Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1549

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
BK-19/00352
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Inspecteur heeft de door belanghebbende over de jaren 2012 tot en met 2015 in aftrek gebrachte alimentatie voor de ex-partner gecorrigeerd door middel van navorderingaanslagen IB/PVV.

Het Hof oordeelt dat de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Er is sprake van een nieuw feit. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door hem aan zijn ex partner gedane uitkeringen in rechte vorderbaar zijn en evenmin dat de door hem in aftrek gebrachte bedragen waren bedoeld als partneralimentatie. Voor zover belanghebbende een beroep doet op het vertrouwensbeginsel faalt dit omdat geen sprake is van een weloverwogen standpuntbepaling van de Inspecteur.

Voorts oordeelt het Hof dat de belastingrente terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Voor een vermindering is geen aanleiding nu de rente is berekend volgens de bepalingen van Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 02-09-2020
V-N Vandaag 2020/2065
FutD 2020-2500
V-N 2020/57.31.6
NTFR 2021/404
NLF 2020/1949 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK19/00352

Uitspraak van 18 augustus 2020

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Den Haag, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: [A] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 16 april 2019, nr. SGR 18/5320.

Procesverloop

1.1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2012 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 57.700. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 265 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.1.2.

Aan belanghebbende is over het jaar 2013 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.687. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 243 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.1.3.

Aan belanghebbende is over het jaar 2014 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 64.660. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 168 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.1.4.

Aan belanghebbende is over het jaar 2015 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 71.392. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 94 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de voormelde navorderingsaanslagen afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De griffier van de Rechtbank heeft een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 128. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 14 juli 2019, ingekomen bij het Hof op 16 juli 2019, heeft belanghebbende zijn hogerberoepschrift aangevuld. Een afschrift van het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank is door de griffier van het Hof op 18 juli 2019 verzonden naar partijen.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 juli 2020. Belanghebbende is verschenen. De Inspecteur is niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.6.

In een e-mailbericht van 9 juli 2020 heeft de Inspecteur toegelicht dat zij niet bij de mondelinge behandeling van de zaken aanwezig was omdat bij haar verwarring was ontstaan over de zaal waar de zitting zou plaatsvinden. In een reactie op dat bericht heeft het Hof haar bericht het jammer te vinden dat zij niet is verschenen, maar geen aanleiding te zien het onderzoek te heropenen.

Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft van januari 1992 tot en met augustus 2003 samengewoond met [B] . Ze hebben samen twee kinderen, [C] , geboren op 19 februari 1990 en [D] , geboren op 9 juni 1994. De kinderen stonden in de Basisregistratie Personen (BRP) in de onderhavige jaren ingeschreven op het adres van [B] .

2.2.

In zijn aangiften IB/PVV over de onderhavige jaren heeft belanghebbende telkens een bedrag van € 3.600 in aftrek gebracht voor betaalde alimentatie en andere onderhoudsverplichtingen voor de ex-partner.

2.3.

Bij brief van 11 maart 2017 heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht nadere informatie te verstrekken over het in de aangifte IB/PVV 2015 in aftrek gebrachte alimentatiebedrag voor de ex-partner.

2.4.

In reactie daarop heeft belanghebbende bij brief van 20 maart 2020 de Inspecteur een overzicht van afschrijvingen van de bankrekening van belanghebbende bij de ING bank toegezonden. Op het overzicht is te zien dat in 2015 elke maand een bedrag van € 300 is overgemaakt naar het rekeningnummer van [B] met de omschrijving "voor [C] en [D] ".

2.5.

Bij brief van 3 april 2017 informeert de Inspecteur belanghebbende dat hij voornemens is een navorderingsaanslag op te leggen over het jaar 2015 waarbij hij het belastbaar inkomen van dat jaar zal verhogen met het in aftrek gebrachte bedrag van € 3.600. De brief vermeldt, voor zover van belang:

"Uit uw reactie blijkt dat de maandelijkse betaling bedoeld zijn voor de kinderen [D] en [C] . Deze hebben beiden recht op studiefinanciering.

