Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1550

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
BK-19/00681 tot en met BK-19/00684
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende bezit participaties ter zake van plantages met teakbomen in Brazilië en Costa Rica.

In hoger beroep is in geschil of de waarde van de participaties in de aanslagen IB/PVV 2008 tot en met 2011 tot te hoge bedragen in aanmerking zijn genomen in box 3. Daaraan voorafgaand oordeelt het Hof, anders dan de Rechtbank, dat ook belanghebbendes beroep voor het jaar 2008 ontvankelijk verklaard had moeten worden.

Vervolgens oordeelt het Hof dat de Inspecteur de waarde van de participaties voor de jaren 2008 en 2009 tot te hoge bedragen in aanmerking heeft genomen en voor de jaren 2010 en 2011 voor de juiste bedragen.

Het Hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat de box 3-heffing in strijd is met art. 1 EP EVRM. Voorts verwerpt het zijn stelling dat hij recht heeft op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 02-09-2020
FutD 2020-2496
V-N Vandaag 2020/2084
V-N 2020/59.6 met annotatie van Redactie
NTFR 2020/2591
NLF 2020/1944 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-19/00681 tot en met BK-19/00684

Uitspraak van 18 augustus 2020

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: [A] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 3 oktober 2019, nrs. SGR 18/7548, SGR 18/7550, SGR 18/7551 en SGR 19/6133.

Procesverloop

Jaar 2008 – BK-19/00684 (SGR 19/6133)

1.1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.666 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 19.738. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is aan belanghebbende een bedrag van € 681 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Jaar 2009 – BK-19/00681 (SGR 18/7548)

1.1.2.

Aan belanghebbende is over het jaar 2009 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.040 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 22.023. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is aan belanghebbende een bedrag van € 654 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Jaar 2010 – BK-19/00682 (SGR 18/7550)

1.1.3.

Aan belanghebbende is over het jaar 2010 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.945 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.400. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is aan belanghebbende een bedrag van € 554 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Jaar 2011 – BK-19/00683 (SGR 18/7551)

1.1.4.

Aan belanghebbende is over het jaar 2011 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.637 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 20.899. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is aan belanghebbende een bedrag van € 623 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft bij gezamenlijke uitspraak op bezwaar van 12 april 2016 de bezwaren tegen de hiervoor vermelde aanslagen en beschikkingen afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft bij brief van 28 februari 2018, ingekomen bij de Belastingdienst op 2 maart 2018, met omschrijving "Aanslag Inkomstenbelasting 2009, 2010, 2011 nummer [B] " de Inspecteur bericht dat de uitspraak op bezwaar van 12 april 2016 noch de brief van 11 november 2015 met de vooraankondiging van die uitspraak hem heeft bereikt.

1.4.

De Inspecteur heeft de voormelde brief van belanghebbende behandeld als bezwaarschrift tegen de aanslagen IB/PVV over de jaren 2009, 2010 en 2011. In zijn reactie van 25 oktober 2018 vermeldt de Inspecteur dat hij voor elk van de jaren de bezwaren wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaart. Vervolgens heeft de Inspecteur de brief als verzoeken om ambtshalve vermindering van de betreffende aanslagen in behandeling genomen en afgewezen omdat de verzoeken niet binnen de wettelijke termijn zijn ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft op 19 november 2018 beroep ingesteld bij de Rechtbank tegen de uitspraken op bezwaar. De Rechtbank heeft een griffierecht van eenmaal € 46 geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt:

"De rechtbank:

- verklaart het beroep betreffende de aanslag IB/PVV 2008 niet-ontvankelijk;

- verklaart de beroepen betreffende de aanslagen IB/PVV 2009, IB/PVV 2010 en IB/PVV 2011 ongegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar van verweerder van 25 oktober 2018 betreffende de aanslagen IB/PVV 2009, IB/PVV 2010 en IB/PVV 2011;

- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep betreffende de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2009;

- verklaart het beroep betreffende de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2010 en IB/PVV 2011 ongegrond."

1.6.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van eenmaal € 128. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Het Hof heeft op 10 december 2019 het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank van 4 juli 2019 en het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank van 24 september 2019 verzonden naar partijen.

Bij bericht van 17 januari 2020, ingekomen bij het Hof op dezelfde dag, heeft belanghebbende een nader stuk met bijlagen ingediend. Op 1 juli 2020 heeft het Hof een e-mailbericht met bijlagen ontvangen van belanghebbende.

1.7.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 juli 2020. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende bezit participaties ter zake van plantages met teakbomen in Brazilië en Costa Rica (de participaties). Deze participaties heeft belanghebbende in de periode 2001-2005 gekocht van [C] BV ( [C] ) en Stichting [D] ( [D] ).

2.2.

In oktober 2011 zijn de participaties die door [D] zijn uitgegeven, ingetrokken en zijn alle aan de participaties verbonden rechten en verplichtingen ingebracht in het beleggingsfonds [E] ( [E] ). Alle houders van door [D] uitgegeven participaties zijn hierdoor houders van deelnemingsrechten in [E] geworden.

2.3.

De gedingstukken bevatten een brief van [D] aan belanghebbende, gedagtekend 8 maart 2011. De brief vermeldt:

"Helaas hebben wij moeten vaststellen dat er in de - aan u op 3 maart jl. gerichte - 'Nieuwsbrief voor participanten' een storende fout is geslopen bij het vermelden van de omvang van uw participatie(s) en totale waarde (…).

De juiste tekst had (in uw geval) moeten zijn:

Waardebepaling en ruilverhouding

De waarde van uw participaties

Volgens deze recente waardebepaling bedraagt de waarde van uw participatie(s) zijnde 18,5 hectare(s) teak-participatie(s) In ’ [D] Costa Rica' € 491.375 bij een USD-koers van $1,3635 (gemiddelde koers in de afgelopen 5 jaren 2006-2010). (…)"

2.4.

