Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1330

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-07-2020
Datum publicatie
29-07-2020
Zaaknummer
BK-19/00568 t/m BK-19/00572
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsplicht voor de Nederlandse volksverzekeringen Rijnvarende. Belanghebbende woont in Nederland, werkt op een schip dat, voorzien van een rijnvaarcertificaat van 2010 t/m 2014 vaart in de Rijnoeverstaten. De exploitant van het schip is in Nederland gevestigd, de werkgever van belanghebbende in Luxenburg.

De Inspecteur heeft het bezwaar tegen de aanslag voor het jaar 2013 terecht niet-ontvankelijk verklaard (zie voor de inhoudelijke beoordeling van het geschil over het jaar 2013 de afzonderlijke uitspraak met nummer BK-19/00573).

De SVB heeft bij besluit bepaald dat belanghebbende in de onderhavige periode is onderworpen aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving. De Rechtbank Rotterdam heeft dit oordeel in beroep bevestigd. De Inspecteur en de belastingrechter dienen zich te richten naar de verklaring van de SVB. Anders dan belanghebbende stelt, staat het ontbreken van een zogenoemde A1-verklaring niet in de weg aan de heffingsbevoegdheid van de Inspecteur (vgl. HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1151). Voor zover de belanghebbende de (zelfstandige) bevoegdheid van de Inspecteur tot vaststelling van de verzekerings- en premieplicht vóór vaststelling van de Nederlandse verzekeringsplicht door de SVB betwist, geldt dat de Inspecteur bevoegd is zelfstandig vast te stellen of sprake is van verzekeringsplicht. Het Hof is bovendien bevoegd dit oordeel materieel te toetsen (vgl. HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1236). Voorts is Nederland op grond van de Rijnvarendenovereenkomst of het EU-recht niet verplicht (eventuele) dubbele premieheffing te voorkomen door verrekening van de in Luxemburg betaalde premies toe te staan (vgl. HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1150).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 30-07-2020
V-N Vandaag 2020/1930
FutD 2020-2245
V-N 2020/47.32.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-19/00568 t/m BK-19/00572

Uitspraak van 21 juli 2020

in het geding tussen:

[belanghebbende] te [woonplaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: M.J. van Dam)

en

[inspecteur]

inzake het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 30 juli 2019, nummers SGR 18/1537, SGR 18/1538, SGR 18/1539, SGR 18/2098 en SGR 18/3938.

Procesverloop

BK-19/00568 (2010)

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een premie-inkomen voor de volksverzekeringen van € 20.763. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 199 aan heffingsrente in rekening gebracht.

BK-19/00569 (2011)

1.2.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een premie-inkomen voor de volksverzekeringen van € 20.873. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 188 aan heffingsrente in rekening gebracht.

BK-19/00570 (2012)

1.3.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een premie-inkomen voor de volksverzekeringen van € 22.646. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 466 aan belastingrente in rekening gebracht.

BK-19/00571 (2013)

1.4.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een premie-inkomen voor de volksverzekeringen van € 23.601. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 428 aan belastingrente in rekening gebracht.

BK-19/00572 (2014)

1.5.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een premie-inkomen voor de volksverzekeringen van € 26.034. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 80 aan belastingrente in rekening gebracht.

BK-19/00568, BK-19/00569, BK-19/00570 en BK-19/00572

1.6.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de beschikkingen heffings- en belastingrente voor de jaren 2010, 2011, 2012 en 2014 afgewezen.

BK-19/00571

1.7.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de beschikking belastingrente voor het jaar 2013 niet-ontvankelijk verklaard.

Alle zaken

1.8.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld tot betaling van een vergoeding voor immateriële schade aan belanghebbende van € 1.000, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 512 en de Inspecteur opgedragen het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 te vergoeden.

1.9.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier voor alle zaken tezamen een griffierecht geheven van € 128. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.10.

Een onderzoek ter zitting heeft niet plaatsgehad. Partijen hebben het Hof schriftelijk toestemming verleend een dergelijk onderzoek achterwege te laten. Op verzoek van belanghebbende is hij in de gelegenheid gesteld een conclusie van repliek in te dienen, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

1.11.