Als het om alimentatie gaat voor [B] dan moet er een afspraak en of convenant aanwezig zijn waaruit blijkt dat u maandelijks een bedrag moet overmaken."

2.6.

Bij brief van 21 april 2017 geeft de Inspecteur een nadere toelichting op zijn voornemen tot het opleggen van een navorderingsaanslag. De brief vermeldt, voor zover van belang:

"In de brief van 03-04-2017 heb ik aangegeven dat ik zal afwijken van de aangifte omdat alimentatie voor de kinderen in 2015 niet meer aftrekbaar is. De aftrekpost levensonderhoud kinderen is per 2015 vervallen. Van de ex partner heb ik duidelijk te horen gekregen dat dit bedoeld is voor de kinderen. Dat is ooit afgesproken. Deze stelling wordt ondersteund door het bankafschrift waarin is vermeld dat de maandelijkse betaling gericht is t.b.v. [C] en [D] . De ex partner heeft gezegd dat ze voldoende inkomsten heeft om zichzelf in haar levensonderhoud te voorzien."

2.7.

Bij brieven van 12 april 2017 heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht nadere informatie te verstrekken over het in de aangiften IB/PVV 2012, 2013 en 2014 in aftrek gebrachte alimentatiebedrag voor de ex-partner.

2.8.

In reactie op voormelde verzoeken heeft belanghebbende overzichten van afschrijvingen van de bankrekening van belanghebbende bij de ING bank van de jaren 2012 tot en met 2014 gezonden naar de Inspecteur. Op de overzichten zijn de bedragen te zien die belanghebbende in de betreffende jaren heeft overgemaakt naar het rekeningnummer van [B] . De omschrijvingen zijn door belanghebbende weggelakt.

2.9.

Bij brieven van 19 juni 2017 informeert de Inspecteur belanghebbende dat hij voornemens is eveneens over de jaren 2012, 2013 en 2014 een navorderingsaanslag op te leggen. Het belastbaar inkomen van elk van die jaren is verhoogd met het in aftrek gebrachte bedrag van € 3.600. De brieven vermelden onder meer:

"Uw reactie geeft mij aanleiding om een navordering op te leggen, omdat uit uw reactie niet blijkt dat de alimentatie uitsluitend voor de kinderen bestemd is. Alimentatie voor kinderen is niet aftrekbaar. Hiervoor is de aftrekpost levensonderhoud kinderen. Deze aftrekpost is alleen mogelijk als de kinderen geen kinderbijslag of studiefinanciering krijgen of recht hebben op studiefinanciering. Uit onze gegevens blijkt dat ze beiden studiefinanciering hebben. U kunt geen aftrekpost levensonderhoud kinderen aangeven. Er is geen convenant of schriftelijke afspraak. Ik moet uitgaan van wat u vermeld en uw ex partner vermeld. U heeft er destijds voor gekozen om niets vast te leggen en het is niet mijn taak om dit uit te zoeken. Ik ben geen partij in deze. Ik heb vragen gesteld over de aangifte 2013 van [B] . Reden is dat bij aftrek alimentatie 2 aangiften beoordeeld moeten worden. De aangifte van u en van uw ex partner. Ik heb mede rekening gehouden van de telefonische verklaring van de ex partner [B] . Zij heeft verteld dat de scheiding buiten een advocaat is geregeld en dat de alimentatie voor de kinderen is. Deze verklaring wordt ondersteund door de bankafschriften waarin duidelijk is vermeld dat de betaling van € 300,- per maand bestemd is voor de kinderen [D] en [C] . Dat staat op de bankomschrijving in 2015 en voor de jaren 2012, 2013 en 2014 is de omschrijving bewust met Tipex bewerkt. Ik leg de aangekondigde navorderingsaanslag daarom op."

2.10.

