Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1569

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
08-09-2020
Zaaknummer
200.274.807/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:14243, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot verwijdering registratie bij Bureau Kredietregistratie. Art. 6 lid 1 onder f AVG; art. 6 lid 1 onder c AVG; art. 21.1 AVG. Rb en hof wijzen verzoek af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.274.807/01

Zaak-/rekestnummer rechtbank : C/09/579384/HA RK 19-526

beschikking van 8 september 2020

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: [verzoekster],

advocaat: mr. M. de Boorder te Den Haag,

tegen

ING Bank N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: ING,

advocaat: mr. T.J.P. Jager te Amsterdam.

Het verloop van het geding

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg blijkt uit de beschikking van de rechtbank Den Haag van 28 november 2019 met het hierboven vermelde zaak-/rekestnummer. Deze beschikking wordt hierna de bestreden beschikking genoemd.

2. [verzoekster] is op 27 februari 2020 in hoger beroep gekomen door indiening van een appelschrift met bijlagen (producties 1 tot en met 6).

3. ING heeft op 24 april 2020 een verweerschrift met bijlage (productie H1) ingediend.

4. Bij het hof zijn verder de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van [verzoekster]:

- een journaalbericht van 5 juni 2020 met bijlage (productie 7);

- een journaalbericht van 9 juni 2020 met bijlagen (producties 8 en 9);

- een journaalbericht van 10 juni 2020 met bijlage (productie 10);

- een journaalbericht van 11 juni 2020 met bijlage (productie 11);

van de zijde van ING:

- journaalbericht van 9 juni 2020 met bijlagen (brief en producties H2 en H3);

- een brief van 23 juni 2020 met bijlagen (ontbrekende stukken procesdossier).

5. De mondelinge behandeling heeft op 24 juni 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- [verzoekster] en haar echtgenoot, bijgestaan door haar advocaat;

- [Medewerker], medewerker bijzonder beheer bij ING, bijgestaan door mr. D.J. Postuma, advocaat te Amsterdam.

Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Beoordeling van het hoger beroep

Enige feiten


6. De feiten die de rechtbank in 2.1 tot en met 2.11 van de bestreden beschikking heeft vastgesteld, zijn ook in hoger beroep niet in geschil. Het gaat in deze zaak om het volgende.

6.1.

ING neemt op grond van artikel 4:32 van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) als aanbieder van krediet verplicht deel aan de registratie van aan consumenten en zakelijke klanten verstrekte kredieten. Deze kredietregistratie wordt uitgevoerd door het Bureau Krediet Registratie (BKR). Het register heet het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI).

6.2.

[verzoekster] heeft sinds 2007 bij ING een kredietfaciliteit met een kredietlimiet van € 25.000,- gehad. In de kredietvoorwaarden is onder meer vermeld dat de kredietlimiet periodiek kan worden herzien op basis van de bij de kredietgever beschikbare gegevens. Verder is vermeld dat overschrijding van de kredietlimiet niet is toegestaan. ING heeft [verzoekster] op 4 april 2014 een schriftelijke bevestiging gestuurd van een wijziging in de kredietfaciliteit, die inhield dat de kredietlimiet werd verlaagd met € 500,- per maand, voor het eerst op 1 mei 2014.

6.3.

Een door ING overgelegd overzicht van het saldoverloop van het krediet tussen 1 april 2014 en 1 december 2015 vermeldt een limiet van € 15.000,- op 1 december 2015 (€ 25.000,- minus twintig maandelijkse verlagingen van € 500,-). Het saldo op die datum bedroeg € 15.679,07. Verder volgt uit dit overzicht dat in drie van de twintig maanden de op dat moment vereiste afbouw was bereikt (zodat er dus een bedrag aan opnameruimte resteerde) en in de overige maanden niet (zodat de opnameruimte toen dus negatief was). [verzoekster] heeft in deze periode de omzet van haar bedrijf niet op een rekening van ING laten storten.

6.4.

ING heeft [verzoekster] (in ieder geval) in april 2015 en oktober 2015 gemeld dat er regelmatig overstanden/overschrijdingen op haar rekening zijn. ING heeft [verzoekster] verzocht om de overschrijdingen aan te vullen.

6.5.

Op 20 oktober 2015 heeft ING aan [verzoekster] meegedeeld dat er nog steeds sprake is van een overschrijding en dat haar dossier daarom is overgedragen aan het incassobureau Vesting Finance Fiditon (hierna: VFF).