In beroep en hoger beroep zijn de zaken van belanghebbende betreffende de aanslagen inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen over de jaren 2010 tot en met 2014 (BK-19/00568 tot en met BK-19/0072) alsmede de beslissing omtrent het verzoek om ambtshalve vermindering voor het jaar 2013 (BK-19/00573) gezamenlijk behandeld. Hetgeen aangevoerd wordt in één van de zaken wordt geacht te zijn aangevoerd in alle zaken, tenzij het specifiek op de betreffende zaak betrekking heeft.

Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in de jaren 2010 tot en met 2014 in Nederland.

2.2.

Van 1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2014 is belanghebbende in dienstbetrekking werkzaam bij [A SA] [A SA, gevestigd te Q] , Luxemburg (de SA).

2.3.

Belanghebbende verricht zijn werkzaamheden gedurende de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2014 aan boord van het motorvrachtschip [B] (het schip). Vanaf 2006 is het schip eigendom van [B] [...] B.V. te [P] (de BV). Gedurende de periode van 19 mei 2003 tot en met 26 juli 2017 is het schip voorzien van een certificaat als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte.

2.4.

Belanghebbende heeft aan boord van het schip gevaren in Nederland, België, Duitsland, Frankrijk en Zwitserland.

2.5.

Het (voormalige) Ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft op 20 augustus 2007 een Rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 5, lid 1, van de Wet vervoer binnenvaart gegeven waarop de SA als exploitant en de BV als eigenaar van het schip staan vermeld. Deze Rijnvaartverklaring is per 30 september 2009 ingetrokken en nadien is met betrekking tot het schip geen Rijnvaartverklaring meer gegeven.

2.6.

De bevoegde Luxemburgse autoriteit, Union des Caisses de Maladie, heeft aan belanghebbende op 2 februari 2005 een E106‑verklaring gegeven waaruit blijkt dat belanghebbende vanaf 1 januari 2005 in Luxemburg recht heeft op prestaties uit hoofde van ziekte.

2.7.

Op 24 maart 2006 heeft de bevoegde Luxemburgse autoriteit, Centre Commun de la sécurité sociale, aan belanghebbende een E101‑verklaring gegeven waarin per 1 januari 2005 de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving van toepassing wordt verklaard. Deze verklaring is gegeven op grond van Titel II van Verordening (EEG) 1408/71. De E101-verklaring vermeldt als einddatum “indéterminé”.

2.8.

De Sociale Verzekeringsbank (SVB) noch de bevoegde Luxemburgse autoriteiten hebben aan belanghebbende een A1-verklaring gegeven die betrekking heeft op de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2014.

2.9.

Van 1 november 2014 tot en met 31 december 2014 is belanghebbende in dienstbetrekking werkzaam bij [C V.O.F.] , gevestigd te [P] .

2.10.

Bij besluit van 15 juni 2018 heeft de SVB bepaald dat belanghebbende in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2014 onderworpen is aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving. In het besluit is onder meer het volgende opgenomen:

“Wanneer u in meerdere landen van de Europese Unie werkt, moet worden bepaald welke sociale zekerheidswetgeving op u van toepassing is. Op grond van artikel 16 van Verordening EG nr. 987/2009 moet de aangewezen instantie in het woonland dit vaststellen. In Nederland is dit de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Uw gemachtigde heeft ons gevraagd om vast te stellen welke sociale zekerheidswetgeving op u van toepassing is over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2014.

(…)

1 januari 2010 tot en met 31 maart 2012

Uit uw arbeidscontract blijkt dat u sinds 1januari 2005 een dienstbetrekking voor onbepaalde tijd bij [A SA] te Luxemburg heeft. U werkte op het binnenvaartschip (motorvrachtschip) [B] met [[...]] . Dit schip is in eigendom van — en wordt geëxploiteerd door — [B] [...] BV, gevestigd in Nederland. Uit onze informatie blijkt dat u heeft gevaren in Nederland, Duitsland, België, Zwitserland en Frankrijk. Op grond van artikel 11 lid 2 Rijnvarendenverdrag (RVV) is op u de Nederlandse wetgeving van toepassing.

