staat, behoeft bij die stand van zakenniet te worden onderzocht. Grief IX faalt.

Slotsom

2.13.

De grieven falen, zodat het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd moet worden. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter Den Haag van 24 april 2018;

- veroordeelt [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de bank begroot op € 1.978,- aan verschotten, € 1.074,- aan salaris voor de advocaat en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A. van Dorp, R.J.F. Thiessen en M.C.M. van Dijk en is uitgesproken door rolraadsheer mr. J.E.H.M. Pinckaers ter openbare terechtzitting van 8 september 2020 in aanwezigheid van de griffier.