Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1564

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
2200175619
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling poging doodslag door het slachtoffer in de nachtelijke uren in zijn eigen woning met een mes in het bovenlichaam te steken. Hierna heeft de verdachte zich met name beziggehouden met het verhullen van de sporen en zijn aandeel hierin. Beroep op noodweer/noodweerexces gedaan door verdediging, verweer verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001756-19

Parketnummers: 09-808760-18,
22-004050-15 en 09-232630-17 (TULLEN)

Datum uitspraak: 26 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 april 2019 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,

adres: [adres],

thans gedetineerd in [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen tot tenuitvoerlegging, het beslag en de vordering van de benadeelde partij zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

primair
hij op of omstreeks 16 december 2018 te Leiderdorp ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans éénmaal, heeft gestoken in de zij en/of de borst, althans het (boven)lichaam, van de zich in zijn, verdachtes, nabijheid bevindende [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair
hij op of omstreeks 16 december 2018 te Leiderdorp, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten steekverwonding(en) en/of een klaplong en/of afgebroken ribfragmenten en/of litteken), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk (met) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, vier althans een- of meermalen, in diens borst en/of zij, althans romp, te steken en/of te snijden en/of te duwen;

meer subsidiair
hij op of omstreeks 16 december 2018 te Leiderdorp, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] (met) een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, vier, althans een- of meermalen, in diens borst een/of zij, althans romp, heeft gestoken en/of gesneden en/of geduwd (met een klaplong enof afgebroken ribfragment en/of litteken als gevolg), zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair
hij op of omstreeks 16 december 2018 te Leiderdorp ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans éénmaal, heeft gestoken in de zij en/of de borst, althans het (boven)lichaam, van de zich in zijn, verdachtes, nabijheid bevindende [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Beroep op noodweer

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte – overeenkomstig zijn pleitnotities – aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41 eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte heeft daaraan ten grondslag gelegd dat hij in de woning van de aangever [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) met [slachtoffer] in een worsteling terecht is gekomen waarbij [slachtoffer] de nek van de verdachte met zijn arm omklemde waardoor de verdachte geen lucht kreeg en zich met een mes – dat hij van de tafel heeft gepakt - moest verdedigen.

Hiertegenover staat de verklaring van [slachtoffer], die zegt dat hij toen hij de deur voor de verdachte opende direct door de verdachte werd aangevallen. Hij zag dat de verdachte naar zijn rechterjaszak greep en dat daaruit een rood mes tevoorschijn kwam. [slachtoffer] deed zijn linkerarm omhoog om af te weren en werd gestoken door de verdachte in zijn linkerzij. Daarna volgde een worsteling met de verdachte, waarbij [slachtoffer] pas merkte dat hij gewond was.

Het hof hecht - anders dan bepleit door de raadsman - meer geloof aan de uiteenzetting van [slachtoffer] dan aan die van de verdachte en zal uitleggen waarom.

De verdachte heeft zijn verklaring dat hij heeft gestoken nadat zijn keel door [slachtoffer] werd dichtgeknepen pas bij gelegenheid van zijn voorgeleiding bij de rechter-commissaris (en daarna ter terechtzitting) afgelegd. Dit doet af aan de overtuigingskracht, met name omdat de verdachte aanvankelijk bij de politie geheel anders heeft verklaard, namelijk dat het letsel van [slachtoffer] was ontstaan doordat hij in glas was gevallen. De verdachte heeft hierover gesteld dat hij met [slachtoffer] had afgesproken zodanig te verklaren. [slachtoffer] heeft inderdaad, zo blijkt uit de verklaring van de dienstdoende verpleegkundige, in eerste instantie bij de Spoedeisende Hulp in het LUMC - in bijzijn van de verdachte - ook verteld dat hij een glasverwonding had. Na het daarop doorvragen van de verpleging – buiten aanwezigheid van de verdachte - vertelde [slachtoffer] dat hij gestoken was. Het zou dus goed kunnen dat er een afspraak was tussen de verdachte en [slachtoffer] dat ze zouden zeggen dat [slachtoffer] in glas gevallen was. Naar het oordeel van het hof is zo’n afspraak echter niet anders te begrijpen dan dat de verdachte ervoor wilde zorgen dat zijn aandeel in de steekverwonding niet aan het licht zou komen. Dat het idee van het glas van [slachtoffer] afkomstig was om zo zijn eigen aandeel te verhullen, zoals door de verdachte geopperd, is niet aannemelijk. Dan valt immers niet in te zien waarom [slachtoffer] later in het ziekenhuis alsnog vertelde dat hij was gestoken.

De verdachte heeft [slachtoffer] na het incident onder de douche gezet en het bloed op de vloer van de woning met een mop opgedweild. Bovendien heeft hij uren gewacht met het naar het ziekenhuis (doen) brengen van de gewonde [slachtoffer]. Deze feiten en omstandigheden zijn veel beter te begrijpen in het licht van het verdoezelen van de waarheid door de verdachte dan wanneer hij meende slechts uit zelfverdediging te hebben gehandeld.

