Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1449

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
31-08-2020
Zaaknummer
200.248.860/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:6422, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

overeenkomst van opdracht tot het verlenen van thuiszorg; urenverantwoording; redelijk loon in het licht van de door de zorgverzekeraar geboden vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.248.860/01

Rolnummer rechtbank : 6660329\ CV EXPL 18-5693

arrest van 11 augustus 2020

inzake

[appellante], handelend onder de naam [handelsnaam],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. B. Anik te Arnhem,

tegen

[geïntimeerde], handelend onder de naam [handelsnaam],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. D.L.A. van Voskuilen te Rotterdam.

Het geding

Voor het verloop van het geding tot 19 februari 2019 verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum, waarin een comparitie van partijen na aanbrengen is gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 9 mei 2019; hiervan is een proces-verbaal opgemaakt. [appellante] heeft vervolgens een memorie van grieven (met producties) genomen, waarin zij vijf grieven tegen het bestreden vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam (hierna: de kantonrechter) heeft aangevoerd. [geïntimeerde] heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden. Nadat door [appellante] aanvankelijk (opnieuw) een comparitie van partijen was verzocht, hebben beide partijen vervolgens arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de feiten zoals deze door de kantonrechter onder 2.1 tot en met 2.6 van het vonnis zijn vastgesteld, nu de juistheid hiervan in hoger beroep niet is bestreden.

2. Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende. Zowel [appellante] als [geïntimeerde] exploiteert een thuiszorgonderneming. [geïntimeerde] heeft in de periode februari tot en met juni 2016 zorg verleend aan [de cliënte], een cliënte van [appellante]. [geïntimeerde] heeft [appellante] hiervoor een factuur gestuurd van € 4.080,00. Partijen twisten erover of [appellante] deze factuur moet betalen, en zo ja of het aantal in rekening gebrachte uren en het uurtarief juist zijn. De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde] tot betaling van de factuur, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke handelsrente, toegewezen tot een totaalbedrag van € 4.972,93. [appellante] is hiervan in hoger beroep gekomen.

3. De grieven 1 en 2 richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] aan [de cliënte] zorg heeft verleend in opdracht van [appellante]. Volgens [appellante] was er geen sprake van een overeenkomst van opdracht, maar van een door [geïntimeerde] verleende vriendendienst. [appellante] voegt hieraan toe dat de kantonrechter [geïntimeerde] ten onrechte niet heeft belast met het bewijs op welke wijze de overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen. Subsidiair stelt [appellante] dat zij de overeenkomst tot opdracht in maart 2016 heeft opgezegd, maar dat [geïntimeerde] daar geen gehoor aan heeft gegeven en desondanks zorg is blijven leveren aan [de cliënte].

Het hof verwerpt de grieven 1 en 2. Vast staat dat zowel [appellante] als [geïntimeerde] een onderneming exploiteert die zich bezighoudt met het verlenen van thuiszorg. [appellante] heeft niet weersproken dat zij de door [geïntimeerde] aan [de cliënte] verleende zorg heeft gedeclareerd bij haar hoofdzorgaanbieder, de Stichting [de stichting] te Nijmegen, die hiervoor op haar beurt – naar het hof begrijpt – een vergoeding heeft gekregen van de zorgverzekeraar Menzis. Dat [geïntimeerde] de door haar over een periode van vijf maanden verleende zorg aan [de cliënte], een cliënte van [appellante], heeft geboden als vriendendienst, dus zonder hiervoor enige betaling te verwachten, ligt in die omstandigheden niet voor de hand en mocht [appellante] dan ook redelijkerwijs niet zo begrijpen. Dit zou slechts anders zijn geweest als partijen dit uitdrukkelijk zo zouden hebben afgesproken, maar dat dit het geval is geweest is niet gesteld of gebleken. In het midden kan blijven of [appellante] in maart 2016 tegen [geïntimeerde] heeft gezegd dat zij de zorg aan [de cliënte] inmiddels weer zelf kon overnemen. Vast staat immers dat [geïntimeerde] door is gegaan met het leveren van deze zorg, en dat ook de na maart 2016 verleende zorg door [appellante] bij [de stichting] is gedeclareerd. Dat [appellante] uitdrukkelijk tegen [geïntimeerde] heeft gezegd dat [geïntimeerde] haar werkzaamheden voor [de cliënte] moest staken, is niet aannemelijk geworden en [appellante] heeft ook niet aangeboden dit door middel van getuigen te bewijzen.