In verband met de omvorming van participaties [D] tot units [E] heeft [E] een omrekeningstabel opgesteld:

"(…)

Date: January 3, 2012

The table provides an overview of the valuation per Ha per plantyear

NPV p/ha 2009: the valuation of Stichting [D] as has been distributed to all participants.

NPV p/ha [E] : the valuation of [E] based on data provided by Stichting [D]

Plant year

NPV p/ha 2009

NPV /ha [E]

1996

$ 29,741.49

$ 31,823.40

1997

$ 25,103.23

$ 26,860.46

1998

$ 49,727.80

$ 53,208.74

1999

$ 49,398.01

$ 52,855.87

2000

$ 24,219.87

$ 25,915.26

2001

$ 28,343.83

$ 30,327.89

2002

$ 37,015.23

$ 39,606.30

2003

$ 41,070.22

$ 43,945.14

2004

$ 48,216.07

$ 51,591.20

2005

$ 50,140.72

$ 53,650.57

2006

$ 50,609.32

$ 54,151.97

2007

$ 51,082.30

$54,658.07

2008

$ 51,559.71

$ 55,168.89

2009

$ 52,041.58

$ 55,684.49

Example calculation of the number of units issued:

An investor has 0.25Ha of plantyear 1996 and 0,50Ha of plantyear 2008

1996: 0.25 * US$ 31,823.40 = US$ 7,955.85

2008: 0.50 * US$ 55,168.89 = US$ 27,584.44

Total value of the investment is US$ 7,955.85 + US$ 27,584.44 = US$ 35,540.29

The unitprice at issue date is US$10.00

The number of units to be issued to this investor is US$ 35,540.29 / US$ 10.00 = # 3,554.03."

2.5.

Ter zitting van 4 juli 2019 heeft de Rechtbank de Inspecteur verzocht de waardering van de teakhoutbeleggingen in box 3 te onderbouwen. Bij brief ingekomen bij de Rechtbank op 18 juli 2019 heeft de Inspecteur aan dit verzoek voldaan.

2.5.1.

Met betrekking tot het jaar 2009 heeft de Inspecteur de waarde van de bij belanghebbende in bezit zijnde participaties [D] in 2009 in dollars berekend aan de hand van de in 2.4 vermelde tabel.

Plantjaar

Ha

NPV p ha 2009 in $

Waarde in $

1996

1,5

29.741,49

44.612,23

1997

2

25.103,23

50.206,46

1998

1,5

49.727,80

74.591,70

2001

3,5

28.343,83

99.203,41

2002

5,75

37.015,23

212.837,57

2004

3,75

48.216,07

180.810,26

2005

0,5

50.140,72

25.070,36

$ 687.733,99

Omgerekend bedraagt de waarde in euro’s op 1 januari 2009 volgens de Inspecteur € 495.985,85 (naar een dollarkoers van $ 1,3866).

2.5.2.

Met betrekking tot de waarde van de bij belanghebbende in bezit zijnde participaties [D] in de jaren 2010 en 2011 vermeldt de brief:

"Voor het jaar 2010 en 2011 zijn geen gegevens aanwezig. De waarde voor het jaar 2009 bedroeg € 491.375. Voor het jaar 2012 bedroeg de waarde conform de uitspraak van Hof Den Haag [Hof: ECLI:NL:GHDAH:2017:3585] € 495.985 [Hof: € 498.883, zie r.o. 7.2.2]. Voor de jaren 2010 en 2011 is uitgegaan van de waardering van € 491.000. Ik ben van mening dat uit het bovenstaande blijkt dat ik de waarde van [D] terecht op € 491.000 heb gesteld."

2.6.1.

Bij voormelde brief heeft de Inspecteur een tabel "Waarde-overzicht [C] / [F] 2009-2012" gevoegd (bijlage 4). Deze tabel bevat gegevens over de waarde per 1 januari 2009, 1 januari 2010, 1 januari 2011 en 1 januari 2012 van plantages die door [C] worden beheerd. De tabel maakt onderdeel uit van een tussen [C] en de Vereniging [J] ( [J] ) gesloten vaststellingsovereenkomst. De tabel luidt, voor zover hier van belang:

Kolom1

jaar

2009

2010

2011

2012

fiscale waarde/ha na heffing Brazilië in

plantjaar

plantage

(…)

1995

[G]

11.696

14.186

16.481

18.183

(…)

2000

[H]

9.317

11.301

13.129

14.484

(…)

2002

[I]

10.134

12.291

14.280

15.754

(…)

2.6.2.

De Inspecteur heeft aan de hand van de in 2.6.1 vermelde omrekeningstabel de gemiddelde waarde van de bij belanghebbende in bezit zijnde participaties [C] voor het jaar 2009 berekend op een bedrag van € 34.281.Voor de jaren 2010 en 2011 heeft de Inspecteur geen waarde in aanmerking genomen voor de participaties [C] . De Inspecteur heeft in voormelde brief aan de Rechtbank van 18 juli 2019 de volgende toelichting gegeven bij de berekening:

"Plantjaar

Plantage

Ha

Waarde 2009 per ha

Waarde 1/1/2009

1995

[G]

2 x 0,5

11.696

11.696

2000

[H]

1,2

9.317

11.180

2002

[I]

0,8

10.134

8.107

Totaal

30.983

Plantjaar

Plantage

Ha

Waarde 2010 per ha

Waarde 31/1/2009

1995

[G]

2 x 0,5

11.696

14.186

2000

[H]

1,2

9.317

13.561

2002

[I]

0,8

10.134

9.832

Totaal

37.579

De gemiddelde waarde van de bezittingen [C] bedroeg derhalve [Hof: (€ 30.983+€ 37.579):2=] € 34.281. Bij de aanslagregeling is evenwel € 51.500 in aanmerking genomen voor de participaties [C] . Blijkens de brief van 11 november 2015 (bijlage 9 bij het verweerschrift) is deze waarde gebaseerd op de waarde die gold voor de aanslag inkomstenbelasting 2007, die blijkens de beslissing op het hoger beroep van de jaren 2006 en 2007 afkomstig was uit de door belanghebbende ingediende aangifte voor het jaar 2006. Zie de uitspraak van het Hof Den Haag van 5 september 2014 (BK-SK-SGR 14/00093 en 14/00094) over de jaren 2006 en 2007 (bijlage 5).