6.6.

Op 30 oktober 2015 heeft VFF aan [verzoekster] bericht, kort gezegd, dat:

- de kredietfaciliteit met onmiddellijke ingang wordt opgezegd, met vermelding van de redenen daarvoor;

- de totale vordering van ING op dat moment € 16.938,74 bedraagt;

- [verzoekster] dat bedrag voor 11 december 2015 dient te voldoen;

- er nadere (rechts-)maatregelen kunnen worden getroffen indien op 11 december 2015 geen algehele aflossing heeft plaatsgevonden dan wel een concreet betalingsvoorstel is gedaan, onderbouwd met de nodige gegevens en bewijsstukken;

- wanneer het openstaande saldo niet uiterlijk op 11 december 2015 wordt voldaan, de vordering met een achterstandscodering wordt gemeld bij het BKR.

6.7.

ING heeft [verzoekster], toen volledige voldoening van de achterstand uitbleef, op 12 december 2015 in het CKI geregistreerd met een A-codering (voor het ontstaan van een ongeoorloofde achterstand) en een 2-codering (voor het geheel opeisbaar stellen van de vordering).

6.8.

[verzoekster] heeft op 1 december 2015 een betalingsvoorstel gedaan. Naar aanleiding daarvan heeft VFF op 18 december 2015 aan [verzoekster] bericht dat zij akkoord gaat met een aflossing van minimaal € 1.000,- per maand met ingang van 8 januari 2016, lopend tot 8 juni 2017, welke regeling vervalt indien niet stipt wordt betaald.

6.9.

VFF heeft in 2016 en in 2017 brieven verzonden aan [verzoekster] waarin wordt meegedeeld dat de betalingsregeling niet stipt is nagekomen en zij wordt gesommeerd de achterstand te voldoen.

6.10.

[verzoekster] heeft de vordering op 9 augustus 2017 afbetaald. Deze datum is vervolgens in het CKI vermeld als einddatum. De vermelding van de in 6.7 genoemde codes blijft in beginsel zichtbaar tot vijf jaar na de einddatum, derhalve tot 9 augustus 2022.

6.11.

De gemachtigde van [verzoekster] heeft op 27 juni 2019 een verzoek tot verwijdering van de BKR-registratie van [verzoekster] gedaan. Dat verzoek is door VFF namens ING afgewezen in een brief van 18 juli 2019.

Het verzoek van [verzoekster] en de bestreden beschikking

7. [verzoekster] heeft de rechtbank verzocht, samengevat, om:

- ING te bevelen de registratie in het CKI dan wel de coderingen op naam van [verzoekster] te (doen laten) verwijderen, dan wel

- de duur van de registratie met genoemde coderingen te beperken tot tweeënhalf jaar en ING te bevelen deze coderingen na afloop van die termijn per december 2019 te verwijderen, dan wel

- een andere beslissing te nemen die de rechtbank juist acht

- een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom

- met veroordeling van ING in de proceskosten.

8. ING heeft verweer gevoerd. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van [verzoekster] afgewezen en haar in de kosten veroordeeld. De gronden voor deze beslissing kunnen als volgt worden samengevat.

8.1.

In de eerste plaats heeft de rechtbank overwogen dat de registratie op goede gronden heeft plaatsgevonden (r.o. 4.1 - 4.3). De omstandigheid dat [verzoekster] voor 11 december 2015 een voldoende onderbouwd betalingsvoorstel had gedaan, hoefde ING niet af te houden van registratie. ING had [verzoekster] immers laten weten dat de vordering zou worden gemeld bij het BKR als niet uiterlijk op 11 december 2015 het hele saldo zou zijn voldaan. Evenmin hoefde ING zich van registratie laten afhouden door de omstandigheid dat zij had besloten tot een forse afbouw van het krediet, waarbij het niet vreemd was dat dit niet zonder slag of stoot verliep. ING heeft toegelicht dat onder meer tot afbouw is besloten omdat er sprake was van te weinig omzet in relatie tot de omvang van het verstrekte krediet. [verzoekster] heeft niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betoogd dat ING daartoe niet had mogen overgaan.

8.2.