Op 12 juni 2018 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. Het verslag van dit gesprek vermeldt, onder meer:

"Belanghebbende sprak zijn ongenoegen uit over de gang van zaken bij het opleggen van de navorderingsaanslagen. De brieven waren niet volledig en enkele brieven zijn bij hem nooit aangekomen. Ook is in de aankondigingen gesteld dat een echtscheidingsconvenant verplicht is om in aanmerking te komen voor aftrek van betaalde alimentatie. Hij is van mening dat een echtscheidingsconvenant niet wettelijk verplicht is.

Desgevraagd verklaarde [belanghebbende] dat hij en zijn ex-partner niet gehuwd waren, geen geregistreerd partnerschap waren aangegaan en dat er geen samenlevingscontract was opgesteld. Bij beëindiging van de samenwoningsrelatie is geen convenant opgemaakt. Belanghebbende geeft aan dat hij zich moreel verplicht voelde om te voorzien in de levensonderhoud van zijn ex-partner, omdat zij samen kinderen hebben.

Verder gaf [belanghebbende] aan dat de betalingen al jaren automatisch van zijn rekening worden afgeschreven. Bij opdracht geven voor de automatische afschrijving is toentertijd bij de omschrijving de naam van de kinderen vermeld, dit is nooit aangepast. Belanghebbende verklaarde dat hij zelf de omschrijving op de afschrijvingen heeft weggelakt.

[Belanghebbende] geeft aan dat hij een berekening van de in rekening gebrachte belastingrente wenst te ontvangen. Het is voor hem niet na te gaan hoe de belastingrente wordt berekend."

2.11.

Bij de uitspraak op bezwaar van 18 juli 2018 zijn berekeningen gevoegd van de bij de navorderingsaanslagen in rekening gebrachte belastingrente. In de uitspraak op bezwaar is over de belastingrente vermeld:

"De Belastingdienst is wettelijk verplicht belastingrente in rekening te brengen bij een te betalen belastingbedrag of belastingrente te vergoeden bij een teruggave van belasting. De belastingrente wordt berekend vanaf 1 juli tot de uiterste betaaldatum van de navorderingsaanslag.

Overzicht percentages belastingrente

Periode 1 januari 2012

tot 1 juli 2012

4%

Periode 1 juli 2012

tot 1 april 2014

3%

Periode 1 april 2014

tot 1 oktober 2018

4%

(…)

Berekeningen van de belastingrente heb ik als bijlage toegevoegd."

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft overwogen:

" Nieuw feit

5. Allereerst is in geschil of [de Inspecteur] de navorderingsaanslagen heeft mogen opleggen, meer specifiek of hij beschikt over een navordering rechtvaardigend nieuw feit als bedoeld in artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).

Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een nieuw feit, dient beoordeeld te worden of sprake is van feiten die bij het opleggen van de definitieve aanslag reeds bij [de Inspecteur] bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat [de Inspecteur] er in het algemeen op mag vertrouwen dat een aangifte correct is ingevuld en dat alleen indien gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de juistheid van de in de aangifte vermelde gegevens, verweerder een nader onderzoek dient in te stellen (vgl. Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

6. De rechtbank is van oordeel dat de aangiften van [belanghebbende] over de jaren 2012 tot en met 2015 voor [de Inspecteur] geen aanleiding hoefden te zijn om een nader onderzoek in te stellen. Hierbij speelt mede een rol dat de aangiften op consequente wijze werden ingevuld, er geen bijzonderheden in voorkwamen en dat daarin telkens een bedrag aan alimentatie ten behoeve van de ex-partner werd vermeld. [Belanghebbende] heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen op grond waarvan [de Inspecteur], na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangiften, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoorde te twijfelen (vgl. Hoge Raad 11 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1005). Omstandigheden die voor [de Inspecteur] aanleiding hadden moeten zijn om voor de onderhavige jaren al eerder een nader onderzoek te doen, zijn aldus niet gebleken.