Voor de jaren 2010 en 2011 is geen waarde in aanmerking genomen voor [C] , terwijl belanghebbende in die jaren nog wel over deze participaties beschikte. De waarde per 1 januari 2010 was € 37.597, terwijl de waarde per 31 december 2010 € 43.659 was. Dit betekent een gemiddelde waarde voor 2010 van € 40.628. Op de voor het jaar 2011 geldende peildatum van 1 januari 2011 bedroeg de waarde € 43.659. Zie ook de uitspraak van het Hof Den Haag van 5 september 2017 (BK-17/00389, bijlage 3) over het jaar 2012, waarin ook het Hof ervan uitgaat dat belanghebbende over deze participaties beschikt. Ik ben van mening dat gelet op het bovenstaande voor de participaties in [D] en [C] gezamenlijk niet een te hoge waarde in aanmerking is genomen."

2.7.

De stukken van het geding bevatten een brief van 14 februari 2012 betreffende het voornemen van de Inspecteur af te wijken van de door belanghebbende ingediende aangifte IB/PVV over het jaar 2008. De brief vermeldt voor zover van belang:

"U hebt mij geïnformeerd over uw voordeel uit sparen en beleggen. In de aangifte is een bedrag van € 24.243 aangegeven, waarover een percentage van 4 wordt genomen om het voordeel uit sparen en beleggen te berekenen. Voor investeringen in teakhout hebt u bij de waarden van overige bezittingen een bedrag aangegeven van € 35.625 op 1 januari 2008 en een bedrag van € 37.500 op 31 december 2008.

Uit mijn informatie blijkt dat de waarden van investeringen in teakhout op 1 januari 2008 € 505.782 en op 31 december 2008 € 505.782 moeten zijn. Dit betekent dat het bedrag waarover het voordeel uit sparen en beleggen wordt berekend te laag is. Ik ben dan ook van plan op dit punt van de aangifte af te wijken met een bedrag van € 469.220."

2.8.

De stukken van het geding bevatten een brief van 11 november 2015 van de Inspecteur aan belanghebbende betreffende de "bezwaren Inkomstenbelasting 2008 t/m 2011". De brief vermeldt onder meer:

"2008

De waarde waarop de definitieve aanslag is gecorrigeerd heeft als grondslag de waarde die is vastgesteld voor de aanslag inkomstenbelasting 2007. De waarde die dan wordt toegekend komt weer uit de waarde die pas naderhand is vastgesteld, namelijk in het jaar 2011. Ik ben van mening dat deze waarde nog laag is ingeschat omdat tot het jaar 2008 nog een zekere stijging van de economie is te zien ten opzichte van eerdere jaren. Ik heb geen andere documenten van u mogen ontvangen op basis waarvan ik kan vaststellen dat de waarde lager zou moeten zijn. Mocht dit toch lager zijn, dan verzoek ik u dit te onderbouwen met bescheiden. Derhalve ben ik voornemens het bezwaar op dit punt af te wijzen."

2.9.

Belanghebbende heeft voor de onderhavige jaren aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van:

2008

€ 969

2009

€ 323

2010

€ 760

2011

€ 1.259

2.10.

Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur het door belanghebbende in de onderhavige jaren aangegeven belastbaar inkomen uit sparen en beleggen als volgt gecorrigeerd.

Jaar 2008

2.10.1.

Voor het jaar 2008 heeft de Inspecteur de waarde van de bezittingen in de rendementsgrondslag verhoogd met € 469.220 ter zake van participaties teakwood. Na aftrek van het heffingvrije vermogen van € 20.315 bedraagt de voor belanghebbende vastgestelde grondslag sparen en beleggen € 493.463. De Inspecteur heeft in verband daarmee het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen bepaald op € 19.738.

Jaar 2009

2.10.2.

Voor het jaar 2009 heeft de Inspecteur de waarde van de bezittingen in de rendementsgrondslag verhoogd met € 542.500 ter zake van participaties teakwood (participaties [D] : € 491.000 en participaties [C] : € 51.500). Na aftrek van het heffingvrije vermogen van € 20.661 bedraagt de voor belanghebbende vastgestelde grondslag sparen en beleggen € 550.593. De Inspecteur heeft in verband daarmee het inkomen uit sparen en beleggen bepaald op € 22.023.

Jaar 2010

2.10.3.

Voor het jaar 2010 heeft de Inspecteur de waarde van de bezittingen in de rendementsgrondslag verhoogd met € 491.000 ter zake van participaties teakwood. Na aftrek van het heffingvrije vermogen van € 20.661 bedraagt de voor belanghebbende vastgestelde grondslag sparen en beleggen € 510.008. De Inspecteur heeft in verband daarmee het inkomen uit sparen en beleggen bepaald op € 20.400.

Jaar 2011

2.10.4.

Voor het jaar 2011 heeft de Inspecteur de waarde van de bezittingen in de rendementsgrondslag verhoogd met € 491.000 ter zake van participaties teakwood. Na aftrek van het heffingvrije vermogen van € 20.785 bedraagt de voor belanghebbende vastgestelde grondslag sparen en beleggen € 522.498. De Inspecteur heeft in verband daarmee het inkomen uit sparen en beleggen bepaald op € 20.899.