(…)

1 april 2012 tot en met 31 oktober 2014

Op grond van artikel 16, eerste lid van Verordening (EG) nr. 883/2004 in verbinding met artikel 4, lid 2, Rijnvarendenovereenkomst is op u de Nederlandse wetgeving van toepassing, omdat het rijnvaartschip waarop u werkzaamheden heeft verricht, wordt geëxploiteerd door een onderneming die in Nederland is gevestigd.”

2.11.

De SVB heeft belanghebbendes bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank Rotterdam. In de uitspraak van 27 januari 2020, nr. ROT 19/411, ECLI:NL:RBROT:2020:513, heeft die Rechtbank geoordeeld dat de SVB terecht heeft vastgesteld dat op belanghebbende in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2014 het Nederlandse sociale verzekeringsrecht van toepassing is. Het beroep van belanghebbende is ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

2.12.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2010 aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.006:

Buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige arbeid

€ 22.870

(Aandeel) belastbare inkomsten uit eigen woning

-/- € 2.864

€ 20.006

In de aangifte heeft belanghebbende verklaard voor het gehele jaar 2010 niet verplicht verzekerd te zijn voor de Nederlandse volksverzekeringen.

2.13.

In de definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2010 is het belastbare inkomen uit werk en woning in afwijking van de aangifte vastgesteld op € 20.763. De Inspecteur heeft belanghebbende bij de aanslagregeling voor het gehele jaar aangemerkt als verplicht verzekerde voor de Nederlandse volksverzekeringen.

2.14.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2011 aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.081:

Buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige arbeid

€ 23.119

(Aandeel) belastbare inkomsten uit eigen woning

-/- € 3.038

€ 20.081

In de aangifte heeft belanghebbende verklaard voor het gehele jaar 2011 niet verplicht verzekerd te zijn voor de volksverzekeringen.

2.15.

In de definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2011 is het belastbare inkomen uit werk en woning in afwijking van de aangifte vastgesteld op € 20.873. De Inspecteur heeft belanghebbende bij de aanslagregeling voor het gehele jaar aangemerkt als verplicht verzekerde voor de Nederlandse volksverzekeringen.

2.16.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2012 aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.646:

Buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige arbeid

€ 25.638

(Aandeel) belastbare inkomsten uit eigen woning

-/- € 2.992

€ 22.646

In de aangifte heeft belanghebbende verklaard voor het gehele jaar 2012 niet verplicht verzekerd te zijn voor de volksverzekeringen.

2.17.

In de definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2012 is het belastbare inkomen uit werk en woning conform de aangifte vastgesteld op € 22.646. De Inspecteur heeft belanghebbende bij de aanslagregeling voor het gehele jaar aangemerkt als verplicht verzekerde voor de Nederlandse volksverzekeringen.

2.18.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2013 aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.050:

Buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige arbeid

€ 27.072

(Aandeel) belastbare inkomsten uit eigen woning

-/- € 3.022

€ 24.050

In de aangifte heeft belanghebbende verklaard voor het gehele jaar 2013 niet verplicht verzekerd te zijn voor de volksverzekeringen.

2.19.

In de definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2013 is het belastbare inkomen uit werk en woning in afwijking van de aangifte vastgesteld op € 23.601. De Inspecteur heeft belanghebbende bij de aanslagregeling voor het gehele jaar aangemerkt als verplicht verzekerde voor de Nederlandse volksverzekeringen.

2.20.

Belanghebbende heeft de Inspecteur verzocht de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2013 ambtshalve te verminderen. De Inspecteur heeft belanghebbendes verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de afwijzing van de ambtshalve vermindering afgewezen. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 30 juli 2019, nummer SGR 18/7212, het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard. Belanghebbende is van deze uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft dit hoger beroep behandeld in de uitspraak van heden met nummer BK-19/00573, waarnaar hier wordt verwezen.

