Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1363

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
04-08-2020
Zaaknummer
200.257.866/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg Anw-hiaatverzekering. Maatstaf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PR-Updates.nl PR-2020-0138
PJ 2020/132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.257.866/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/547567/ HA ZA 18-151

arrest van 4 augustus 2020

inzake

QBenefits B.V.,

gevestigd te Limmen,

appellante,

hierna te noemen: Qbenefits,

advocaat: mr. R. Bosman (voorheen mr. H. Lebbing) te Rotterdam,

tegen

Goudse Levensverzekeringen N.V.,

gevestigd te Gouda,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Goudse,

advocaat: mr. M. van der Bent te Middelburg.

Het verloop van de procedure in hoger beroep

1. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:

- de appeldagvaarding van 28 maart 2019, waarmee Qbenefits hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 9 januari 2019;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord.

2. Op 4 mei 2020 heeft een pleidooizitting plaatsgevonden via beeld-belverbinding. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Beide advocaten hebben gepleit aan de hand van pleitnotities, die zij hebben overgelegd. Aan het einde van de pleidooizitting is een datum voor arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

3. In deze zaak gaat het om de vraag of Goudse gehouden is dekking te verlenen onder een Anw-hiaat verzekering, die ten behoeve van de inmiddels overleden werknemer [werknemer] was gesloten door zijn werkgever. De tussen de werkgever en de verzekeraar gesloten uitvoeringsovereenkomst is geëindigd nadat [werknemer] ziek was geworden, maar voor zijn overlijden. Aan de orde is hoe de in de uitvoeringsovereenkomst neergelegde regeling over het uitlooprisico moet worden uitgelegd.

4. De door de rechtbanak vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet in geschil.

4.1

Goudse is een verzekeringsmaatschappij die onder meer collectieve nabestaandenverzekeringen aanbiedt. Zij doet dit door middel van onafhankelijke tussenpersonen. Qbenefits is zo’n tussenpersoon.

4.2

Via bemiddeling van Qbenefits is tussen Goudse en Meyn Beheer B.V. (hierna: Meyn) een uitvoeringsovereenkomst Nabestaanden Rentepensioen tot stand gekomen met een looptijd van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014. Deze overeenkomst wordt hierna aangeduid als “de uitvoeringsovereenkomst”. Op basis van de uitvoeringsovereenkomst zijn voor de werknemers van Meyn polissen met een Anw-hiaatverzekering afgegeven, op grond waarvan na overlijden van een werknemer maandelijks een bedrag wordt uitbetaald aan de overblijvende partner tot zijn of haar 65e levensjaar.

4.3

Artikel 14 lid 6 van de uitvoeringsovereenkomst bevat een regeling voor wat er gebeurt als de uitvoeringsovereenkomst eindigt. Dit artikel luidt als volgt:

Indien de Uitvoeringsovereenkomst eindigt, vervallen de dan lopende verzekeringen zonder waarde op de datum van beëindiging. Dit geldt echter niet voor de volgende verzekeringen, die met inachtneming van de voorwaarden van de verzekering worden voortgezet:

- de verzekeringen waarop het Nabestaanden Rentepensioen is ingegaan;

- de verzekeringen waarvoor na voltooiing van de ingegane wachttijd gehele of gedeeltelijke vrijstelling van premiebetaling bij arbeidsongeschiktheid van de Verzekerde zal worden verleend;

- de verzekeringen waarvoor vrijstelling van premiebetaling is verleend en wel voor het gedeelte van de verzekering dat correspondeert met de van betaling vrijgestelde premie.

4.4

Goudse heeft bij brief van 23 oktober 2014 de uitvoeringsovereenkomst met Meyn opgezegd per 1 januari 2015. Meyn heeft de Anw-hiaatverzekeringen van haar werknemers per 1 januari 2015 ondergebracht bij het Pensioenfonds Metaal en Techniek (PMT).

4.5

De heer [werknemer] (hierna: [werknemer]) was een werknemer van Meyn voor wie een Anw-hiaatverzekering was afgesloten. Bij e-mailbericht van 12 december 2014 heeft een medewerker van Meyn aan een medewerker van Qbenefits, de heer [medewerker] (hierna: [medewerker]), het volgende bericht gestuurd over [werknemer]:

Kan jij de heer [werknemer] ziekmelden bij de Goudse Levensverzekeringen. Helaas is bij de heer [werknemer] is vast gesteld dat hij niet meer beter gaat worden. De ziekmelding loopt vanaf 20 maart 2014.

