Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1384

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-08-2020
Datum publicatie
11-08-2020
Zaaknummer
200.272.858-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:14038, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Plaatsing veroordeelde op GVM-lijst niet onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht


Zaaknummer : 200.272.858/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : C/09/582274/KG ZA 19/1046

Arrest in kort geding van 11 augustus 2020

in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van:

[appellant] ,
thans gedetineerd in de PI [locatie] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. R.D.A. Boom te Utrecht,

tegen:

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie en Veiligheid),

zetelend te Den Haag,

geïntimeerde,
hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. S.J.M. Bouwman te Den Haag.

Het geding

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken, waarvan het hof kennis heeft genomen:

  • -

    het procesdossier van eerste aanleg, waaronder het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 24 december 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:14038, hierna: het bestreden vonnis);

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep van 20 januari 2020;

  • -

    de memorie van grieven (met producties);

  • -

    de memorie van antwoord (met producties).

Hierna is arrest gevraagd.
Beoordeling van het hoger beroep

De feiten

  1. De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis (in overwegingen 2.1 tot en met 2.7) een aantal feiten vastgesteld. Deze zijn in hoger beroep niet bestreden. Daarom gaat ook het hof hiervan uit.

  2. Deze feiten en hetgeen verder in hoger beroep is naar voren is gekomen, gaan samengevat en voor zover thans van belang, om het volgende.
    (2.1) [appellant] is op 1 december 2016 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaar wegens het leiden van een criminele organisatie die zich (kort gezegd) bezig hield met het bereiden en verkopen van synthetische drugs, vermeld op lijst I van de Opiumwet. [appellant] zit thans zijn straf uit.
    (2.2) Het meldpunt GRIP (Gedetineerden Recherche Informatiepunt) heeft op 2 september 2019 een rapport uitgebracht met recente onderzoeksinformatie over [appellant] . Volgens deze informatie was [appellant] vanuit de gevangenis dagelijks betrokken bij twee laboratoria waar synthetische drugs werden geproduceerd. De betrokkenheid van [appellant] bestond uit het aansturen van een [A] via in de gevangenis binnengesmokkelde mobiele telefoons. Deze [A] was een voormalige medegedetineerde.
    (2.3) Vervolgens is vanuit het Operationeel Overleg (OO) aan [appellant] de GVM-status ‘hoog’ opgelegd wegens voortgezet crimineel handelen vanuit detentie (VCHD). Dit is op 12 september 2019 aan [appellant] meegedeeld.
    (2.4) GVM staat voor Gedetineerden met een Vlucht- en Maatschappelijk risico.

(2.5) Op 9 november 2019 zijn in de cel van [appellant] opnieuw een mobiele telefoon en onder meer een USB-stick gevonden. Deze zijn (volgens de gevangenisregels en sinds 1 november 2019 tevens op grond van artikel 429a Sr) in de cel verboden.

Het geschil in eerste aanleg

3. [appellant] heeft, samengevat, gevorderd te bepalen dat hij van de GVM-lijst wordt verwijderd, op straffe van een dwangsom, want zijn plaatsing op die lijst is onrechtmatig.

4. De voorzieningenrechter heeft deze vordering afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. Daartoe heeft de voorzieningenrechter, kort gezegd, het volgende overwogen.
(i) Aan het OO, dat beslist of ten aanzien van een gedetineerde sprake is van een verhoogd, hoog of extreem vlucht en/of maatschappelijk risico, komt een grote mate van vrijheid toe. Dit brengt met zich mee dat een beslissing van het OO in rechte slechts marginaal kan worden getoetst (overweging 4.2).
(ii) [appellant] stelt dat volgens de GRIP-informatie niet is gebleken dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan voortgezet crimineel handelen. [appellant] ziet er echter aan voorbij dat alle omstandigheden meewegen bij de inschatting van zijn risicoprofiel. Daarbij gaat het ook om eerdere veroordelingen en de aard daarvan in relatie tot de huidige verdenking, het meerdere malen aantreffen van verboden mobiele telefoons die hij zeer frequent gebruikte voor het geven van instructies aan een medeverdachte [hof: voornoemde [A]] en het ook na plaatsing op de GVM-lijst weer aantreffen van een mobiele telefoon in zijn cel (overweging 4.3).
(iii) Weliswaar staat het voortgezet crimineel handelen niet vast, maar wel is blijkens de GRIP-informatie sprake van ernstige signalen die hebben geleid tot nader onderzoek. Hieruit is concrete informatie naar voren gekomen. De omstandigheid dat bij indicatief testen geen stoffen zijn aangetroffen die strafbaar zijn volgens de Opiumwet, laat onverlet dat nog niet is vastgesteld wat er geproduceerd werd en wat men wilde of kon produceren. Dit wordt nog verder onderzocht. De officier van justitie heeft laten weten dat [appellant] zeer waarschijnlijk vervolgd zal worden voor strafbare voorbereidings- en bevorderingshandelingen voor de productie van het verboden 2C-B (overweging 4.4).
(iv) Alle voornoemde omstandigheden zijn relevant. De stellige en gemotiveerde ontkenning van [appellant] dat hij zich bezig houdt met illegale activiteiten doet daar onvoldoende aan af (overweging 4.5).
Het geschil in hoger beroep

5. [appellant] vordert in hoger beroep, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, vernietiging van het bestreden vonnis, alsnog toewijzing van zijn vorderingen en veroordeling van de Staat tot terugbetaling van hetgeen hij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan de Staat heeft voldaan, met veroordeling van de Staat in de
kosten van beide instanties.