In de tweede plaats heeft de rechtbank beoordeeld of ING bij de weigering om de registratie te verwijderen onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van [verzoekster] (r.o. 4.4 – 4.8). Bij deze beoordeling heeft de rechtbank vooropgesteld dat de registratie van persoonsgegevens en de handhaving daarvan bij latere wijziging van omstandigheden moet voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De inbreuk op de belangen van de betrokkene van wie de persoonsgegevens worden verwerkt, mag niet onevenredig zijn in verhouding tot het doel van de verwerking. Voorts dient het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt in redelijkheid niet op een andere, voor de betrokkene minder nadelige wijze te kunnen worden verwezenlijkt. Het doel van de verwerking van de persoonsgegevens door het BKR in het CKI is om de betrokkene, zoals [verzoekster], te beschermen tegen overkreditering en andere problematische schuldsituaties en om krediet- en betalingsrisico’s van de deelnemers, zoals een hypotheekinstelling, te beperken door hen te informeren over relevante bijzonderheden die zich hebben voorgedaan in het recente verleden.

8.3

Nu de registratie op goede gronden heeft plaatsgevonden, acht de rechtbank het belang bij registratie gegeven en dient dit belang slechts in uitzonderlijke gevallen te wijken voor het individuele belang van de consument. Het door [verzoekster] aangevoerde belang, dat gelegen is in de plannen die zij heeft met haar woning – die met middelen uit een tijdelijke verhoging van de hypothecaire financiering zal worden verbouwd, waarna de woning zal worden gesplitst en de bovenwoning zal worden verkocht – legt onvoldoende gewicht in de schaal tegenover het belang van hypotheekinstellingen om het kredietverleden van [verzoekster] mee te wegen bij de beoordeling van haar financieringsaanvraag. Daarbij weegt zwaar mee dat [verzoekster] en haar partner de hypotheeklasten van hun woning op dit moment naar eigen zeggen makkelijk kunnen dragen. Van een noodzaak om het plan op korte termijn uit te voeren is de rechtbank niet gebleken.

9. In hoger beroep verzoekt [verzoekster] het hof de bestreden beschikking te vernietigen en haar in eerste aanleg gedane verzoeken alsnog toe te wijzen en ING te veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten van beide instanties. Zij voert vijf grieven aan.

10. Met grief 1 bestrijdt [verzoekster] het oordeel van de rechtbank dat zij op goede gronden is geregistreerd bij het BKR met een A2-codering. ING had volgens [verzoekster] geen eenzijdige afbouw van het krediet mogen opleggen en had haar vanwege het niet stipt nakomen daarvan niet mogen coderen (het hof begrijpt: registreren in het CKI). Verder had ING het krediet niet ineens mogen opeisen maar rekening moeten houden met de betalingsmogelijkheden van [verzoekster].

11. Anders dan [verzoekster] aanvoert (appelschrift onder 5), voorzag de kredietovereenkomst wel degelijk in de mogelijkheid van verlaging van het krediet. In de kredietvoorwaarden is immers vermeld dat de kredietlimiet periodiek kan worden herzien op basis van de bij de kredietgever beschikbare gegevens (zie 6.2 hiervoor en bijlage 1 bij het verweerschrift in eerste aanleg). Voor zover [verzoekster] bedoelt dat ING in de gegeven omstandigheden geen gebruik had mogen maken van deze contractuele bevoegdheid, heeft zij haar klacht onvoldoende onderbouwd. In het appelschrift onder 5 en 6 betoogt zij dat de beslissing tot verlaging van het krediet van 4 april 2014 gebaseerd was op de in punt 8 van het verweerschrift in eerste aanleg bedoelde vier zelfstandige gronden en bestrijdt zij de toepasselijkheid van die gronden. Dat betoog berust echter op een misverstand, zoals de advocaat van [verzoekster] bij de mondelinge behandeling heeft erkend. In het verweerschrift in eerste aanleg, onder 8, ging het over de gronden voor de opeising van het krediet op 30 oktober 2015. [verzoekster] heeft haar standpunt dat ING niet tot kredietverlaging had mogen overgaan, ook niet op andere wijze toegelicht.