7. [ De Inspecteur] heeft ter zitting toegelicht dat op basis van bepaalde signalen nader onderzoek is gedaan naar aangiften die op papier werden gedaan. Naar de rechtbank begrijpt kwam het bij deze papieren aangiften dikwijls voor dat er aftrekposten in aanmerking werden genomen die bij nader onderzoek ten onrechte bleken te zijn opgevoerd. Met behulp van een query zijn deze aangiften geselecteerd en aan een nader onderzoek onderworpen. Omdat [belanghebbende] ook op papier aangifte deed is ook zijn aangifte over 2015 nader gecontroleerd. In dit kader is op 11 maart 2017 aan [belanghebbende] een vragenbrief gestuurd. Op grond van [belanghebbendes] antwoord en het meegestuurde overzicht van bankafschriften, heeft [de Inspecteur] telefonisch contact opgenomen met de ex-partner van [belanghebbende]. Deze zou hebben verklaard dat de bedragen bedoeld waren voor de kinderen.

De rechtbank acht aannemelijk dat [de Inspecteur] eerst naar aanleiding van de van [belanghebbende] en zijn ex-partner verkregen informatie bekend is geworden met het feit dat (mogelijk) geen sprake was van partneralimentatie. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voor de onderhavige jaren sprake van een navordering rechtvaardigend nieuw feit. Daaraan doet niet af dat de bedragen die [belanghebbende] in zijn aangifte in aftrek heeft gebracht - en anders dan in het geval van diverse andere papieren aangiften die aanleiding waren voor het onderzoek door de Belastingdienst - wel degelijk door hem zijn betaald.

Navorderingsaanslagen

8. Op grond van artikel 6.3, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet IB 2001 behoren tot de onderhoudsverplichtingen in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen die berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud.

9. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich dat [belanghebbende] de feiten en omstandigheden aannemelijk maakt waaruit volgt dat de door hem gedane betalingen kunnen worden aangemerkt als aan zijn ex-partner gedane betalingen in het kader van onderhoudsverplichtingen als bedoeld in artikel 6.3 Wet IB 2001.

[Belanghebbende] heeft ter zitting verklaard dat er geen schriftelijke vastlegging is van de afspraak met zijn ex-partner om aan haar € 300 per maand partneralimentatie te betalen. Uit de verklaring van [de Inspecteur] begrijpt de rechtbank dat de ex-partner telefonisch aan [de Inspecteur] heeft verklaard dat de door [belanghebbende] overgemaakte bedragen niet voor haar bestemd waren maar voor de kinderen. Hoewel hiervan geen telefoonnotitie in het dossier voorkomt acht de rechtbank aannemelijk dat een dergelijke verklaring door de ex-partner is afgelegd nu ook op de door [belanghebbende] overgelegde bankafschriften bij de overmakingen telkens staat vermeld ‘voor [C] en [D] ’.

10. Nog daargelaten dat [belanghebbende] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de uitkeringen in rechte vorderbaar zijn en aldus reeds daarom geen recht op aftrek bestaat, heeft [belanghebbende] gelet op het vorenstaande onder 9 evenmin aannemelijk gemaakt dat de door hem in aftrek gebrachte bedragen waren bedoeld als partneralimentatie.

11. Dat [belanghebbende] bij die stand van het geding voor de jaren 2012 tot en met 2014 eventueel zou voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 6.13, eerste lid, van de Wet IB 2001, waarin de aftrek is geregeld voor uitgaven voor levensonderhoud van kinderen die ten minste in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden, is gesteld noch gebleken. Ook in dat verband bestaat dus geen recht op aftrek.

Belastingrente

12. [ Belanghebbende] stelt zich voorts op het standpunt dat [de Inspecteur] de belastingrente op nihil moet stellen. [Belanghebbende] heeft echter geen gronden aangevoerd waarom de belastingrente op nihil zou moeten worden gesteld. Artikel 30fc, eerste lid, van de Awr bepaalt dat als een belastingaanslag met een te betalen bedrag na 1 juli na afloop van het belastingjaar wordt vastgesteld, rente in rekening wordt gebracht. Dit geldt ook voor navorderingsaanslagen. Gesteld noch gebleken is dat de belastingrente in strijd met de overige bepalingen in hoofdstuk VA van de Awr is berekend. [Belanghebbendes] kritiek op het renteoverzicht, dat ter voorlichting aan hem in de bezwaarfase is toegezonden, maakt het bovenstaande niet anders. De rechtbank heeft geen reden aan de inhoud van dat overzicht te twijfelen.