2.21.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2014 aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.034:

Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking

€ 6.050

Buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige arbeid

€ 22.980

(Aandeel) belastbare inkomsten uit eigen woning

-/- € 2.996

€ 26.034

In de aangifte heeft belanghebbende verklaard voor de periode 1 november 2014 tot en met 31 december 2014 niet verplicht verzekerd te zijn voor de volksverzekeringen.

2.22.

Bij brief van 25 april 2017 heeft belanghebbende aangegeven voor de periode 1 januari 2014 tot en met 31 oktober 2014 niet verplicht verzekerd te zijn voor de volksverzekeringen.

2.23.

In de definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2014 is het belastbare inkomen uit werk en woning conform de aangifte vastgesteld op € 20.034. De Inspecteur heeft belanghebbende bij de aanslagregeling voor het gehele jaar aangemerkt als verplicht verzekerde voor de Nederlandse volksverzekeringen.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang in hoger beroep, het volgende overwogen:

Ontvankelijkheid bezwaar aanslag IB/PVV 2013

10. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na die van de dagtekening van de aanslag. Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

11. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn door [de Inspecteur] is ontvangen. Als het bezwaarschrift per post wordt verstuurd, is het ook tijdig ingediend wanneer het voor afloop van de termijn op de post is gedaan en door [de Inspecteur] is ontvangen binnen een week na afloop van de termijn. Dit volgt uit artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

12. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, moet het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het bezwaarschrift betrokkene niet is toe te rekenen. Dan laat [de Inspecteur] op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring als gevolg van die te late indiening achterwege.

13. Vast staat dat de dagtekening van de aanslag 14 december 2016 is, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde op 25 januari 2017. [De Inspecteur] heeft het bezwaar van [belanghebbende] op 3 november 2017 ontvangen. Het bezwaarschrift is dus niet tijdig ingediend. [Belanghebbende] heeft geen omstandigheden aangevoerd die tot het oordeel zouden moeten leiden dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. [De Inspecteur] heeft dan ook terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het tegen de aanslag voor het jaar 2013 gerichte beroep is ongegrond. Aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil wordt in zoverre dan ook niet toegekomen. Nu [belanghebbende] echter tevens beroep heeft ingesteld tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag, heeft niettemin een inhoudelijke beoordeling van het geschil plaatsgevonden. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van heden in de zaak met zaaknummer SGR 18/7212.

Hoogte fiscaal loon 2010 en 2011

14. [Belanghebbende] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat voor de jaren 2010 en 2011 het fiscale loon op een te hoog bedrag is vastgesteld.

Bevoegdheid

15. Op grond van artikel 57 van de Wet financiering sociale verzekeringen is de rijksbelastingdienst belast met de heffing van de premies voor de volksverzekeringen. De premies voor de volksverzekeringen worden op grond van artikel 58 van voornoemde wet bij wege van aanslag geheven. Artikel 11, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalt vervolgens dat de aanslag door de Inspecteur wordt vastgesteld. De Belastingdienst is derhalve bevoegd om premie volksverzekeringen te heffen. Daaraan doet niet af dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de voor Nederland bevoegde autoriteit is om een zogenoemde regularisatieprocedure te starten (vgl. Hoge Raad 1 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:803, naar aanleiding van Hof Arnhem-Leeuwarden 15 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:6785).

Premieplicht

16. Het uitgangspunt is dat een ingezetene van Nederland van rechtswege in Nederland is verzekerd en premieplichtig is voor de volksverzekeringen. Dit volgt uit artikel 6, eerste lid, letter a, van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en gelijkluidende bepalingen in de overige volksverzekeringswetten. Op grond van artikel 6a van de AOW wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.

17. Vaststaat dat [belanghebbende] in de periode 2010 tot en met 2014 in Nederland woonde en nog niet de leeftijd van 65 jaar had bereikt. Gelet hierop is [belanghebbende] voor die jaren aan te merken als een Nederlandse ingezetene en is hij op grond van het Nederlandse nationale recht in beginsel van rechtswege in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen.