4. Grief 3 richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat het door [geïntimeerde] in rekening gebrachte uurloon van ruim € 50 redelijk is. Deze grief slaagt. Vast staat dat tussen partijen geen afspraken zijn gemaakt over het loon dat [geïntimeerde] aan [appellante] in rekening mocht brengen voor de door haar aan [de cliënte] verleende zorg. In een dergelijk geval kan [geïntimeerde] volgens de wet aanspraak maken op een redelijk loon. Wat een redelijk loon is hangt met name af van de aard van de verrichte werkzaamheden (het meermalen per dag injecteren van insuline, het controleren van de bloedsuiker en het dagelijks onderhouden van contact met het ziekenhuis hierover), en het in de branche voor dergelijke werkzaamheden gebruikelijke loon. [appellante] heeft in dit verband onbetwist gesteld dat genoemde werkzaamheden zorg betreft op het niveau van een verzorgende niveau 3 en dat [appellante] voor de aan [de cliënte] verleende zorg van haar hoofdzorgaanbieder [de stichting] een loon vergoed kreeg van € 25,- per uur. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat onder een redelijk uurloon in de gegeven omstandigheden moet worden verstaan een uurloon van € 25,-. [geïntimeerde] heeft op de comparitie van partijen ten overstaan van de kantonrechter opgemerkt dat zij alleen verpleging en geen verzorging heeft geleverd. [geïntimeerde] heeft echter niet, althans niet voldoende gemotiveerd, toegelicht dat de door haar uitgevoerde handeling (injecteren van insuline) is voorbehouden aan een verpleegkundige. Dat [geïntimeerde] een hoger opleidingsniveau heeft dan voor de werkzaamheden noodzakelijk is ([geïntimeerde] stelt dat zij verpleegkundige niveau 5 is), is onvoldoende zwaarwegend om een hoger uurloon te rechtvaardigen. Als [geïntimeerde] dat gewild had, dan had zij hier vooraf duidelijke afspraken over moeten maken met [appellante]. [appellante] merkt terecht op dat [geïntimeerde], die evenals [appellante] een zorgonderneming exploiteert, er ook voor had kunnen kiezen om de zorg aan [de cliënte] door een lager gekwalificeerde kracht te laten uitvoeren.

5. Grief 4 klaagt erover dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat vaststaat dat [geïntimeerde] 80 uur thuiszorg heeft verleend aan [de cliënte]. [appellante] wijst erop dat [geïntimeerde] over de maand mei geen urenverantwoording heeft overgelegd. Tevens wijst zij op een brief van de dochter van [geïntimeerde] (het hof leest: [de cliënte]) van 8 mei 2017, waarin is vermeld dat er thuiszorg is verleend aan [de cliënte] tot 8 mei 2016 (het hof leest echter: tot heden). Hieruit volgt volgens [appellante] dat de facturen over mei en juni 2016 ten onrechte door de kantonrechter zijn toegewezen. Tevens voert [appellante] nog aan i) dat [geïntimeerde] 3x15 minuten zorg voor [de cliënte] in rekening brengt, wat afwijkt van de afspraak tussen [appellante] en [de stichting] dat dagelijks 2x10 minuten zorg zou worden verleend, ii) dat [de cliënte] per keer de aanwezigheid van [geïntimeerde] had moeten aftekenen en niet eenmaal een handtekening voor een aantal dagen, iii) dat [geïntimeerde] op meerdere dagen, namelijk van 8 tot 12 maart 2016 toen [de cliënte] in het ziekenhuis lag, op 24 maart 2016, 8 april 2016 en 6 juni 2016 niet is geweest terwijl zij deze uren wel declareert, en iv) dat [appellante] van de familie van [de cliënte] heeft vernomen dat [geïntimeerde] vaak niet is komen opdagen.

