Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1385

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
04-08-2020
Zaaknummer
200.261.222-02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:3294, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

huur, art. 7:220 BW; dringende werkzaamheden, renovatiewerkzaamheden; verhuiskostenvergoeding: geen verhuizing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2020/46 met annotatie van Ringnalda, F.J.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.261.222/02

Zaaknummer rechtbank : 6945870 \ RL EXPL 18-11816

arrest van 4 augustus 2020

inzake

Edwin [appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. P. van der Veld te 's-Gravenhage,

tegen

Stichting Staedion,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Staedion,

advocaat: mr. H.W. van Yperen te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 17 mei 2019 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het door de kantonrechter in de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:3294; hierna: het bestreden vonnis). Bij memorie van grieven met producties heeft [appellant] vijf grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft Staedion de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

De feiten

1. De door de kantonrechter in het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal van die feiten uitgaan en verwijst daar naar. Samengevat gaat het om het volgende:

  1. [appellant] huurt sinds 2003 een woning van Staedion (hierna: de woning).

  2. In het kader van groot onderhoud van het complex waar de woning deel van uitmaakt, heeft Staedion vanaf augustus tot eind december 2016 renovatiewerkzaamheden en dringende werkzaamheden aan de woning verricht.

  3. Vanwege die werkzaamheden heeft [appellant] van 10 september tot en met 3 oktober 2016 verbleven in een nabij gelegen, door Staedion aangeboden, wisselwoning. Deze wisselwoning was volledig ingericht en gestoffeerd. [appellant] heeft slechts enkele persoonlijke spullen (kleding, beddengoed, toiletspullen en administratie) meegenomen. Zijn overige spullen konden tijdens de werkzaamheden in de woning blijven.

  4. [appellant] heeft van Staedion een ‘ongeriefsvergoeding’ ontvangen van € 450,--.

Vorderingen in eerste aanleg en beslissingen van de kantonrechter

2. [appellant] vorderde in eerste aanleg (in conventie), naast een proceskostenvergoeding, veroordeling van Staedion tot betaling van € 5.892,--, te vermeerderen met wettelijke rente en te verminderen met € 450,--.

3. Aan zijn vordering heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat Staedion renovatiewerkzaamheden heeft uitgevoerd aan het gehuurde, als gevolg waarvan hij genoodzaakt was (tijdelijk) te verhuizen, waardoor hij op grond van artikel 7:220 lid 5 gerechtigd is tot de forfaitaire verhuiskostenvergoeding waar artikel 7:220 lid 6 BW naar verwijst.

4. Staedion heeft gemotiveerd geconcludeerd tot afwijzing van deze vordering.

5. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. Hij overwoog daartoe, kort gezegd, dat in het gehuurde sprake is geweest van een combinatie van dringende- en renovatiewerkzaamheden. De werkzaamheden die kwalificeerden als renovatiewerkzaamheden waren slechts het isoleren van de grondvloer (vanuit de kruipruimte), werkzaamheden aan de mechanische ventilatie, het installeren van een HR-ketel en het aanbrengen van nieuwe kozijnen met HR++ glas. De renovatiewerkzaamheden maakten het volgens de kantonrechter niet noodzakelijk dat [appellant] het gehuurde (tijdelijk) verliet. Dit oordeel heeft de kantonrechter onder meer gemotiveerd met een verwijzing naar een overgelegde verklaring d.d. 22 november 2018 van de projectleider met betrekking tot de werkzaamheden in het gehuurde. Die projectleider verklaart dat de renovatiewerkzaamheden in twee werkdagen kunnen worden uitgevoerd terwijl de bewoner de woning kan blijven gebruiken (hierna: de Verklaring).

6. Staedion heeft harerzijds in eerste aanleg in reconventie ontbinding van de huurovereenkomst (art. 7:231 lid 1 BW) en ontruiming van het gehuurde gevorderd. Deze vorderingen heeft de kantonrechter afgewezen en zij zijn niet meer aan de orde in dit hoger beroep.