4.6

Op dezelfde dag heeft [medewerker] van Qbenefits het volgende aan Goudse bericht:

Hierbij doe ik je de mededeling dat de heer [werknemer] – polisnummer (…) zich ziek heeft gemeld en niet meer beter wordt. Hij zal binnen afzienbare tijd komen te overlijden. Welke stukken heb jij nodig om de polis premievrij door te laten lopen en e.e.a. correct aan te laten tekenen op de polis, omdat dit collectief (automatisch) stopt per 01-01-2015?”

4.7

Bij emailbericht van 17 december 2014 is namens Goudse aan [medewerker] het volgende geantwoord:

Bedankt voor uw bericht. Erg vervelend om te horen. Om dit goed te kunnen verwerken hebben wij een UWV verklaring van meneer [werknemer] nodig. Hierna kunnen wij de polis premievrij door laten lopen.”

4.8

Op 7 januari 2015 is [werknemer] overleden. [medewerker] heeft hiervan op 12 januari 2015 melding gedaan bij Goudse en gevraagd welke stukken nog nodig waren naar aanleiding van de eerdere correspondentie. Daarop is op 20 januari 2015 geantwoord:

Om te bepalen of er een uitlooprisico is op dit contract is het heel belangrijk dat wij de UWV verklaring van meneer [werknemer] hebben. Dit heb ik eerder in december bij u opgevraagd. Deze hebben wij nog niet ontvangen. Graag ontvangen wij deze van u zo snel mogelijk. Mochten wij deze niet ontvangen moet ik helaas melden dat er geen dekking is.”

4.9

[medewerker] heeft toen op diezelfde dag de Aangifte van langdurige ziekte in de 42e week (de zogenoemde 42e-weeksmelding) aan Goudse toegestuurd en laten weten dat hij de bevestiging van het UWV daarvan zou nasturen.

4.10

Goudse heeft zich op het standpunt gesteld dat geen dekking bestond onder de Anw-hiaatverzekering omdat deze ten tijde van het overlijden van [werknemer] was beëindigd en geen sprake was van een ingevolge artikel 14 lid 6 van de uitvoeringsovereenkomst gedekt uitlooprisico.

4.11

Tussen Goudse enerzijds en Qbenefits, haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar en Meyn anderzijds is een vaststellingsovereenkomst gesloten, op grond waarvan Goudse en Qbenefits ieder voorshands de helft van het benodigde kapitaal hebben ingelegd (ieder € 110.000,-) om daaruit de totale uitkering onder de polis aan de weduwe van [werknemer] te kunnen voldoen. Verder is overeengekomen dat door middel van een bindend advies of een gerechtelijke procedure zal worden vastgesteld of het afwijzende standpunt van Goudse juist is en wie in de onderlinge verhouding welke bijdrage aan dit kapitaal dient te leveren. Deze procedure is als gevolg van die afspraak aanhangig gemaakt.

5. Qbenefits vorderde in eerste aanleg in conventie veroordeling van Goudse tot betaling aan haar van € 110.000,- te vermeerderen met rente en kosten. In reconventie vorderde Goudse op haar beurt veroordeling van Qbenefits tot betaling aan haar van € 110.000,- met rente en kosten. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis in conventie de vordering van Qbenefits afgewezen en de reconventionele vordering van Goudse toegewezen. Kort samengevat was de rechtbank van oordeel dat de polis geen dekking biedt voor het uitlooprisico van [werknemer]. Ook de andere door Qbenefits aangevoerde grondslagen voor een betalingsverplichting van Goudse heeft de rechtbank verworpen. Dat leidde de rechtbank tot de conclusie dat de Goudse niet aan het kapitaal hoeft bij te dragen.

6. In hoger beroep vordert Qbenefits dat haar vordering in conventie alsnog wordt toegewezen, dat de reconventionele vordering van Goudse alsnog wordt afgewezen en dat Goudse wordt veroordeeld tot terugbetaling van al hetgeen Qbenefits ter uitvoering van het bestreden vonnis aan Goudse heeft voldaan, alles vermeerderd met wettelijke rente en kosten. Goudse heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

7. In haar memorie van grieven heeft Qbenefits onder meer betoogd dat uitleg van de polis meebrengt dat er dekking is onder de Anw-hiaatverzekering van [werknemer] en dat Goudse dus gehouden was om na het overlijden van [werknemer] over te gaan tot uitkering aan de weduwe (grief I, onder 3.11 t/m 3.15). Goudse heeft aangevoerd dat deze stelling van Qbenefits niet valt te rijmen met andere door Qbenefits ingenomen stellingen en ook niet met uitlatingen die namens Qbenefits zijn gedaan op de zitting in de eerste aanleg. Het staat Qbenefits echter vrij haar vordering te baseren op verschillende grondslagen en ook om in hoger beroep haar stellingen aan te passen en uit te breiden.