6. Het hof overweegt hierover het volgende. [geïntimeerde] heeft recht op betaling van de door haar gewerkte uren ten behoeve van de zorg aan [de cliënte]. Dat [de cliënte] de aanwezigheid van [geïntimeerde] slechts één keer in de paar dagen aftekende is niet belangrijk genoeg om hier anders over te oordelen. Dit geldt ook voor het feit dat [geïntimeerde] 3x15 minuten per dag besteedde aan de zorg voor [de cliënte], in plaats van de 2x10 minuten die [appellante] kennelijk met [de stichting] had afgesproken. [appellante] stelt immers niet dat zij [geïntimeerde] hierover had ingelicht en met haar dezelfde afspraak had gemaakt, wat wel op haar weg had gelegen. Evenmin stelt [appellante] dat [geïntimeerde] feitelijk minder dan de door haar gedeclareerde 3x15 minuten aan [de cliënte] besteedde. De stelling van [appellante] dat zij van de familie van [de cliënte] heeft vernomen dat [geïntimeerde] vaak niet is komen opdagen, wordt door het hof gepasseerd omdat deze te vaag is om te kunnen afdoen aan de juistheid van de door [geïntimeerde] gedeclareerde uren. [appellante] heeft echter ook een aantal concrete bezwaren tegen de door [geïntimeerde] overgelegde urenverantwoordingen aangevoerd. Het hof zal deze hieronder bespreken.

7. Wat betreft de urenverantwoording over de maand februari 2016 heeft [appellante] geen concrete bezwaren aangevoerd. Het aantal gewerkte uren die maand van 6 staat hiermee vast.
Wat betreft de maand maart 2016 heeft [appellante] aangevoerd dat [geïntimeerde] geen zorg heeft verleend van 8 tot 12 maart 2016 en ook niet op 24 maart 2016, terwijl zij op die dagen wel uren declareert. [geïntimeerde] heeft één en ander niet concreet weersproken. Het hof zal daarom de op genoemde dagen vermelde blokken van 15 minuten in mindering brengen op de urenverantwoording. Dit betekent dat het aantal gewerkte uren in maart 2016 wordt vastgesteld op 24 uren min (19 x 15 minuten =) 4 uur en 45 minuten = 19 uren en 15 minuten.
Wat betreft april 2016 heeft [appellante] onweersproken gesteld dat [geïntimeerde] op 8 april 2016 geen zorg heeft verleend aan [de cliënte]. Het hof zal daarom het aantal gewerkte uren in april 2016 vaststellen op 23 uren min 45 minuten = 22 uren en 15 minuten.

Over de maand mei 2016 heeft [geïntimeerde], in overeenstemming met de maanden daarvoor, 24 uren aan verleende zorg gedeclareerd. Zij heeft echter ook in hoger beroep geen urenverantwoording over die maand overgelegd. Dat zij in mei 2016 geen zorg heeft verleend acht het hof echter niet aannemelijk. [appellante] heeft niet gesteld door wie, anders dan door [geïntimeerde], dan wel zorg is verleend aan [de cliënte] in de maand mei 2016. Dit had wel van [appellante] verwacht mogen worden, aangezien [de cliënte] in die tijd haar cliënte was en bovendien diabetespatiënt, zodat niet aannemelijk is dat zij enige tijd zonder zorg is geweest. Het verwijt van [appellante] aan [geïntimeerde] dat deze laatste haar cliënte [de cliënte] van haar heeft overgenomen, wijst er evenmin op dat [geïntimeerde] al begin mei 2016 gestopt is met het verlenen van zorg aan [de cliënte]. Bij gebreke van een urenverantwoording zal het hof het aantal door [geïntimeerde] gewerkte uren over de maand mei 2016 schatten op 20. De brief van de dochter van [de cliënte] is in dit verband niet relevant omdat zij niet spreekt over het verlenen van thuiszorg tot 8 mei 2016, maar tot ‘heden’ (8 mei 2017).
Wat betreft de maand juni 2016 heeft [appellante] aangevoerd dat [geïntimeerde] op 6 juni 2016 geen zorg heeft verleend. Blijkens de urenverantwoording heeft [geïntimeerde] op 6 juni ook geen uren gedeclareerd. Het aantal gewerkte uren in juni 2016 blijft daarom 3.
Het hof stelt het totale aantal door [geïntimeerde] gewerkte uren gelet op het bovenstaande vast op 6 + 19 uur en 15 minuten + 22 uur en 15 minuten + 20 + 3 = 70 uur en 30 minuten. Grief 4 slaagt daarmee gedeeltelijk.