2.11.

Tot de gedingstukken behoort een brief van belanghebbende gericht aan de Belastingdienst Rotterdam van 28 februari 2018, ingekomen bij de Belastingdienst op 2 maart 2018. De brief vermeldt:

"Betreft: Aanslag Inkomstenbelasting 2009, 2010, 2011 nummer [B] ..

Mijnheer/mevrouw,

Nog de brieven van 11 november 2015 of 12 april 2016 hebben mij bereikt. Ik verzoek dan ook een nieuwe datum om tegen de uitspraken in beroep te gaan."

2.12.

Uit het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank van 4 juli 2019 volgt dat de Inspecteur het volgende heeft verklaard:

"Ik kan de verzending van de [uitspraak op bezwaar van 12 april 2016] niet aantonen. Er is geen lijst bijgehouden waaruit de verzending blijkt. De op 2 maart 2018 ontvangen brief is tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering."

2.13.

Uit het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank van 24 september 2019 volgt dat belanghebbende het volgende heeft verklaard:

"(…)

Ik kom ook in beroep tegen het jaar 2008. Ik heb nooit een uitspraak op bezwaar (…) van

[de Inspecteur] ontvangen. De [uitspraak op bezwaar] van 12 april 2016 heb ik op mijn verzoek in mei 2018 ontvangen. Van kantoor Den Haag heb ik nooit een [uitspraak op bezwaar] ontvangen. In mei 2018 ben ik ook op de hoogte gekomen van de [uitspraak op bezwaar] over het jaar 2008.

(…)

De brief van 23 december 2011 heb ik bij me. Dat is het moment waarop ik uit het eigendom ontzet ben. Tot 23 december 2011 had ik die rechten nog wel en dat geldt ook voor [C] .

(…)

U houdt mij voor dat ik zojuist heb verklaard de participaties tot 23 december 2011 in bezit te hebben gehad. Dat klopt, maar [C] heb ik sinds 2017 grotendeels niet meer.

(…)

Ten aanzien van [D] zou de berekening van [de Inspecteur] tot 23 december 2011 kunnen kloppen."

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft het volgende overwogen:

"Ontvankelijkheid beroep

(jaren 2009 tot en met 2011)

20. Alvorens de zaak inhoudelijk te beoordelen, dient de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep vast te stellen. De rechtbank stelt vast dat [de Inspecteur] bij uitspraken op bezwaar, gedateerd 12 april 2016, heeft beslist op de bezwaren van [belanghebbende] ten aanzien van de aan hem opgelegde aanslagen IB/PVV 2008 tot en met 2011. Gelet hierop moet het beroep van [belanghebbende] dus worden geacht zich te richten tegen de uitspraken op bezwaar van 12 april 2016. Dit betekent dat [de Inspecteur] de brief van [belanghebbende] van 28 februari 2018, voor de jaren 2009 tot en met 2011, had moeten aanmerken als een beroepschrift en moeten doorzenden aan de rechtbank. De rechtbank zal deze brief dan ook behandelen als beroep tegen de uitspraken op bezwaar van 12 april 2016 en beoordelen of dat beroepschrift ontvankelijk is voor deze drie jaren. Voor zover [de Inspecteur] daarna nog uitspraken op bezwaar heeft gedaan, gelden die geschriften niet als een uitspraak op bezwaar nu [de Inspecteur] niet zonder tussenkomst van de rechter een tweede uitspraak op bezwaar kon doen (zie Hoge Raad 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1516). Dit brengt mee dat de uitspraken op bezwaar van 25 oktober 2018 nietig zijn.

21. Nu er enkel beroep open staat tegen de uitspraken op bezwaar van 12 april 2016, moet beoordeeld worden of het beroepschrift ontvankelijk is. Nu [belanghebbendes] brief van 28 februari 2018 op 2 maart 2018 bij [de Inspecteur] is binnengekomen, dus meer dan zes weken na dagtekening van de uitspraken op bezwaar, is het beroep niet tijdig ingediend. [Belanghebbende] stelt echter dat hij de uitspraken op bezwaar niet heeft ontvangen. Het is dan ook aan [de Inspecteur] om aannemelijk te maken dat de uitspraken op bezwaar op het juiste adres zijn ontvangen of aangeboden. [De Inspecteur] heeft in dit verband echter ter zitting van 4 juli 2019 verklaard dat hij niet kan aantonen dat de uitspraken op bezwaar daadwerkelijk zijn verzonden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur] derhalve niet aannemelijk gemaakt dat de uitspraken op bezwaar op de juiste wijze zijn bekendgemaakt aan [belanghebbende].

22. Als, zoals hier het geval, het besluit of de uitspraak niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, vangt de termijn pas aan op het moment dat [belanghebbende] een afschrift van het besluit of de uitspraak onder ogen heeft gekregen (Hoge Raad 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3985). In een zodanig geval geldt niet de bij toepassing van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht te stellen eis dat het bezwaar of beroep zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is ingesteld (vgl. Hoge Raad 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:960). [Belanghebbende] heeft verklaard dat hij pas in mei 2018, na eerder telefonisch contact met [de Inspecteur] hierover, kopieën van de uitspraken op bezwaar heeft ontvangen. Gelet hierop acht de rechtbank het beroepschrift tijdig ingediend en daarmee ontvankelijk.