12. Ook het standpunt dat ING de vordering niet ineens mocht opeisen maar rekening had moeten houden met de betalingsmogelijkheden van [verzoekster], acht het hof onvoldoende onderbouwd. Volgens [verzoekster] valt niet in te zien waarom ING geen genoegen zou moeten nemen met haar betalingsvoorstel van € 250 per maand, omdat zij zich immers ver binnen de toegestane kredietlimiet bevond. Zij doelt daarmee kennelijk op de in het appelschrift onder 6 genoemde kredietruimte van € 620,06. Ook dat is een misverstand, want uit het hiervoor in 6.3 genoemde overzicht blijkt dat het bedrag van € 620,06 de kredietruimte op 1 april 2014 was en dat de kredietruimte vanaf 1 maart 2015 voortdurend negatief is geweest.

13. [verzoekster] heeft haar standpunt dat ING in oktober 2015 niet tot opeising van het krediet had mogen overgaan, verder niet met concrete, relevante argumenten onderbouwd. Als zodanig kan niet gelden de omstandigheid dat zij in juni 2015 een financiering is aangegaan bij Defam voor € 35.000,-. Ook volgt het hof [verzoekster] niet waar zij stelt dat uit de verkrijging van dat nieuwe krediet blijkt dat er met haar financieel niets aan de hand was en dat haar administratie en omzet op orde waren. Er kan in deze procedure dan ook niet van worden uitgegaan dat ING in oktober 2015 niet mocht overgaan tot opeising van het krediet. Toen [verzoekster] vervolgens naliet binnen de door VVF gestelde termijn haar schuld af te lossen, was – afgezien van de hierna nog te bespreken belangenafweging – aan de voorwaarden voor registratie voldaan.

14. Grief 1 faalt derhalve.

12. Grief 2 is gericht tegen de door de rechtbank uitgevoerde belangenafweging, die in haar nadeel is uitgevallen.

13.1.

Partijen zijn het erover eens dat een belangenafweging moet worden gemaakt, maar niet op grond waarvan dit moet geschieden. Hierop zal het hof eerst ingaan. [verzoekster] meent dat de noodzaak van een belangenafweging voortvloeit uit artikel 21 lid 1 tweede zin Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). ING bestrijdt echter dat die bepaling van toepassing is, omdat dat op grond van de eerste zin van artikel 21 lid 1 AVG slechts het geval is als de gegevensverwerking gebaseerd is op artikel 6 lid 1 onder e of f AVG, terwijl het hier volgens ING gaat om gegevensverwerking die noodzakelijk is om te voldoen aan een wettelijke verplichting als bedoeld in artikel 6 lid 1 onder c AVG.

13.2.

Het hof overweegt als volgt. ING is als aanbieder van krediet op grond van artikel 4:32 lid 1Wft verplicht deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie. Het CKI is een zodanig stelsel van kredietregistratie, dat door BKR wordt bijgehouden. ING is deelnemer aan het CKI en als deelnemer gebonden aan het door BKR vastgestelde Algemeen Reglement CKI (hierna: AR). Het AR noemt als doel van de kredietregistratie het bevorderen van een maatschappelijk verantwoorde financiële dienstverlening. Specifiek gaat het daarbij om het behoeden van consumenten voor overkreditering en andere financiële problemen (problematische schuldsituaties) en het voor kredietverleners beperken van de financiële risico’s bij kredietverlening en het voorkomen en bestrijden van misbruik en fraude.

13.3.

De registratie in het CKI vormt een verwerking van persoonsgegevens in de zin van de AVG. Ingevolge art. 21 lid 1 AVG heeft de betrokkene te allen tijde het recht om vanwege met zijn specifieke situatie verband houdende redenen bezwaar te maken tegen de verwerking van hem betreffende gegevens op basis van artikel 6, lid 1, onder e of f AVG, en dient de verwerkingsverantwoordelijke bij bezwaar van de betrokkene de verwerking van de persoonsgegevens te staken, tenzij de verwerkingsverantwoordelijke dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking aanvoert die zwaarder wegen dan de belangen van de betrokkene.

13.4.

Artikel 6 lid 1 AVG luidt, voor zover in dit verband van belang:

1. De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan:
(…)
c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust;
(…)
e) de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen;
f) de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is.

13.5.