6. [appellant] heeft vier grieven aangevoerd (genummerd I, II, III en V). Met grief I klaagt hij ten aanzien van de beslissing tot plaatsing op de GVM-lijst over de in overweging 4.3 van het bestreden vonnis meegewogen omstandigheden (eerdere veroordelingen en de aard daarvan, de aangetroffen mobiele telefoons en de instructies aan voornoemde [A]). Grief II bevat een klacht over het laten meewegen van de bedoeling van de officier van justitie om [appellant] waarschijnlijk te vervolgen voor strafbare voorbereidingshandelingen (overweging 4.4). Grief III bevat een klacht over hetgeen de voorzieningenrechter verder in overweging 4.4 en in overweging 4.5 heeft overwogen. Grief V betreft de proceskostenveroordeling.

7. De Staat heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
Verdere beoordeling van het hoger beroep.

8. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

9. Het hof stelt voorop dat de plaatsing op de GVM-lijst gebeurt aan de hand van het risicoprofiel van betrokkene. Het OO beslist hierover. Deze beslissing kan door de civiele rechter in kort geding slechts marginaal worden getoetst.

10. In dit geval is [appellant] op de GVM-lijst geplaatst en op deze lijst gehandhaafd wegens het vermoeden van voortgezet crimineel handelen in detentie (VCHD). Zoals de voorzieningenrechter met juistheid heeft overwogen zijn bij de beslissing tot plaatsing en handhaving daarvan alle omstandigheden van het geval van belang. Daarbij gaat het niet alleen om de GRIP-informatie (onder meer de in de cel van [appellant] aangetroffen (verboden) telefoons, zijn instructies via die telefoons aan de [A]/voormalig medegedetineerde en contacten met financiers) maar zeker ook zijn van belang de aard en ernst van [appellant] strafrechtelijk verleden en de hardnekkigheid waarmee hij vanuit detentie van verboden digitale communicatiemiddelen (voor de opzet van drugslaboratoria) gebruik blijft maken. De stelling van [appellant] dat het niet vaststaat dat hij zich nog steeds bezig houdt met crimineel handelen (zoals voorbereidings- en bevorderingshandelingen voor de productie van het verboden 2C-B) is in dit verband niet relevant. Het gaat immers om de inschatting van een risico, niet om de vaststelling van strafbare feiten. Dit risico op VCHD mocht het OO, gelet op voormelde omstandigheden, reëel en ‘hoog’ achten. Er zijn sterke aanwijzingen dat verboden middelen in de opgezette/op te zetten laboratoria gemaakt kunnen worden en indien mogelijk ook gemaakt zullen worden. Bij dit laatste weegt mee dat [appellant] zich daar in het verleden ook al als leidinggevende mee heeft bezig gehouden en daarvoor tot langdurige gevangenisstraf is veroordeeld.

11. De stelling van [appellant] dat hij juist bezig is met de ontwikkeling/productie in de laboratoria van niet-strafbare drugs doet aan het risico op VCDH onvoldoende af, zeker gelet ook op mogelijke schending van andere regelgeving dan de Opiumwet. In het licht van het voorgaande verdient bovendien aandacht het voornemen van de officier van justitie tot vervolging, welk voornemen in eerste aanleg als zeer waarschijnlijk werd aangekondigd en inmiddels heeft geleid tot verdere stappen volgens de officier van justitie in zijn brief aan de raadsman van [appellant] mr. R.D.A. Boom van 20 april 2020 (productie 15 memorie van antwoord). Hieruit blijkt immers dat het Openbaar Ministerie in ieder geval serieus rekening houdt met door [appellant] vanuit detentie gepleegde strafbare feiten.

12. Voor de volledigheid wijst het hof er nog op dat, anders dan [appellant] stelt in memorie van grieven 39, in deze kort gedingprocedure op [appellant] de stelplicht rust van het onrechtmatig handelen van de Staat. Dit is immers de grondslag van zijn vordering tot verwijdering van de GVM-lijst.
Slotsom

13. Onder deze omstandigheden heeft het OO/de Staat in redelijkheid kunnen beslissen [appellant] op de GVM-lijst te plaatsen en te handhaven. De grieven falen dan ook en hoeven verder niet meer afzonderlijk te worden besproken. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 760,-- aan griffierecht en € 1.074,-- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, G. Dulek-Schermers en H.C. Grootveld, en is getekend en uitgesproken door de rolraadsheer mr J.E.H.M. Pinckaers ter openbare terechtzitting van 11 augustus 2020 in aanwezigheid van de griffier.