(jaar 2008)

23. In de brief van 28 februari 2018 wordt door [belanghebbende] niet de aanslag IB/PVV voor het jaar 2008 genoemd. Deze brief kan dan ook niet worden aangemerkt als een beroepschrift voor dat jaar. Nu [belanghebbende] heeft gesteld, en ter zitting van 24 september 2019 herhaald, in mei 2018 op de hoogte te zijn gekomen van de uitspraak op bezwaar middels de ontvangst van een afschrift ervan, is op dat moment de beroepstermijn gaan lopen. Nu [belanghebbende] pas in november 2018 beroep heeft ingesteld, en de rechtbank niet is gebleken dat [belanghebbende] een (verder) beroep op de verschoonbare termijnoverschrijding toekomt, is het beroep te laat ingediend. Het beroep betreffende de aanslag IB/PVV 2008 is dan ook niet-ontvankelijk. Gelet hierop komt de rechtbank in zoverre niet toe aan een beoordeling van de inhoudelijke beroepsgronden van [belanghebbende].

Onrechtmatig verkregen bewijs

24. Voor zover [belanghebbende] heeft gesteld dat [de Inspecteur] bij het vaststellen van de aanslagen IB/PVV gebruik heeft gemaakt van onrechtmatig verkregen bewijs, overweegt de rechtbank dat de aanslagen zijn gestoeld op materiaal dat onafhankelijk van de wil van [belanghebbende] bestaat. Wilsonafhankelijk materiaal kan gebruikt worden voor de belastingheffing (zie HR 21 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA8179 en HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1359). Van onrechtmatig verkregen bewijs acht de rechtbank geen sprake.

Waardering participaties

25. De rendementsgrondslag voor box 3 wordt bepaald door de waarde van de bezittingen te verminderen met de waarde van de schulden. Bezittingen en schulden worden in aanmerking genomen voor de waarde in het economisch verkeer. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich dat op [de Inspecteur] de last rust aannemelijk te maken dat de waarde van de participaties units [E] en [C] niet voor een te hoog bedrag in aanmerking zijn genomen.

26. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende vast komen te staan dat [belanghebbende] in de onderhavige jaren beschikte over de units [E] , zodat [de Inspecteur] terecht is afgeweken van de door [belanghebbende] ingediende aangiften. Ter zitting heeft [belanghebbende] in dat kader aangegeven de participaties [E] tot 23 december 2011 in zijn bezit te hebben gehad. Voor de bezittingen in box 3 is de waarde aan het begin van het kalenderjaar (peildatum) leidend, waardoor ervan uitgegaan kan worden dat [belanghebbende] houder is van units [E] bij aanvang van de onderhavige jaren. Dat de omvorming van de participaties in december 2011 ten onrechte zou hebben plaatsgevonden, dan wel zonder instemming van [belanghebbende] en in strijd met Boek 3 dan wel Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, doet daaraan niet af. Voor de belastingheffing is alleen van belang dat kan worden vastgesteld dat [belanghebbende] deelnemingsrechten in [E] heeft. Dergelijke rechten zijn bezittingen in de zin van artikel 5.3, tweede lid, van de Wet IB 2001. Voor zover [belanghebbende] bedoelt te stellen dat [D] een onrechtmatige daad jegens hem heeft gepleegd, geldt dat dit niet relevant is voor de beoordeling van het onderhavige belastinggeschil.

27. [ De Inspecteur] is ervan uitgegaan dat [belanghebbende] houder is van units [E] die bij aanvang van de onderhavige jaren het opbrengstrecht omvatten van 18,5 hectare teakbomen. [De Inspecteur] heeft de participaties in de onderhavige jaren voor een bedrag van € 491.000 tot de rendementsgrondslag gerekend en heeft hierbij gewezen op de in 3 vermelde brief. [De Inspecteur] heeft de waarde van de units [E] in dollars bepaald aan de hand van de door [E] ter beschikking gestelde omrekeningstabel. Uitgaande van de koers van 1 januari 2009 van 1.3866 USD per Euro heeft [de Inspecteur] de waarde van de units [E] per 1 januari 2009 berekend op € 491.375. Ter zitting heeft [belanghebbende] aangegeven dat deze waarde aardig zou kunnen kloppen.

28. Ter zitting heeft [belanghebbende] aangegeven dat hij alle participaties [C] in ieder geval tot begin 2017 in bezit heeft gehad en dat hij ter zake van die participaties in het jaar 2017 een uitkering heeft ontvangen voor het jaar 2016. De participaties [C] zijn door [de Inspecteur] enkel voor het jaar 2009 in aanmerking genomen. [De Inspecteur] heeft de waarde van die participaties bepaald aan de hand van de door [J] gepubliceerde waardetabel, opgenomen onder 6. De door [de Inspecteur] gehanteerde waardetabel maakt onderdeel uit van een tussen de Belastingdienst en de [J] gesloten vaststellingsovereenkomst, en bevat gegevens over de waarde van plantages die door [C] worden beheerd. Daarbij heeft [de Inspecteur] tot uitgangspunt genomen dat [belanghebbende] recht heeft op de kapopbrengst van percelen van 1 ha teakbomen in [G] , 1,2 ha in [H] en 0,8 ha in [I] .

29. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur] met het bovenstaande aannemelijk gemaakt dat de waarde van de deelnemingsrechten [E] en participaties [C] niet voor een te hoog bedrag in aanmerking zijn genomen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het recht op de opbrengsten van een aantal percelen met teakbomen, waarvan de ligging onduidelijk is, door [de Inspecteur] niet in de waardering zijn betrokken. Hetgeen [belanghebbende] heeft gesteld, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De stelling dat de deelnemingsrechten [E] en participaties [C] geen waarde hebben omdat deze tot en met het jaar 2011 niet hebben geleid tot uitkeringen en het niet in de verwachting ligt dat ooit uitkeringen zullen worden gedaan, heeft [belanghebbende] niet onderbouwd met bewijs(stukken). Dat in de door [belanghebbende] overgelegde “Participatie Certificaten” van [D] uit 2001 en 2002 enkel de ligging van de percelen is aangeduid en geen melding is gemaakt van de waarde van deze certificaten of percelen, maakt niet dat de percelen dan wel certificaten geen waarde vertegenwoordigen. De overgelegde certificaten betreffen immers slechts eigendomscertificaten. Hierbij overweegt de rechtbank dat voor zover [belanghebbende] bedoelt te stellen dat uitsluitend de daadwerkelijke uitkeringen in de vermogensrendementsheffing betrokken dienen te worden, deze stelling onjuist is. Het voordeel uit sparen en beleggen wordt namelijk op grond van artikel 5.2, eerste lid, Wet IB 2001 forfaitair bepaald aan de hand van de waarde van het saldo van de bezittingen en schulden.