Uit de woorden “ten minste een” in de aanhef van artikel 6 lid 1 AVG blijkt dat de verschillende onderdelen daarvan niet elkaar uitsluitende categorieën vormen. Naar het oordeel van het hof levert artikel 6 lid 1 onder f AVG in elk geval een grondslag op voor de gegevensverwerking door het BKR van de gegevens van [verzoekster], gelet op het hiervoor in 13.2 genoemde doel van de kredietregistratie. Dat de gegevensverwerking daarnaast noodzakelijk is om te voldoen aan een wettelijke verplichting die rust op ING als verwerkingsverantwoordelijke – aangenomen dat ING als zodanig kan worden beschouwd – vindt het hof niet aannemelijk. De door ING in dit verband genoemde verplichting is immers de verplichting om deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie. Niet gezegd kan worden dat ING niet aan die deelnemingsverplichting voldoet als zij de gegevens van [verzoekster] niet in het CKI verwerkt. Het hof gaat er dan ook van uit dat nu de gegevensverwerking valt onder artikel 6 lid 1 onder f AVG en niet tevens onder artikel 6 lid 1 onder c AVG, aan [verzoekster] het recht van bezwaar op grond van artikel 21 lid 1 AVG toekomt.

13.6.

De Hoge Raad heeft in zijn onder de (toenmalige) Wet bescherming persoonsgegevens gegeven beschikking van 9 september 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ8097) overwogen dat bij elke gegevensverwerking moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, hetgeen meebrengt dat de inbreuk op de belangen van de betrokkenen niet onevenredig mag zijn in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel en dat doel in redelijkheid niet op een andere, voor de betrokkene minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt. Aangenomen moet worden dat dit uitgangspunt ook geldt voor de verwerking van persoonsgegevens - en de beoordeling van een verwijderingsverzoek - op grond van artikel 21 lid 1 van de AVG.

14. Tegen de door de rechtbank gemaakte belangenafweging voert [verzoekster], samengevat, het volgende aan.

[verzoekster] is financieel betrouwbaar. Zij is haar verplichtingen uit haar kredieten bij ING en een ander krediet bij Defam volledig nagekomen. Registratie is dus niet nodig om haar te beschermen tegen overkreditering en andere problematische schuldsituaties en om krediet- en betalingsrisico’s van deelnemers goed inschatbaar te maken.

Uit de registratie valt af te leiden dat [verzoekster] achterstanden heeft gehad op de hoofdvordering en dat die is opgeëist. Ze heeft echter geen overschrijding gehad op de hoofdvordering en de opeising betrof niet de hoofdvordering maar een restantschuld. Dit valt buiten de doelstelling van het BKR.

De rechtbank meent ten onrechte dat slechts in uitzonderlijke gevallen tot verwijdering overgegaan dient te worden. Er dient tot verwijdering overgegaan te worden op basis van de toetsing aan artikel 21 AVG. Er dient in ieder geval apart te worden getoetst of in de huidige situatie verdere codering nog noodzakelijk is. Daarbij dienen alle omstandigheden van het geval meegewogen te worden in het gegeven geval dus ook de situatie rond de opeising, de situatie rond het nakomen van het Defam krediet en de huidige financiële situatie, aldus [verzoekster].

15. ING weerspreekt deze bezwaren en onderschrijft de gemaakte belangenafweging.

16. Het hof acht de door de rechtbank gemaakte belangenafweging juist en neemt deze over. Met betrekking tot de bezwaren van [verzoekster] overweegt het hof het navolgende.

[verzoekster] is haar verplichtingen uit een ander krediet bij ING inderdaad volledig nagekomen, maar dat geldt niet voor haar verplichtingen uit de in 2007 overeengekomen kredietfaciliteit. Vast staat immers dat daarin achterstanden zijn ontstaan, die ING aanleiding hebben gegeven (en aanleiding hebben mogen geven) tot opzegging van het krediet en opeising van het openstaande saldo, waarna [verzoekster] niet in staat bleek het opgeëiste bedrag tijdig te voldoen. Dat [verzoekster] later het verschuldigde bedrag alsnog heeft afgelost, rechtvaardigt niet de conclusie dat zij (steeds) ‘volledig’ heeft voldaan aan haar verplichtingen. Wat zij bedoelt met het onderscheid tussen achterstand en overschrijding op de hoofdvordering, is het hof niet duidelijk geworden. Met betrekking tot het krediet bij Defam heeft ING onweersproken erop gewezen dat dit krediet niet is verstrekt aan [verzoekster] maar aan haar echtgenoot.
Ook als zou worden aangenomen dat [verzoekster] financieel betrouwbaar is, hetgeen door ING wordt betwist, brengt dat niet mee dat het gevaar van overkreditering afwezig is en dat ING mag afzien van registratie overeenkomstig het AR, niet alleen ter bescherming van [verzoekster] maar ook met het oog op de beoordeling door andere aanbieders van de risico’s van kredietverlening aan [verzoekster]. Niet valt in te zien waarom dit buiten de doelstelling van het BKR zou vallen.