18. [Belanghebbende] stelt zich op het standpunt dat hij niet in Nederland maar in Luxemburg verzekerd en premieplichtig is voor de volksverzekeringen. De rechtbank overweegt dat, nu [belanghebbende] zich beroept op afwijking van bovengenoemde hoofdregel dat een Nederlandse ingezetene in Nederland is verzekerd voor de volksverzekeringen, op hem de last rust de daarvoor van belang zijnde feiten te stellen en - in geval van gemotiveerde betwisting door [de Inspecteur] - aannemelijk te maken (vgl. Hoge Raad 24 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3016).

19. Vast staat dat [belanghebbende] een werknemer is die, behorend tot het varend personeel, zijn beroepsarbeid verricht aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart wordt gebruikt en is voorzien van een certificaat als bedoeld in artikel 22 van de herziene Rijnvaartakte. [Belanghebbende] is derhalve een Rijnvarende in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van het Verdrag Rijnvarenden (Rijnvarendenverdrag) respectievelijk artikel 1 van de Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van de verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op Rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004 (Rijnvarendenovereenkomst), zodat de sociale verzekeringsplicht op grond van dit verdrag respectievelijk deze overeenkomst moet worden beoordeeld.

20. Artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag bepaalt dat op de Rijnvarende van toepassing is de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming, waartoe het in artikel 1, onderdeel m, bedoelde schip, aan boord waarvan deze Rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht, behoort.

21. Op grond van artikel 1, onderdeel c, en artikel 4 van de Rijnvarendenovereenkomst is [belanghebbende] premieplichtig in het land waar de zetel van de exploitant van het schip waarop hij zijn werkzaamheden heeft uitgevoerd, is gevestigd. Als exploitant in de zin van artikel 1, onderdeel c, van de Rijnvarendenovereenkomst, geldt de onderneming die het schip daadwerkelijk exploiteert en die beslissingsbevoegd is voor het economische en commerciële management van het schip.

22. De rechtbank stelt voorop dat het schip in de onderhavige jaren eigendom was van de BV. [Belanghebbende] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het schip niet tot de onderneming van de BV behoorde respectievelijk dat de BV, naast de eigenaar, niet tevens de exploitant van het schip was. Daartoe acht de rechtbank van belang dat voor het schip in de onderhavige periode geen Rijnvaartverklaring was afgegeven en dat er evenmin andere aanwijzingen zijn op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat het schip niet tot de onderneming van de BV behoorde respectievelijk dat niet de BV, als eigenaar van het schip, maar een andere partij de exploitant van het schip was. Meer in het bijzonder maakt [belanghebbende] niet aannemelijk dat het schip tot de onderneming van [A SA] behoorde respectievelijk dat [A SA] als exploitant van het schip moet worden aangemerkt. Nu de BV haar zetel in Nederland heeft respectievelijk in Nederland is gevestigd, is [belanghebbende] naar het oordeel van de rechtbank gedurende de jaren 2010 tot en met 2014 in beginsel in Nederland premieplichtig.

23. [Belanghebbende]s standpunt dat Nederland ter zake van de sociale verzekeringsplicht moet terugtreden nu [belanghebbende] zelf premies heeft betaald dan wel deze van zijn loon zijn ingehouden ten behoeve van de Luxemburgse sociale verzekeringen, kan evenmin worden gevolgd. Die betaling of inhouding creëert als zodanig geen verzekeringsplicht in Luxemburg en staat de verschuldigdheid van premies volksverzekeringen in Nederland dus niet in de weg. Ook niet in het geval, zoals bij [belanghebbende], hij de in Luxemburg betaalde verzekeringspremies niet of slechts met zeer veel moeite zal kunnen terugkrijgen. Dit regardeert Nederland niet en kan het Rijnvarendenverdrag dan wel de Rijnvarendenovereenkomst niet terzijde stellen.

E-101-verklaring

24. Aan [belanghebbende] is op 24 maart 2006 door de Luxemburgse autoriteiten een E-101-verklaring, waarin wordt verklaard dat [belanghebbende] in Luxemburg premieplichtig is, afgegeven. [Belanghebbende]s stelling dat [de Inspecteur] aan deze verklaring gebonden is, kan niet kan worden gevolgd. De E101-verklaring is niet afgegeven op grond van het Rijnvarendenverdrag, maar op grond van titel II van Verordening (EEG) 1408/71 (vgl. Hoge Raad 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0827). Nu aan de verklaring onder Verordening (EEG) 1408/71 geen rechtskracht toekwam, komt daaraan onder Verordening 883/2004 en de met toepassing van die verordening gesloten Rijnvarendenovereenkomst evenmin rechtskracht toe.