[Belanghebbendes] stelling met betrekking tot ‘spaarbelasting’ kan de rechtbank niet volgen. Op grond van het bepaalde in artikel 30fa AWR kan onder voorwaarden rente worden vergoed aan een belastingplichtige in het geval van een negatief bedrag aan de betalen belasting. Dit is in het geval van [belanghebbende] niet aan de orde.

Beslistermijn

13. [ De Inspecteur] heeft het bezwaarschrift van [belanghebbende] ontvangen op 1 oktober 2017. De uitspraak op bezwaar is van 18 juli 2018. Deze termijn is niet zodanig lang dat daaraan consequenties moeten worden verbonden. Voor zover daarin een verzoek om toekenning van vergoeding van immateriële schade ligt besloten, is de rechtbank van oordeel dat daarvoor geen aanleiding bestaat gelet op de omstandigheid dat de rechtbank binnen twee jaar na de indiening van het bezwaarschrift uitspraak doet.

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Klachten

15. Zoals ook ter zitting is toegelicht kan de rechtbank geen oordeel geven over de door [belanghebbende] ten aanzien van medewerkers van de Belastingdienst ingediende klachten. Daarvoor is een afzonderlijke (klachten) procedure bij de Belastingdienst de aangewezen weg.

Ook de overige grieven van eiser, die zien op slordigheden van de Belastingdienst in de weergave van namen en jaartallen maken niet dat [de Inspecteur] in redelijkheid niet tot navordering mocht overgaan.

Proceskosten

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In geschil is of de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Verder is in geschil of terecht en naar de juiste bedragen belastingrente in rekening is gebracht. Belanghebbende beantwoordt de vragen ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

4.2.

Belanghebbende concludeert, zo begrijpt het Hof, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar, de navorderingsaanslagen en de beschikkingen belastingrente.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Beoordeling van het hoger beroep

De navorderingsaanslagen

5.1.

Het Hof leest het hoger beroepschrift van belanghebbende aldus dat hij zich op het standpunt stelt:

"dat er geen sprake is van een nieuw feit, omdat hij reeds vanaf 2003 partneralimentatie betaald en deze in die jaren telkens via de aangiften IB/PVV heeft afgetrokken. [Belanghebbende] is hierdoor in de waan terecht gekomen dat deze aftrekpost legitiem is en er geen reden was deze in de daarop volgende jaren te herzien. In redelijkheid kan daarom geen belastingrente in rekening worden gebracht. [Belanghebbende] heeft ter goedertrouw en naar beste eer en geweten zijn aangiftes ingevuld en kon in redelijkheid niet weten dat de aftrekpost niet legitiem was."

5.2.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat voor de onderhavige jaren sprake is van een navordering rechtvaardigend nieuw feit. Het Hof sluit zich aan bij dit oordeel en de gronden waarop dit oordeel berust.

5.3.1.

Voor zover belanghebbende in hoger beroep bedoelt te stellen dat het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan het opleggen van de navorderingsaanslagen omdat hij aan de omstandigheid dat zijn aangiften IB/PVV op het punt van de in aftrek gebrachte alimentatie voor de ex-partner jarenlang zijn gevolgd het in rechte te beschermen vertrouwen heeft ontleend dat dit ook voor de onderhavige jaren gebeurt, kan het Hof hem niet volgen in zijn standpunt.

5.3.2.

Voor een in rechte te beschermen vertrouwen is meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de Inspecteur gedurende een aantal jaren bij het vaststellen van de aanslag op een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd. De gerechtvaardigdheid van het vertrouwen hangt af van de waardering van - in onderlinge samenhang te beoordelen - omstandigheden die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat een door de inspecteur gedurende een aantal jaren gevolgde gedragslijn berust op een weloverwogen standpuntbepaling (vgl. HR 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179, BNB 1990/119). Dat sprake is van een weloverwogen standpuntbepaling van de Inspecteur op het punt van de aftrek van partneralimentatie is gesteld noch gebleken.