De verklaring van de verdachte, dat hij pas heeft gestoken nadat zijn keel door [slachtoffer] werd dichtgeknepen vindt verder ook geen steun in het dossier.

Om deze redenen zal het hof uitgaan van de lezing van de gebeurtenissen van [slachtoffer] en niet die van de verdachte. De verklaring die [slachtoffer] op 4 december 2019 als getuige bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd maakt dat niet anders. Anders dan door de verdediging bepleit bestempelt het hof deze verklaring niet als ongeloofwaardig. Hoewel uit het verhoor blijkt dat de raadsheer-commissaris [slachtoffer] enkele keren heeft gemaand de waarheid te verklaren, heeft [slachtoffer] aanstonds en ten aanzien van het steekincident zelf niet afwijkend ten opzichte van zijn eerder afgelegde verklaring verklaard. Dat [slachtoffer] op bepaalde onderdelen later in zijn verhoor anders verklaart doet aan de betrouwbaarheid van het geheel niet af. Enkele tegenstrijdigheden van ondergeschikte aard in de verklaring van [slachtoffer] zijn naar het oordeel van het hof dan ook niet van dien aard dat deze doen twijfelen aan de betrouwbaarheid van [slachtoffer] verklaring als geheel.

Gelet op de verklaring van [slachtoffer] staat het naar het oordeel van het hof vast dat de verdachte [slachtoffer] direct bij binnenkomst met een mes in het bovenlichaam heeft gestoken. Van een noodweersituatie was op dat moment geen sprake. De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen vindt dan ook zijn weerlegging in de aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. Het verweer wordt verworpen.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman – overeenkomstig zijn pleitnotities aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Onder de bespreking van het beroep op noodweer is het hof reeds tot het oordeel gekomen dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt.

Het verweer wordt verworpen.

Er is aldus geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op 16 december 2018 schuldig gemaakt aan een poging doodslag door het slachtoffer in de nachtelijke uren in zijn eigen woning met een mes in zijn bovenlichaam te steken. In de uren nadat dit was gebeurd heeft de verdacht zich met name bezig gehouden met het verhullen van de sporen van de steekpartij en van zijn aandeel daarin. Zo heeft de verdachte eerst het slachtoffer onder de douche gezet en is hij daarna de woning gaan schoonmaken. Het heeft uren geduurd voordat het slachtoffer uiteindelijk naar het ziekenhuis is gebracht. Ondertussen heeft het slachtoffer doodsangsten uitgestaan. Dat de steekpartij geen fatale afloop heeft gehad, is een gelukkige omstandigheid die niet is te danken aan het handelen van de verdachte.

Het hof heeft gelet op het reclasseringsadvies van GGZ Fivoor Leiden van 26 februari 2020. Hierin wordt onder meer beschreven dat de verdachte wel gemotiveerd is een

delictvrij leven te leiden, maar dat het hem niet lukt. Als gevolg van LVB problematiek is hij onvoldoende in staat om praktische- en interpersoonlijke problemen het hoofd te bieden. Wanneer hij hiermee geconfronteerd wordt, reageert hij impulsief en (buitensporig) agressief. Zijn cognitieve beperkingen belemmeren hem tevens bij zijn maatschappelijke participatie. De verdachte heeft geen diploma, geen werk, geen huisvesting, geen steunend sociaal netwerk en er is sprake van schuldenproblematiek. Momenteel zijn er geen beschermende factoren. Positief is wel dat de verdachte zich ontvankelijk opstelt voor hulp en op de wachtlijst staat van Stichting Exodus. Het recidive- en gevarenrisico is hierdoor, ondanks alle problematische leefgebieden, in gemiddelde mate aanwezig. Hierbij is het wel van belang dat de verdachte een strafrechtelijk kader heeft na detentie.

Derhalve adviseert de reclassering om een meldplicht, een behandelverplichting bij forensisch polikliniek de Waag, gericht op agressieregulatie en het herkennen van en handelen tijdens risicosituaties, opname in een instelling voor begeleid wonen, een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod op te leggen.

Ter terechtzitting in hoger beroep is de begeleidster van de verdachte bij Exodus als deskundige gehoord. Zij heeft onder meer te kennen gegeven dat de verdachte op de lijst staat om bij Exodus te verblijven als hij op vrije voeten komt.

Het hof heeft tenslotte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 juli 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, maar dit zijn een ander soort feiten dan het bewezen verklaarde strafbare feit. Het hof zal hiermee dan ook niet in strafverzwarende zin rekening houden.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. De door de reclassering geadviseerde voorwaarden zullen hierbij als bijzondere voorwaarden worden opgelegd, met uitzondering van toezicht door middel van elektronische controle nu het hof daartoe geen aanleiding ziet.