Schending artikel 1 EP EVRM

30. [ Belanghebbende] heeft gesteld dat de deelnemingsrechten [E] en participaties [C] niet hebben geleid tot uitkeringen en dat het rendement van zijn bezittingen ver onder de 4% ligt. De rechtbank vat [belanghebbendes] betoog aldus op dat hij bedoelt te stellen dat de heffing over zijn box 3-inkomen in strijd is met artikel 1 van het EP bij het EVRM. Deze enkele stelling, die [belanghebbende] verder niet van enige onderbouwing heeft voorzien, acht de rechtbank onvoldoende om te komen tot het oordeel dat de vermogensrendementsheffing op regelgevend niveau in strijd is met 1 EP bij het EVRM. Voorts acht de rechtbank, nu een onderbouwing van [belanghebbendes] betoog ontbreekt, niet aannemelijk dat de vermogensrendementsheffing voor hem, in vergelijking met andere belastingplichtigen, een individuele en buitensporige last vormt.

31. Onder verwijzing naar ECLI:NL:GHDHA:2017:3585, r.o. 7.4.1 tot en met 7.4.5, overweegt de rechtbank voorts dat [belanghebbende] geen recht heeft op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting.

32. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de beschikkingen heffingsrente. [Belanghebbende] heeft geen afzonderlijke gronden tegen de beschikkingen heffingsrente aangevoerd. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken dat de heffingsrente is berekend in strijd met de wettelijke bepalingen of enige andere rechtsregel.

33. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de beroepen in zoverre ongegrond verklaard.

Verzoek om ambtshalve verminderingen

34. Bij uitspraken op bezwaar van 25 oktober 2018 heeft [de Inspecteur] het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. [De Inspecteur] heeft het bezwaar tevens aangemerkt als een verzoek tot ambtshalve vermindering voor de jaren 2009 tot en met 2011 en dat verzoek afgewezen. [Belanghebbende] heeft op 19 november 2018 beroep ingesteld tegen die uitspraken op bezwaar (tevens beslissing op verzoek tot ambtshalve vermindering). Ter zitting van 24 september 2019 hebben partijen ermee ingestemd dat de brief van 19 november 2018 wordt aangemerkt als rechtstreeks beroep (prorogatie) tegen de afwijzing van het verzoek tot ambtshalve vermindering voor deze drie jaren.

35. [ De Inspecteur] heeft het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen, omdat de aanslagen op grond van artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting 2001 niet ambtshalve verminderd kunnen worden nadat er vijf kalenderjaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. Nu [de Inspecteur] de brief met dagtekening 28 februari 2018 buiten de vijfjaarstermijn heeft ontvangen, heeft [de Inspecteur] het verzoek voor de jaren 2010 en 2011 terecht afgewezen. Het beroep is daarom in zoverre ongegrond verklaard. Aangezien op grond van artikel 9.6 van de Wet IB 2001 tegen een afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering enkel voor aanslagen over de jaren 2010 en later bezwaar en beroep open staat, heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard tot kennisneming van het beroep, voor zover het verzoek tegen het jaar 2009 is gericht.

36. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In geschil is voor het jaar 2008 of belanghebbende ontvankelijk is in zijn beroep en voor alle jaren of de aanslagen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

4.2.

Belanghebbende concludeert, zo begrijpt het Hof, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen van de onderhavige jaren.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Uitspraak op bezwaar

5.1.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 april 2016 beslist op de bezwaren van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslagen IB/PVV over de jaren 2008 tot en met 2011. Daarmee is de bezwaarfase beëindigd. Zoals de Rechtbank terecht heeft overwogen had de Inspecteur de brief van belanghebbende van 28 februari 2018 moeten aanmerken als beroepschrift en moeten doorzenden naar de Rechtbank. De 'tweede' uitspraak op bezwaar van 25 oktober 2018 heeft de Rechtbank dan ook terecht vernietigd (vgl. HR 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1516, BNB 2012/105).

Ontvankelijkheid beroep

5.2.1.

Belanghebbende heeft gesteld dat de uitspraak op bezwaar van 2 april 2016 hem voor het eerst in mei 2018 heeft bereikt. In die stelling ligt een betwisting van de (tijdige) verzending van de uitspraak op bezwaar besloten (vgl. HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102, BNB 2019/142). In dat geval rust op de Inspecteur de bewijslast dat de uitspraak op bezwaar tijdig en naar het juiste adres is verzonden.

5.2.2.

De Inspecteur heeft ter zitting bij de Rechtbank verklaard dat hij niet kan aantonen dat de uitspraak op bezwaar daadwerkelijk is verzonden (zie 2.12). Dit betekent dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de uitspraak op bezwaar op de juiste wijze bekend heeft gemaakt. Hiervan uitgaande vangt de beroepstermijn aan op de dag waarop belanghebbende een afschrift van de uitspraak onder ogen heeft gekregen (vgl. HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:960, BNB 2015/132).

5.2.3.

Nu ervan moet worden uitgegaan dat belanghebbende de uitspraak op bezwaar niet eerder dan op of rond 28 februari 2018, de dagtekening van zijn beroepschrift, onder ogen heeft gekregen, - een eerdere ontvangst is gesteld noch gebleken - is het beroep ingevolge artikel 6:10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) terecht ontvankelijk verklaard door de Rechtbank.