8. Grief 5 tenslotte richt zich tegen de toewijzing door de kantonrechter van de wettelijke handelsrente. [appellante] stelt in dit verband (naar het hof begrijpt) dat [geïntimeerde] [appellante] nooit deugdelijk in gebreke heeft gesteld. Het hof verwerpt de grief, aangezien artikel 6:119a BW voor het ingaan van wettelijke handelsrente (anders dan voor wettelijke rente) geen verzuim eist. [geïntimeerde] heeft in de dagvaarding de wettelijke handelsrente gevorderd vanaf 10 dagen na de factuurdatum van 27 juni 2016, zijnde naar het hof begrijpt 7 juli 2016, welke vordering door de kantonrechter is toegewezen. Aangezien in hoger beroep niet wordt geklaagd over de ingangsdatum van de wettelijke handelsrente, gaat ook het hof hiervan uit.

9. Uit het bovenstaande volgt dat de grieven 3 en 4 (deels) slagen, en dat de overige grieven worden verworpen. Voor de duidelijkheid zal het hof het vonnis van de kantonrechter in zijn geheel vernietigen, en het dictum opnieuw formuleren. De vorderingen van [geïntimeerde] zullen worden toegewezen tot een bedrag van 70,5 x € 25,- = € 1.762,50, vermeerderd met de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten (tegen welke beslissing geen grief is gericht) en de gevorderde wettelijke handelsrente vanaf 7 juli 2016. Gelet op deze uitkomst, waarbij beide partijen deels in het gelijk worden gesteld, zullen de proceskosten in eerste aanleg worden gecompenseerd. In hoger beroep zal [geïntimeerde] als de overwegende mate in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [appellante].

10. Het hof passeert de bewijsaanbiedingen van partijen, nu geen concreet en gespecificeerd getuigenbewijs is aangeboden van feiten die, indien bewezen, leiden tot een andere beslissing. Het hof merkt nog op dat [appellante] in de memorie van grieven onder 2.9 heeft aangekondigd “de hele app-geschiedenis tussen haar en [geïntimeerde]” met vertaling in het geding te brengen. Het is het hof niet duidelijk of [appellante] hiermee doelt op andere berichten dan die (zonder vertaling) zijn overgelegd als productie 7. Voor zover dat het geval is, heeft het hof deze stukken niet ontvangen. Het hof ziet ook geen aanleiding om [appellante] alsnog in de gelegenheid te stellen stukken over te leggen, omdat zij hiertoe bij memorie van grieven voldoende in de gelegenheid is geweest.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 27 juli 2018,

en opnieuw rechtdoende:

  • -

    veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde] tegen kwijting te betalen € 1.762,50, vermeerderd met de wettelijke handelsrente in de zin van art. 6:119a BW vanaf 7 juli 2016;

  • -

    veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde] tegen kwijting te betalen een bedrag van € 533,00 voor buitengerechtelijke incassokosten;

  • -

    compenseert de proceskosten in de eerste aanleg, in die zin dat elke partij haar eigen kosten draagt;

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op € 425,12 aan verschotten en € 1.518,- aan salaris advocaat;

  • -

    verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.T. van der Hoeven-Oud, D.A. Schreuder en F.R. Salomons en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.H.E.M. Pinckaers, rolraadsheer, op 11 augustus 2020 in aanwezigheid van de griffier.