Nu er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden bevolen worden.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 7.726,40.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 5.500,00, bestaande uit

€ 500,00 materiële en € 5.000,00 immateriële schade, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het primair bewezenverklaarde. Het hof schat deze schade op een bedrag van € 500,00. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 december 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van het materiële deel van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige materiële deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof is verder van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende heeft aangetoond dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het primair bewezenverklaarde. Het hof neemt zonder meer aan dat de gebeurtenissen op 16 december 2018 angstig zijn geweest voor de benadeelde partij en een diepe impact op hem zullen hebben gehad. Het hof neemt echter ook in aanmerking dat uit de toelichting van de benadeelde partij blijkt dat (andere) traumatische ervaringen uit het verleden reeds speelden en dat die weer terug zijn gekomen. In onvoldoende mate blijkt uit de door de benadeelde partij overgelegde (medische) stukken in hoeverre de huidige psychische klachten hun oorsprong vinden in het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Tevens bevindt zich in deze stukken geen verklaring van een behandelend psycholoog die het verhaal van de benadeelde partij kan bevestigen. De verwijzing naar de intake bij GGZ Rivierduinen op 15 april 2019 is hiervoor onvoldoende. Zonder nader onderzoek, waarvoor in dit strafgeding geen ruimte bestaat omdat dat een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan op dit deel van de vordering geen inhoudelijke beslissing worden genomen.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het immateriële deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Vordering tot tenuitvoerlegging

22-004050-15

Bij vonnis van dit Gerechtshof van 12 april 2016 onder parketnummer 22-004050-15 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf, omdat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

Naar het oordeel van het hof zijn er echter, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden zoals gebleken ter terechtzitting in hoger beroep en de omvang van het nu op te leggen voorwaardelijk strafdeel, geen gronden aanwezig voor toewijzing van die vordering.

De vordering zal dan ook worden afgewezen.

09-232630-17

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank

's-Gravenhage van 8 februari 2018 onder parketnummer

09-232630-17 is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van vijftig uren, met bevel dat die taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging van deze taakstraf gelasten. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de thans op te leggen straf verzetten zich daar niet tegen.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen overeenkomstig het bestreden vonnis zal worden beslist.

Het hof zal van de na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen de teruggave aan de beslagene gelasten, te weten:

4. 1.00 STK Trainingsbroek Kl:blauw PGM

5. 1.00 STK Vest Kl:zwart NIKE

6. 1.00 STK Trainingsbroek – Opdruk Chelsea

Namens de verdachte heeft de raadsman ter terechtzitting verzocht om teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen auto en een geldbedrag. Het hof leidt uit het dossier af dat op een inbeslaggenomen Audi A1 met kenteken 43-RPG-9 en een geldbedrag van € 310,-- conservatoir beslag rust, dat ex artikel 94a, derde lid Sv is gelegd ter verhaal van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij. Deze vallen dus niet onder de op grond van artikel 94 Sv in beslag genomen voorwerpen, waarover het hof ex artikel 415 in verbinding met artikel 353 Sv een beslissing moet nemen. Gelet hierop, zal de verdachte in dit verzoek niet ontvankelijk worden verklaard. De in beslag genomen autosleutel (op de beslaglijst onder 7. vermeld als 1.00 STK Sleutel AUDI) die hoort bij de in beslag genomen auto zal om die reden niet teruggegeven worden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat:

 de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of

 de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

 de verdachte geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

 de verdachte verplicht is zich gedurende de proeftijd te melden bij GGZ Reclassering Fivoor op het adres Witte Singel 8 Leiden, zolang en frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht;

 de verdachte zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke instelling van ambulante forensische zorg, zolang de reclassering in overleg met die zorginstelling dat noodzakelijk acht, waarbij de verdachte zich zal houden aan de huisregels en de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, ook indien dit inhoudt dat hij medicijnen moet innemen als onderdeel van zijn behandeling;

 de verdachte gedurende de proeftijd verblijft in Stichting Exodus of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, waarbij de verdachte zich zal houden aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

 het voor de verdachte gedurende de proeftijd verboden is contact te leggen - direct of indirect - met [slachtoffer] (geboortedatum), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

 het voor de verdachte gedurende de proeftijd verboden is zich te bevinden in een straal van 200 meter rondom Vlechtbaan 70 te Leiderdorp, zoals op de afbeelding in de bijlage is weergeven, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

 de verdachte gedurende de proeftijd mee werkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde zal worden gecontroleerd;

Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

4. 1.00 STK Trainingsbroek Kl:blauw PGM

5. 1.00 STK Vest Kl:zwart NIKE

6. 1.00 STK Traningsbroek - Opdruk Chelsea

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

7. 1.00 STK Sleutel AUDI

Verklaart de verdachte niet ontvankelijk in zijn verzoek om teruggave van de in beslag genomen Audi A1 met kenteken 43-RPG-9 en het geldbedrag van € 310,-.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 16 december 2018.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Den Haag van 26 maart 2019, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van dit Gerechtshof van 12 april 2016, parketnummer 22-004050-15, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van vier weken.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 8 februari 2018, parketnummer 09-232630-17, te weten een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren.

Dit arrest is gewezen door mr. L.F. Gerretsen-Visser,

mr. L.C. van Walree en mr. C.M. Derijks, in bijzijn van de griffier mr. C.M. Jellema.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 augustus 2020.