8. Volgens Qbenefits brengt een redelijke uitleg van artikel 14 lid 6 van de uitvoeringsovereenkomst, in het bijzonder het bepaalde onder het tweede gedachtestreepje, mee dat er in de situatie van [werknemer] dekking bestaat. Het hof volgt dit betoog van Qbenefits. Het hof zal dit oordeel in het onderstaande toelichten.

9. Er is niet gesteld en ook niet gebleken dat tussen Goudse en Meyn is onderhandeld over de uitvoeringsovereenkomst. Dit betekent dat de uitleg van bepalingen in deze uitvoeringsovereenkomst met name afhankelijk is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de uitvoeringsovereenkomst als geheel waarbij ook gelet kan worden op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de op zichzelf mogelijke interpretaties van de tekst zouden kunnen leiden.

10. Het uit te leggen artikel luidt:

Indien de Uitvoeringsovereenkomst eindigt, vervallen de dan lopende verzekeringen zonder waarde op de datum van beëindiging. Dit geldt echter niet voor de volgende verzekeringen, die met inachtneming van de voorwaarden van de verzekering worden voortgezet:

- de verzekeringen waarop het Nabestaanden Rentepensioen is ingegaan;

- de verzekeringen waarvoor na voltooiing van de ingegane wachttijd gehele of gedeeltelijke vrijstelling van premiebetaling bij arbeidsongeschiktheid van de Verzekerde zal worden verleend;

- de verzekeringen waarvoor vrijstelling van premiebetaling is verleend en wel voor het gedeelte van de verzekering dat correspondeert met de van betaling vrijgestelde premie.

11. Tussen partijen is niet in geschil dat de situatie van [werknemer] niet valt onder het eerste gedachtestreepje. [werknemer] was immers nog niet overleden ten tijde van het eindigen van de uitvoeringsovereenkomst. Evenmin deed zich de situatie bedoeld onder het derde gedachtestreepje voor. Premievrijstelling was immers nog niet verleend; volgens de “Aanvullende voorwaarden 2010” die golden voor de onderhavige verzekeringsovereenkomst ten aanzien van de vrijstelling van premiebetaling, wordt vrijstelling pas verleend wanneer een werknemer in het kader van de WIA arbeidsongeschikt is geacht en gedurende een wachttijd van – in beginsel – 104 weken (2 jaar) onafgebroken ten minste 35% arbeidsongeschikt is geweest. Daarvan was ten tijde van het eindigen van de uitvoeringsovereenkomst nog geen sprake; de eerste ziektedag van [werknemer] was 20 maart 2014. Er is door [werknemer] voor zijn overlijden geen aanvraag gedaan voor een verkorte WIA-wachttijd.