5.4.

Voor zover al, zoals belanghebbende stelt, sprake is van slordigheden van de Inspecteur met betrekking tot namen en jaartallen, kan dit, anders dan belanghebbende kennelijk meent, niet leiden tot vernietiging van de navorderingsaanslagen.

5.5.

De Rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat geen recht op aftrek van partneralimentatie bestaat nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem aan zijn ex partner gedane uitkeringen in rechte vorderbaar zijn en dat de door hem in aftrek gebrachte bedragen waren bedoeld als partneralimentatie. In hoger beroep zijn geen feiten en omstandigheden gesteld of gebleken die tot een andere conclusie leiden.

5.6.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt het Hof tot de conclusie dat de navorderingsaanslagen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd aan belanghebbende.

De belastingrente

5.7.1.

Op grond van artikel 30fc, lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) wordt aan belastingplichtigen belastingrente in rekening gebracht indien een navorderingsaanslag inkomstenbelasting wordt vastgesteld na zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarover belasting moet worden (bij)betaald. De belastingrente wordt berekend over het tijdvak dat aanvangt zes maanden na het kalenderjaar tot de uiterste betaaltermijn van de navorderingsaanslag en eindigt op de dag waarop de navorderingsaanslagen invorderbaar worden (artikel 30fc, lid 2 AWR).

5.7.2.

Uit de bij de uitspraak op bezwaar gevoegde bijlage (zie 2.11) volgt dat de belastingrente bij elk van de navorderingsaanslagen is berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 30fc AWR, dat wil zeggen over het te betalen bedrag aan belasting en over een tijdvak dat begint zes maanden na het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag waarop de navorderingsaanslagen invorderbaar worden.

5.7.3.

Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie leiden dat de beschikkingen belastingrente vernietigd dan wel verminderd moeten worden.

Voor zover belanghebbende bedoelt te betogen dat de toepassing van deze regelgeving onredelijk of onbillijk is, overweegt het Hof dat ingevolge artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb. 1822, 10 en Stb 1829, 28) de rechter volgens de wet moet rechtspreken en in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen.

Uit het door belanghebbende in hoger beroep toegezonden bezwaarschrift tegen de in rekening gebrachte invorderingsrentes bij de onderhavige navorderingsaanslagen volgt, anders dan belanghebbende kennelijk betoogt, evenmin dat de bij de navorderingsaanslagen in rekening gebrachte belastingrentes onjuist zouden zijn berekend.

5.8.

Voor zover belanghebbende met de toezending van voormeld bezwaarschrift zijn bezwaar tegen de invorderingsrente heeft willen betrekken in deze hogerberoepsprocedure, geldt dat de invorderingsrente geen onderwerp van geschil kan vormen in dit hoger beroep tussen belanghebbende en de Inspecteur.

Uit artikel 3, lid 2 in verbinding met artikel 30 van de Invorderingswet 1990 volgt dat de ontvanger, en derhalve niet de Inspecteur, bevoegd is als procespartij op te treden in rechtsgedingen over de vastgestelde invorderingsrente. Dit betekent dat belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de ontvanger ter zake de invorderingsrente afzonderlijk beroep (had) moet(en) instellen.

Klachten tegen medewerkers Belastingdienst

5.9.

Belanghebbende kan zijn klachten over medewerkers indienen bij de Belastingdienst. Voor zover bij belanghebbende vragen of onduidelijkheden bestaan over de klachtenprocedure kan hij hierover contact opnemen met de Inspecteur/Belastingdienst.

Slotsom

5.10.

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

Het Hof ziet geen reden één van de partijen te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, P.J.J. Vonk en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra. De beslissing is op 18 augustus 2020 in het openbaar uitgesproken. Wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door raadsheer Vonk.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.