Jaar 2008

5.3.1.

De inhoud van de brief van 28 februari 2018 laat er geen twijfel over bestaan dat belanghebbende het niet eens is met de uitspraak op bezwaar van 2 april 2016 waarin zijn bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV 2008 tot en met 2011 zijn afgewezen en dat hij tegen die uitspraak in beroep heeft willen komen. Nu die uitspraak op bezwaar betrekking heeft op de aanslagen IB/PVV over de jaren 2008 tot en met 2011 geldt voormelde brief tevens als beroepschrift tegen de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de aanslag IB/PVV 2008 (vgl. HR 13 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3065, BNB 2010/11). Het enkele feit dat het onderwerp van de brief niet mede het jaar 2008 vermeldt, maakt niet dat aangenomen kan worden dat het beroep niet ook gericht was tegen dat jaar.

5.3.2.

Hetgeen hiervoor onder 5.2.1 tot en met 5.3.1 is overwogen brengt mee dat de Rechtbank belanghebbendes beroep met betrekking tot de aanslag IB/PVV over het jaar 2008 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

5.3.3.

Artikel 8:115, lid 1, onder a, Awb bepaalt dat het hof de zaak terugwijst naar de rechtbank die deze in eerste aanleg heeft behandeld indien de rechtbank de niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft uitgesproken en het hof deze uitspraak vernietigt met ontvankelijkverklaring van het beroep. Nu partijen ter zitting van het Hof te kennen hebben gegeven dat de zaak niet teruggewezen dient te worden naar de Rechtbank en het Hof hebben verzocht zelf in de zaak te voorzien, gaat het Hof ingevolge artikel 8:116 Awb niet over tot terugwijzing en zal het Hof de zaak zelf afdoen.

Inhoudelijke beoordeling

5.4.1.

Uit artikel 5.2, lid 1, in samenhang met artikel 5.3, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001; tekst 2008, 2009 en 2010) volgt dat de grondslag sparen en beleggen wordt gebaseerd op de gemiddelde waarde van de bezittingen minus de waarde van de schulden die een belastingplichtige heeft op 1 januari van het kalenderjaar en op 31 december van het kalenderjaar verminderd met het heffingvrije vermogen. Voor het jaar 2011 wordt, zoals de Rechtbank terecht heeft overwogen, de grondslag gebaseerd op de waarde van de bezittingen minus de waarde van de schulden op de peildatum 1 januari 2011 verminderd met het heffingvrije vermogen.

5.4.2.

Belanghebbende bestrijdt niet dat hij in de onderhavige jaren tot 23 december 2011 participaties [D] en participaties [C] had. Dergelijke participaties zijn bezittingen in de zin van artikel 5.3, lid 2, Wet IB 2001. Dit betekent dat de participaties [D] en [C] in de jaren 2008 tot en met 2011 betrokken dienen te worden in de grondslag sparen en beleggen.

5.4.3.

Dat de participaties [D] na 23 december 2011 - volgens belanghebbende: ten onrechte - zijn omgevormd in deelnemingsrechten [E] doet daaraan niet af. Voor de belastingheffing is slechts van belang dat kan worden vastgesteld dat belanghebbende op de genoemde peildata in 2008, 2009 en 2010 en 2011 participaties [D] had.

5.5.

Bezittingen en schulden worden in aanmerking genomen voor de waarde in het economisch verkeer. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich dat op de Inspecteur de last rust aannemelijk te maken dat de waarde van de participaties [D] en [C] niet voor een te hoog bedrag in aanmerking is genomen.

Waardering participaties - Jaar 2008

5.6.1.

De Inspecteur heeft de berekende waarde in het jaar 2008 van de participaties (€ 505.782) gemotiveerd in de brief van 14 februari 2012 (zie 2.7) en de brief van 11 november 2015 (zie 2.8). Uit laatstgenoemde brief volgt dat aan de door de Inspecteur berekende waarde met betrekking tot het jaar 2008 de waarde ten grondslag ligt die is vastgesteld ten aanzien van de participaties teakwood in de aanslag IB/PVV 2007. De waarde van de participaties teakwood is voor het jaar 2007 vastgesteld op een waarde van € 505.782. Deze waarde is conform de uitspraak van dit Hof van 2 september 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:3012, die onherroepelijk is geworden na het arrest van de Hoge Raad van 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:755) waarin de Hoge Raad de uitspraak van het Hof heeft bevestigd.

5.6.2.

Gelet op het in 5.6.1 overwogene en de totale waarde van de participaties teakwood die is vastgesteld voor het jaar 2009, te weten € 525.281 (€ 34.281 participaties [C] + € 491.000 participaties [D] ; zie r.o. 5.7.1 tot en met 5.9), heeft de Inspecteur de door hem vastgestelde waarde van de participaties in 2008 aannemelijk gemaakt.

Waardering participaties [C] - Jaar 2009

5.7.1.

Voor de waardebepaling van de participaties [C] is de Inspecteur ervan uitgegaan dat belanghebbende in de onderhavige jaren houder is van participaties die het opbrengstrecht omvatten van percelen van 1 hectare teakbomen in Fazenda [G] , 1,2 hectare teakbomen in [H] en 0,8 hectare teakbomen in [I] . De waarde van de participaties [C] heeft de Inspecteur bepaald aan de hand van de door [J] gepubliceerde waardetabel welke deel uitmaakt van een tussen de Belastingdienst en [J] gesloten vaststellingsovereenkomst en gegevens bevat over de waarde van plantages die door [C] worden beheerd (zie 2.6.1). Voor het jaar 2009 is de waarde berekend op € 34.281 (zie 2.6.2).

5.7.2.