12. Resteert het bepaalde onder het tweede gedachtestreepje. Dit heeft betrekking op gevallen waarin na het einde van de uitvoeringsovereenkomst na voltooiing van de ingegane wachttijd gehele of gedeeltelijk vrijstelling van premiebetaling bij arbeidsongeschiktheid van de verzekerde zal worden verleend. Op het moment van het eindigen van de uitvoeringsovereenkomst op 1 januari 2015 was [werknemer] ziek en gold dat na voltooiing van de wachttijd, die op 20 maart 2014 was ingegaan, premievrijstelling zou worden verleend. [werknemer] viel aldus op dat moment onder de categorie, omschreven in het tweede gedachtestreepje van artikel 14 lid 6 van de uitvoeringsovereenkomst; de wachttijd was reeds ingegaan en de verlening van premievrijstelling lag nog in de toekomst, namelijk het moment dat hij de wachttijd zou volmaken. De vraag is of hieraan afdoet dat [werknemer] vervolgens voor de voltooiing van de wachttijd aan zijn ziekte is overleden. Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Het ligt immers niet voor de hand om de vraag of een verzekering op enig moment doorloopt, afhankelijk te maken van op dat moment nog toekomstige en dus onzekere omstandigheden. Nog minder is dit het geval wanneer, zoals in elk van de drie in art. 14 lid 6 onderscheiden categorieën, het gezondheidsrisico in verband waarmee de verzekering dekking biedt, reeds is ingetreden. Een uitleg volgens welke personen die bij het eindigen van de uitvoeringsovereenkomst reeds arbeidsongeschikt zijn wel dekking genieten als zij de wachttijd nadien volmaken, maar niet als zij tijdens de wachttijd overlijden aan de ziekte waardoor zij zijn uitgevallen, is ook ongerijmd. Goudse heeft in de stukken geen redelijke verklaring gegeven voor de achtergrond van deze door haar bepleite uitleg van de polisvoorwaarden. Ook tijdens het pleidooi heeft de vertegenwoordiger van Goudse deze uitleg niet van een redelijke toelichting voorzien. Voor zover de door Goudse bepleite uitleg te maken heeft met (administratieve) afspraken tussen verzekeraars onderling geldt dat dit in ieder geval niet kenbaar is voor Meyn als verzekeringnemer. De stelling dat het een verzekeraar nu eenmaal vrijstaat om binnen een samenhangend feitencomplex slechts aan bepaalde feiten of omstandigheden (rechts)gevolgen te verbinden en aan andere niet (HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2793), volstaat in dit geval daarom niet. Dat er alsnog (met terugwerkende kracht) geen dekking meer is, althans alsnog geen dekking meer blijkt te ontstaan, wanneer de werknemer op enig moment na het beëindigen van de uitvoeringsovereenkomst maar voor de voltooiing van de wachttijd overlijdt, valt naar het oordeel van het hof niet uit art. 14 lid 6 af te leiden en evenmin uit de andere bepalingen van de uitvoeringsovereenkomst, het pensioenreglement en de aanvullende voorwaarden 2010. Dat Meyn werd bijgestaan door Qbenefits maakt dat niet anders.

13. Het voorstaande brengt mee dat Goudse ten onrechte dekking heeft ontzegd aan de weduwe van [werknemer]. Goudse had de verzekering van [werknemer] immers moeten voortzetten, ongeacht of was voldaan aan de voorwaarden voor premievrijstelling. Het bewijsaanbod van Goudse wordt gepasseerd, omdat er geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.

Grief I slaagt in zoverre, en daarmee ook de grieven III en IV: de vordering in conventie is ten onrechte afgewezen en de vordering in reconventie ten onrechte toegewezen. De overige door Qbenefits in grief I en II naar voren gebrachte grondslagen voor haar vordering en de daar tegenin gebrachte verweren van Goudse behoeven geen bespreking. Grief III heeft geen zelfstandige betekenis. Grief V heeft betrekking op de proceskosten van de eerste aanleg en slaagt ook.

14. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd; de vordering in conventie van Qbenefits wordt alsnog toegewezen en de vordering in reconventie van Goudse wordt afgewezen. Goudse zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in conventie en reconventie in eerste aanleg. Tegen de gevorderde wettelijke rente is geen verweer gevoerd; deze zal dus worden toegewezen als gevorderd. Hetzelfde geldt voor de vordering tot terugbetaling van hetgeen op grond van het bestreden vonnis reeds door Qbenefits aan Goudse is voldaan.

15. Goudse zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Qbenefits begroot op € 5.463,83 aan verschotten en € 9.483,- aan kosten advocaat (3 punten in tarief V). De wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar als gevorderd.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 9 januari 2019,

en opnieuw rechtdoende:

in conventie:

- veroordeelt Goudse tot betaling van € 110.000,- met de wettelijke rente daarover vanaf 19 augustus 2015 tot het moment van betaling;

- veroordeelt Goudse in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van Qbenefits tot op 9 januari 2019 begroot op € 4.031,79 aan verschotten en € 3.414,- aan salaris advocaat;

in renconventie

- wijst de vorderingen van Goudse af;

- veroordeelt Goudse in de kosten van het geding in eerste aanleg in reconventie, aan de zijde van Qbenefits tot op 9 januari 2019 begroot op € 1.707,- aan salaris advocaat;

- veroordeelt Goudse tot terugbetaling aan Qbenefits van al hetgeen Qbenefits uit hoofde van het vonnis waarvan beroep aan Goudse heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van betaling tot aan de dag van voldoening;

- veroordeelt Goudse als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Qbenefits begroot op € 5.463,83 aan verschotten, € 9.483,- aan salaris voor de advocaat en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van veertien dagen.

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.A. Schreuder, F.R. Salomons en P.M. Leerink en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2020 in aanwezigheid van de griffier.