Of verwijdering van eenmaal terecht aangebrachte coderingen slechts in uitzonderlijke gevallen dient plaats te vinden, kan in het midden blijven. Het gaat er slechts om de belangenafweging uit te voeren in het licht van de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Zoals overwogen, onderschrijft het hof de door de rechtbank uitgevoerde belangenafweging. Daarbij speelt een rol dat ook in hoger beroep niet is gebleken dat voor de uitvoering van de plannen met de woning van [verzoekster] thans een dringende noodzaak bestaat. Overigens heeft [verzoekster] wel verklaard dat de registratie het onmogelijk maakt om de daarvoor benodigde hypothecaire financiering te verkrijgen, maar ING heeft dit gemotiveerd betwist en ter zitting is gebleken dat [verzoekster] alleen een telefonische afwijzing van Florius heeft gehad en dat zij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om die afwijzing in de interne klachtprocedure van Florius te laten herbeoordelen. Over de huidige financiële situatie van [verzoekster] hebben partijen ter zitting gedebatteerd. Daaruit is het hof niet gebleken dat die financiële situatie zodanig is dat handhaving van de registratie onevenredig moet worden geacht. Ter zitting heeft [verzoekster] nog bepleit dat ING de registratie tijdelijk intrekt, zodat [verzoekster] de mogelijkheid heeft de door haar gewenste financiering te krijgen, waarna ING haar wederom zou mogen registreren. Een zodanige tijdelijke onderbreking van de registratie verwerpt het hof, omdat daarmee Florius of een andere kredietaanbieder op het verkeerde been kan worden gezet. Grief 2 slaagt niet.

17. Met grief 3 voert [verzoekster] aan dat de rechtbank in r.o. 4.7 miskent dat [verzoekster] haar woning wil splitsen en daarmee het afgesplitste deel aan de krappe woningvoorraad wil toevoegen, hetgeen een actueel belang is. Verder wil zij, zo voert ze aan, nu haar toekomst regelen. De rechtbank had niet moeten toetsen of dit een uitzonderlijke situatie oplevert maar of verdere registratie nog noodzakelijk is.

18. Deze grief faalt eveneens. De rechtbank heeft niet miskend dat de woning gesplitst zou worden en dat er dus een extra woning zou ontstaan. Voor de beoordeling in het kader van artikel 21 AVG valt niet in te zien dat dit enig relevant gewicht in de schaal legt. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat [verzoekster] nu haar toekomst wil regelen. Of de situatie nu uitzonderlijk is of niet, ook naar het oordeel van het hof zijn de omstandigheden van het geval niet zodanig dat de registratietermijn moet worden verkort.

19. Het falen van de grieven 1 tot en met 3 brengt mee dat het verzoek van [verzoekster] ook in hoger beroep zal worden afgewezen.

20. Grief 4 betreft de kostenveroordeling. [verzoekster] bepleit dat in dit soort procedures net als in het bestuursrecht een kostenveroordeling aan de zijde van de verzoekende partij achterwege dient te blijven als er geen sprake is van misbruik van procesrecht. De grief faalt. Hoewel de rechter daartoe ingevolge artikel 289 Rv niet verplicht is, pleegt in procedures als de onderhavige wel een kostenveroordeling te worden uitgesproken en ziet het hof geen aanleiding hierover in dit geval anders te oordelen.

21. Grief 5 is een zogenoemde veeggrief, die geen afzonderlijke bespreking behoeft. Ook deze grief faalt.

22. De slotsom is dat de grieven falen en de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd. [verzoekster] zal – zoals verzocht door ING – uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld, de nakosten daaronder begrepen

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 28 november 2019;

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van ING tot op heden begroot op € 760,- voor verschotten, € 2.148,- (2 pt x tarief II) voor salaris van de advocaat en op € 157 voor nakosten, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [verzoekster] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. F.R. Salomons, R.J.F. Thiessen en B.J. Lenselink en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, ter openbare terechtzitting van 8 september 2020 in aanwezigheid van de griffier.