Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1437

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
20-11-2020
Zaaknummer
2200201819
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte en daardoor ten onrechte een ziektewetuitkering gekregen. Het hof heeft rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002018-19

Parketnummer: 83-087474-18

Datum uitspraak: 12 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 2 mei 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije) op [geboortedag] 1981,

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op

29 juli 2020.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1.
Zij, op of omstreeks 5 november 2014 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een (digitaal) formulier ‘Vragenlijst ziekte en re-integratie’, voorzien van een arbeidsovereenkomst tussen verdachte en [B.V.] gedateerd 1 juni 2014 en loonstroken van [B.V.] op naam van verdachte gedateerd 8 augustus 2014 en 5 september 2014, elk zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, en/of vervalst, en/of valselijk heeft doen en/of laten opmaken en/of vervalsen door (een) ander(en), immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) toen en aldaar (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - in dat geschrift vermeld en/of opgenomen en/of doen en/of laten vermelden en/of opnemen dat zij, verdachte, in de periode van december 2012 tot 7 oktober 2014 bij [B.V.] in dienst was geweest, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

tot/bij welk(e) misdrij(f)(ven) zij, verdachte, op of omstreeks 5 november 2014 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door opzettelijk haar handtekening op het formulier te zetten en dit formulier te verstrekken aan haar, verdachtes, mededader(s) en/of een ander of anderen;

2.
Zij in of omstreeks de periode van 10 december 2014 tot en met 15 februari 2015 te ‘s-Gravenhage, althans in Nederland, een voorwerp, te weten (een) geldbedrag(en) van (in totaal) €7.698,70 euro, althans enig(e) geldbedrag(en) heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt.

Bewijsoverweging

Feit 1

Gelet op de omstandigheden dat de enige aandeelhouder en bestuurder van [B.V.] heeft verklaard dat [B.V.] geen personeel heeft en in de databank geen dienstverband tussen de verdachte met [B.V.] stond geregistreerd, concludeert het hof dat de verdachte niet in dienst is geweest bij [B.V.]. Nu in het in de tenlastelegging van feit 1 vermelde geschrift, te weten een Vragenlijst ziekte en re-integratie, wel is opgenomen dat de verdachte in de periode van december 2012 tot 7 oktober 2014 bij [B.V.] in dienst was geweest, concludeert het hof dat dit geschrift (voorzien van een arbeidsovereenkomst tussen de verdachte en [B.V.] gedateerd 1 juni 2014 en loonstroken van [B.V.] op naam van de verdachte gedateerd 8 augustus 2014 en 5 september 2014), een vals geschrift betreft. De verdachte heeft dit formulier zelf ondertekend nadat dit formulier – blijkens haar eigen verklaring — door een stagiair was ingevuld, waarbij de vragen door de stagiair aan de verdachte waren gesteld. Blijkens haar verklaring was zij zich ervan bewust waarvoor het formulier diende en waar zij daarmee aanspraak op maakte. Gelet hierop heeft de verdachte ten minste willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat dit formulier valselijk in strijd met de waarheid zou worden opgemaakt met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift.

Feit 2

Ten name van de verdachte is een

ziektewetuitkering aangevraagd onder vermelding

van het – in strijd met de waarheid zijnde - gegeven

dat zij in dienst was geweest bij [B.V.]

Hoewel de verdachte destijds geen werknemer

was in de zin van de Ziektewet en geen recht had op een

ziektewetuitkering, is deze toch door het UWV aan

haar toegekend vanwege de onder 1. bewezenverklaarde fraude. Het geld is door het UWV uitgekeerd op de bankrekening van de verdachte. Onder de hiervoor ten aanzien van feit 1. reeds overwogen omstandigheden had de verdachte op zijn minst redelijkerwijs moeten vermoeden dat zij het geld slechts op haar bankrekening kreeg gestort vanwege de door haar gepleegde fraude. Het hof acht het verwerven en voorhanden hebben daarom wettig en overtuigend bewezen. Van het overdragen en omzetten in de zin van ‘witwassen’ wordt de verdachte vrijgesproken omdat het hof geen feiten en omstandigheden kon vaststellen die redengevend zijn voor het oordeel dat daarvan sprake is.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
zij, op of omstreeks 5 november 2014 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een (digitaal) formulier ‘Vragenlijst ziekte en re-integratie’, voorzien van een arbeidsovereenkomst tussen verdachte en [B.V.] gedateerd 1 juni 2014 en loonstroken van [B.V.] op naam van verdachte gedateerd 8 augustus 2014 en 5 september 2014, elk zijnde een geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, en/of vervalst, en/of valselijk heeft doen en/of laten opmaken, en/of vervalsen door (een) ander(en), immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) toen en aldaar (telkens) valselijk in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - in dat geschrift vermeld en/of opgenomen en/of doen en/of laten vermelden en/of opnemen dat zij, verdachte, in de periode van december 2012 tot 7 oktober 2014 bij [B.V.] in dienst was geweest, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; tot/bij welk(e) misdrij(f)(ven) zij, verdachte, op of omstreeks 5 november 2014 te ‘s-Gravenhage, in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door opzettelijk haar handtekening op het formulier te zetten en dit formulier te verstrekken aan haar, verdachtes, mededader(s) en/of een ander of anderen;


2.
zij in of omstreeks de periode van 10 december 2014 tot en met 15 februari 2015 te ‘s-Gravenhage, althans in Nederland, een voorwerp, te weten (een) geldbedrag(en) van (in totaal) €7.698,70 euro, althans enig(e) geldbedrag(en) heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

valsheid in geschrift (het onder 1 bewezenverklaarde)

Kwalificatie-uitsluitingsgrond

Het onder 2 bewezenverklaarde levert naar destijds geldend recht geen schuldwitwassen op aangezien het geldbedrag dat de verdachte door fraude verworven en voorhanden had, afkomstig is uit de door haarzelf gepleegde fraude die onder 1 bewezen verklaard is. Het feit was destijds niet strafbaar. De verdachte zal ten aanzien van dit feit ontslagen worden van alle rechtsvervolging.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.


De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte en daardoor ten onrechte een ziektewetuitkering gekregen. Aldus handelend heeft de verdachte het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in het opgeven van de juiste informatie aan de uitkeringsinstantie ernstig beschaamd. De verdachte heeft de overheid benadeeld voor een bedrag van in totaal € 7.698,70.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Het hof is van oordeel dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Ten aanzien van de berechting van de zaak in die instantie heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting – behoudens de bijzondere omstandigheden waarvan in dit geval niet is gebleken – dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen.

In het onderhavige geval dient als aanvangsmoment van bedoelde termijn te worden aangemerkt de datum waarop het eerste verhoor van de verdachte heeft plaatsgevonden, 6 september 2016. De behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg is echter eerst op 2 mei 2019 afgerond met een eindvonnis. Derhalve is de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg met ruim 7 maanden overschreden.

Het hof zal deze overschrijding van de redelijke termijn compenseren door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. In beginsel acht het hof een taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis passend en geboden. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn zal het hof een taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk, opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart niet strafbaar hetgeen onder 2 bewezen is verklaard en ontslaat de verdachte dienaangaande van alle rechtsvervolging.

Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. R.J. de Bruijn,

mr. M.J. de Haan-Boerdijk en mr. A.L. Frenkel, in bijzijn van de griffier mr. N.Y. Majoor.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 augustus 2020.

mr. M.J. de Haan-Boerdijk en mr. Frenkel zijn buiten staat om dit arrest te ondertekenen.