E-106-verklaring

25. [Belanghebbende] wijst voorts op een op 2 februari 2005 door de Luxemburgse autoriteiten afgegeven E-106-verklaring. De rechtbank stelt vast dat de E-106-verklaring door de Luxemburgse autoriteiten is afgegeven op grond van Verordening (EEG) 1408/71. [Belanghebbende]s standpunt dat [de Inspecteur] gebonden is aan de Luxemburgse verklaring, berust op een onjuiste rechtsopvatting gegeven in rechtsoverweging 51 van het arrest van het Europese Hof van Justitie van 9 september 2015 (ECLI:EU:C:2015:564). De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat het oordeel van het Europese Hof van Justitie anders zou luiden onder de werking van Verordening (EG) 883/2004 en ook niet ingeval geen sprake is van een E-101- maar van een E-106-verklaring (vgl. Hoge Raad 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2904). De rechtbank is daarom van oordeel dat [de Inspecteur] niet gebonden is aan de door Luxemburg aan [belanghebbende] afgegeven E-106-verklaring.

Vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel

26. Gegeven het voormelde arrest van het Europese Hof van Justitie, faalt ook [belanghebbende]s beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel: de door een andere staat afgegeven verklaring onder werking van een niet jegens [belanghebbende] toepasselijke verordening, bindt de andere staten niet. [De Inspecteur] is in een geval als het onderhavige in beginsel niet op grond van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel gebonden aan een besluit van een Luxemburgs orgaan (vgl. bijvoorbeeld r.o. 4.10 van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:6785). Omstandigheden op grond waarvan - in afwijking van dit uitgangspunt - dient te worden geconcludeerd dat het besluit van het Luxemburgse orgaan [de Inspecteur] bindt, zijn gesteld noch aannemelijk gemaakt.

Zorgvuldigheidsbeginsel

27. [Belanghebbende] beroept zich voorts op het zorgvuldigheidsbeginsel en voert daartoe aan dat een zorgvuldige voorbereiding van het besluit van [de Inspecteur] om premie volksverzekeringen te heffen had meegebracht dat [de Inspecteur] - teneinde dubbele heffing te voorkomen - contact met de Luxemburgse autoriteiten dan wel met de Sociale Verzekeringsbank zou hebben opgenomen en bovendien een interpretatieve vraag aan het Administratief Centrum zou hebben voorgelegd. Deze beroepsgrond faalt. Geen rechtsregel verplicht [de Inspecteur] vóór het opleggen van de aanslag contact op te nemen met de Luxemburgse autoriteiten. [De Inspecteur] is niet bevoegd in overleg te treden met de Luxemburgse autoriteiten om een regularisatieprocedure te starten en geen rechtsregel verplicht [de Inspecteur] om in alle gevallen waarin mogelijk sprake is van dubbele heffing contact op te nemen met de voor Nederland wel bevoegde autoriteit. Hetzelfde heeft te gelden voor [belanghebbende]s stelling dat ten onrechte geen interpretatieve vraag is voorgelegd aan het Administratief Centrum (vgl. r.o. 4.14 van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:6785). Omstandigheden die in het onderhavige geval voor een dergelijk contact aanleiding zouden geven, zijn niet aannemelijk geworden. De stelling van [belanghebbende] dat door [de Inspecteur] onvoldoende rekening is gehouden met zijn belang, door tot heffing over te gaan zonder de E101-verklaring te respecteren en zonder voorafgaande vaststelling van de toepasselijke sociale verzekeringswetgeving door de bevoegde autoriteit, stuit af op hetgeen hiervoor onder 14 is overwogen.

Conclusie

28. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Vergoeding van immateriële schade 2010, 2011 en 2012

29. [Belanghebbende] heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade ontstaan wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AO9006). Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg, wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Hiervan komt een half jaar toe aan de bezwaarfase.