Uit de door de Inspecteur berekende waarde van € 34.281 volgt dat de vastgestelde waarde van de participaties [C] van € 51.500 voor een bedrag van € 17.219 te hoog bedrag in aanmerking is genomen.

Waardering participaties [D] - Jaren 2009 tot en met 2011

5.8.1.

Voor de waardebepaling van de participaties [D] is de Inspecteur ervan uitgegaan dat belanghebbende in de onderhavige jaren houder is van participaties [D] die het opbrengstrecht omvatten van 18,5 hectare teakbomen. De Inspecteur heeft aan de hand van de tabel "NPV p/ha 2009" (zie 2.4) de waarde van de participaties in dollars bepaald op $ 687.733,99 (zie 2.4 en 2.5). Uitgaande van de koers van 1 januari 2009 van $ 1.3866 USD per euro heeft de Inspecteur de waarde van de participaties [D] per 1 januari 2009 berekend op € 495.985,85 (2.5.1).

5.8.2.

Voor de jaren 2010 en 2011 heeft de Inspecteur vermeld dat geen waardegegevens aanwezig zijn ten aanzien van de participaties [D] . Ter onderbouwing heeft de Inspecteur verwezen naar de per 1 januari 2009 berekende waarde en de in de uitspraak van dit Hof (ECLI:NL:GHDHA:2017:3585, onherroepelijk geworden na het arrest van de Hoge Raad ECLI:NL:HR:2018:464) vastgestelde waarde van € 498.883 voor het jaar 2012.

5.8.3.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur met het bovenstaande aannemelijk gemaakt dat de waarde van de participaties [D] van € 491.000 voor elk van de jaren 2009 tot en met 2011 niet voor een te hoog bedrag in aanmerking is genomen.

5.8.4.

Hetgeen belanghebbende heeft gesteld, leidt niet tot een ander oordeel. Ten aanzien van de stelling dat in de door [E] gepubliceerde waardetabellen slechts een theoretische waarde is opgenomen en de werkelijke waarde lager dan wel nihil is, geldt dat belanghebbende geen bewijs heeft bijgebracht waarmee aannemelijk kan worden gemaakt dat in de onderhavige jaren van een lagere waarde moet worden uitgegaan. Voor zover belanghebbende met zijn verwijzing naar het voorzichtigheidsbeginsel in artikel 3:384 van het Burgerlijk Wetboek bedoeld heeft te stellen dat uitsluitend de daadwerkelijke uitkeringen in de vermogensrendementsheffing betrokken mogen worden, kan deze stelling niet worden gevolgd. Het voordeel uit sparen en beleggen wordt namelijk op grond van artikel 5.2, lid 1, Wet IB 2001 forfaitair bepaald aan de hand van de waarde van het saldo van de bezittingen en schulden.

5.9.

Hetgeen hiervoor onder 5.7.1. tot en met 5.8.4. is overwogen brengt mee dat de rendementsgrondslag sparen en beleggen voor de jaren 2010 en 2011 juist is vastgesteld en die voor het jaar 2009 moet worden verminderd tot € 533.374 (participaties [D] : € 491.000, participaties [C] : 34.281, reeds aangegeven in de aangifte: € 8.093). Hiervan uitgaande bedraagt het belastbare inkomen uit sparen en beleggen 2009 € 21.334 (4% x € 533.372).

Schending artikel 1 EP EVRM

5.10.

Voor zover belanghebbende ook in hoger beroep stelt dat het behaalde rendement van de participaties ver onder de 4% ligt en in dit verband uit de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129, BNB 2016/177 en 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, BNB 2019/161 volgt dat de vermogensrendementsheffing in strijd is met artikel 1 EP EVRM, faalt deze stelling op de gronden die de Rechtbank in r.o. 30 van haar uitspraak heeft gegeven.

Aftrek ter voorkoming van dubbele belasting

5.11.

Voor zover belanghebbende in hoger beroep stelt dat hij recht heeft op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting faalt deze stelling op de gronden die het Hof heeft gegeven in zijn uitspraak van 5 september 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3585 (r.o. 7.4.1 tot en met 7.4.5) in het geding tussen belanghebbende en de Inspecteur.

Verzoek om ambtshalve vermindering

5.12.

Voor zover in hoger beroep de afwijzing van de verzoeken om ambtshalve verminderingen voor de jaren 2009 tot en met 2011 nog in geschil is, sluit het Hof zich aan bij het oordeel en de gronden die de Rechtbank in r.o. 34 en 35 van haar uitspraak heeft gegeven.

Heffingsrente

5.13.

Tegen de beschikkingen heffingsrente zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat de heffingsrente, behoudens een vermindering als gevolg van de vermindering van de belastbare inkomens uit sparen en beleggen voor het jaar 2009, ten onrechte of op onjuiste wijze in rekening is gebracht.

Slotsom

5.14.

Het hoger beroep is voor het jaar 2009 gegrond en voor de jaren 2008, 2010 en 2011 ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

6.1.

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten aangezien gesteld noch gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

6.2.

Wel dient aan belanghebbende het voor de behandeling voor de Rechtbank gestorte griffierecht van € 46, alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 128 te worden vergoed.

Beslissing

Het gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing ten aanzien van het beroep betreffende de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2010 en 2011, de beslissing ten aanzien van het beroep betreffende de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2009, 2010 en 2011 en de beslissing tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar van 25 oktober 2018;

  • -

    verklaart het beroep ten aanzien van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2008 ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep ten aanzien van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2009 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar van 12 april 2016, behoudens de beslissing voor de jaren 2008, 2010 en 2011;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV voor het jaar 2009 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.040 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 21.334;

  • -

    vermindert de beschikking heffingsrente over het jaar 2009 dienovereenkomstig; en

  • -

    gelast de Inspecteur het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 174 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door H.A.J. Kroon, P.J.J. Vonk en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra. De beslissing is op 18 augustus 2020 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.