Het geschil in hoger beroep

7. [appellant] is in hoger beroep gekomen tegen de afwijzing van de verhuiskostenvergoeding en vordert (alsnog) toewijzing daarvan, met veroordeling van Staedion in de proceskosten in beide instanties (te verhogen met de wettelijke rente wanneer deze niet tijdig worden voldaan).

8. Zijn grieven laten zich als volgt samenvatten.
Grief I is gericht tegen het oordeel dat de uitgevoerde werkzaamheden in het gehuurde, waaronder de asbestsanering, de werkzaamheden aan de keuken, de badkamer en het toilet, vallen onder ‘groot onderhoud’. Volgens [appellant] waren deze werkzaamheden niet dringend en kwalificeren zij als ‘renovatie’ als bedoeld in artikel 7:220 lid 2 BW.

Grief II komt op tegen het oordeel dat de renovatiewerkzaamheden aan het gehuurde het niet noodzakelijk maakten voor [appellant] om (tijdelijk) te verhuizen. [appellant] had geen keus. De woning was tijdens de werkzaamheden niet bewoonbaar. Bovendien duurden de zogenoemde renovatiewerkzaamheden langer dan twee dagen.

Volgens grief III heeft de kantonrechter ten onrechte geïnsinueerd dat [appellant] niet ‘echt’ zou zijn ‘verhuisd’ naar een wisselwoning, omdat hij slechts enkele persoonlijke spullen en zijn administratie naar de wisselwoning heeft meegenomen.

Grieven IV en V komen op tegen de afwijzing van de gevorderde verhuiskostenvergoeding en de proceskostenveroordeling.

9. Staedion heeft de grieven gemotiveerd bestreden.

Beoordeling van de grieven

10. De grieven leggen het geschil in conventie in volle omvang aan het hof voor.

10. [appellant] vordert in deze procedure veroordeling van Staedion tot betaling van een (forfaitaire) verhuisvergoeding als bedoeld in artikel 7:220 lid 5 BW. Hij voert in dit verband aan dat (i) de door Staedion aan het gehuurde uitgevoerde werkzaamheden kwalificeren als renovatie en (ii) een tijdelijk verblijf in een wisselwoning als gevolg van de uitvoering van deze renovatiewerkzaamheden noodzakelijk was.

12. Het hof overweegt als volgt. Het hof vereenzelvigt zich met het oordeel van de kantonrechter in overweging 6.4 van het bestreden vonnis, dat het isoleren van de grondvloer, de werkzaamheden aan de mechanische ventilatie, het installeren van een HR-ketel [hof: dat is inclusief radiatoren] en het aanbrengen van nieuwe kozijnen met dubbel glas zijn aan te merken als renovatiewerkzaamheden. Ook is het hof ermee eens dat de werkzaamheden voor de verwijdering van asbest, met vernieuwing van de keuken, badkamer en toilet, en vervanging van deuren, kwalificeren als groot onderhoud.

12. Het gaat bij laatstgenoemde werkzaamheden immers om vervanging van de verouderde delen van het gehuurde, in het bijzonder de potentieel gevaarlijke asbesthoudende delen (er was asbest in de vloerafwerking, in het ventilatiekanaal, bij de kozijnen, in het metselwerk, op het achterbalkon, in ontluchtingskanalen en in de verbrandingstoestellen) en de open verbrandingsinstallaties. Na verwijdering hiervan moest de woning weer in bewoonbare staat worden teruggebracht, bij gelegenheid waarvan de verouderde en (deels) beschadigde keuken, badkamer en toilet zijn vervangen. Anders dan [appellant] in hoger beroep (wederom) aanvoert, kwalificeren voornoemde werkzaamheden niet als renovatie. Van renovatie is slechts sprake indien vernieuwing leidt tot een toename van het woongenot. Bij (noodzakelijke) vervanging van verouderd materiaal is hiervan doorgaans geen sprake, waarbij overigens geldt dat de ‘toename van woongenot’ objectief moet kunnen worden vastgesteld. Anders dan [appellant] lijkt te veronderstellen, is (enkel) zijn persoonlijke beleving, zoals een ‘veilig gevoel’ door de verwijdering van het asbest, hiervoor onvoldoende.

12. Daarnaast geldt dat het verwijderen van asbest, zijnde een (latent) gebrek, aan het gehuurde, in beginsel altijd dringend is. Aan [appellant] kan worden toegegeven dat het asbest, indien het onbeschadigd blijft, nog jaren in het gehuurde kan blijven zitten, maar dit laat onverlet dat Staedion het verwijderen hiervan niet zonder nadeel kan uitstellen. Op het moment dat het asbest beschadigd raakt (bijvoorbeeld in geval van een brand) en vrij komt, leidt dit immers tot risico’s voor de gezondheid van de huurder en derden.

15. Het hof vereenzelvigt zich ook met het oordeel van de kantonrechter, in overwegingen 6.5 en 6.6 van het bestreden vonnis, dat de aard van de hiervoor genoemde renovatiewerkzaamheden, wanneer zij los van de dringende (grootonderhoud) werkzaamheden worden bezien, maken dat het voor [appellant], gedurende de uitvoering hiervan, niet noodzakelijk was om te verhuizen. Daarbij weegt het hof mee dat de vloerisolatie van buiten af gebeurde (zonder dat de werklieden daarvoor in de woning zouden hoeven) en dat voor het plaatsen van de kozijnen met HR++ glas geen breekwerk in de gevel nodig was. De door [appellant] in hoger beroep aangedragen factoren maken dit niet anders. De noodzaak om wegens renovatiewerkzaamheden uit de woning te moeten verhuizen, blijkt niet uit de aard en duur van deze werkzaamheden. De enkele omstandigheid dat de projectleider in opdracht van Staedion werkt – dit heeft hij in de Verklaring bevestigd –, maakt nog niet dat de Verklaring in deze procedure geen waarde toekomt. De blote stellingen van [appellant] dat hij meent dat de renovatiewerkzaamheden (waarbij hij overigens niet zelf aanwezig was) minstens anderhalve week zouden kosten en dat hij hierbij ‘niet gewenst’ was, maken dit oordeel niet anders.

15. Tevens is het hof van oordeel dat in dit geval geen sprake is geweest van een verhuizing in de zin van artikel 7:220 lid 5 BW. Vast staat immers dat [appellant] de huisraad voor zijn huishouding niet naar een andere woning heeft verplaatst, noch (her)inrichtingskosten heeft gemaakt. Hij heeft drie weken verbleven in een volledig ingerichte en gestoffeerde wisselwoning, waarbij hij slechts enkele persoonlijke spullen (kleding, beddengoed, toiletspullen en administratie) heeft meegenomen en zijn overige spullen tijdens de werkzaamheden in de woning heeft achtergelaten. Het verblijf in de wisselwoning kan daarom niet worden beschouwd als een verhuizing, waarop de forfaitaire verhuiskostenvergoeding van lid 6 ziet. Het verblijf van [appellant] in de wisselwoning heeft eerder kenmerken van een logeren. Bij terugkeer naar zijn eigen woning, heeft [appellant] niet hoeven herinrichten of stofferen; hij keerde in dezelfde, door Staedion herstelde, woning terug. Daarnaast wijst het hof nog op het volgende. De strekking van het bepaalde in artikel 7:220 lid 5 BW is bewoners die als gevolg van de herstructurering (renovatie) gedwongen worden te verhuizen, recht te geven op een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten (Kamerstukken II 2007/08, 31 528, nr. 3, p. 2). Er zijn geen aanwijzingen dat [appellant] verhuis- of herinrichtingskosten heeft gemaakt. In dat geval bestaat er geen aanspraak op de forfaitaire verhuiskostenvergoeding.

Conclusie en slot

17. Uit het voorgaande volgt dat [appellant] geen recht heeft op een verhuiskostenvergoeding. De kantonrechter heeft deze vordering terecht afgewezen. Daarom zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd.

18. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in het principale hoger beroep worden veroordeeld. Het hof beslist daarom als volgt.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt de [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Staedion tot op heden begroot op € 741,-- aan griffierecht en € 759,-- aan salaris advocaat (tarief I x 1 punt).

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, G. Dulek-Schermers en R.M. Hermans en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, op 4 augustus 2020.