30. Ten aanzien van de jaren 2010 en 2011 staat vast dat [belanghebbende] expliciet en ongeclausuleerd heeft ingestemd met verlenging van de beslistermijn met de periode welke ligt tussen de beslisdatum van artikel 7:10, derde lid, van de Awb, en de datum waarop uitspaak wordt gedaan op het bezwaarschrift. Gelet hierop blijft deze periode buiten aanmerking (vgl. Hoge Raad 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2600) en is in zoverre van een overschrijding van de redelijke termijn geen sprake.

31. Voor het jaar 2012 geldt dat [belanghebbende] niet heeft ingestemd met uitstel. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door [de Inspecteur] op 22 november 2016 tot de uitspraak van de rechtbank tot op heden zijn twee jaar en ruim acht maanden verstreken. Derhalve is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met ruim acht maanden, welke geheel dient te worden toegerekend aan [de Inspecteur] nu de rechtbank zelf binnen de haar toekomende tijd uitspraak heeft gedaan. De rechtbank ziet daarom, ondanks dat (ook) het beroep voor het jaar 2012 ongegrond is, wel aanleiding om [belanghebbende] een immateriële schadevergoeding toe te kennen, welke wordt bepaald op € 1.000.

Proceskosten en griffierecht

32. Aangezien de rechtbank een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toekent, bestaat aanleiding het door [belanghebbende] betaalde griffierecht alsmede zijn in de beroepsfase gemaakte proceskosten door [de Inspecteur] te laten vergoeden (zie Hoge Raad 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660). De rechtbank stelt de te vergoeden proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 512 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 512 en een wegingsfactor 0,5 nu de proceskostenvergoeding enkel het gevolg is van de toekenning van een vergoeding voor immateriële schade.”

Geschil in hoger beroep, standpunten en conclusies van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil (i) of de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2013 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, (ii) of de Inspecteur bevoegd is premies volksverzekeringen te heffen, en (iii) of belanghebbende in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2014 in Nederland verzekerd en premieplichtig is voor de Nederlandse volksverzekeringen.

4.2.

Belanghebbende betoogt, kort weergegeven, primair dat de Inspecteur niet bevoegd is premies volksverzekeringen te heffen, en dat de belastingrechter niet zelfstandig een oordeel kan geven over de verzekerings- en premieplicht, omdat de SVB de premieplicht voor de volksverzekeringen niet door middel van een besluit of een A1-verklaring heeft vastgesteld. Subsidiair betoogt belanghebbende dat hij in aanmerking komt voor verrekening van de in Luxemburg betaalde sociale verzekeringspremie, mocht vast komen te staan dat de Nederlandse volksverzekeringen op hem van toepassing zijn. Belanghebbende stelt daarnaast dat het belastbare loon te hoog is vastgesteld.

4.3.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat hij bevoegd is premies volksverzekeringen te heffen, dat belanghebbende gedurende de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2014 in Nederland verzekerd en premieplichtig is, dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor verrekening van de in Luxemburg betaalde sociale verzekeringspremie, en dat het belastbare loon niet te hoog is vastgesteld.

4.4.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014 tot aanslagen waarin geen premie volksverzekeringen is begrepen, tot toekenning van een immateriële schadevergoeding en tot toekenning van een vergoeding voor proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep.

4.5.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Ontvankelijkheid bezwaar 2013

5.1.

Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend, indien het vóór het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:9, tweede lid, Awb is bij verzending per post een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Overschrijding van de bezwaartermijn leidt in beginsel tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaar. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar blijft ingevolge artikel 6:11 Awb achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

5.2.

De aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2013 is gedagtekend op 14 december 2016. De bezwaartermijn is derhalve aangevangen op 15 december 2016 en geëindigd met 25 januari 2017. Uit het feit dat het bezwaarschrift bij de Inspecteur is ingekomen op 3 november 2017, volgt dat het niet tijdig is ingediend.

5.3.

Belanghebbende betwist in zijn conclusie van repliek dat de aanslag 2013 is opgemaakt, ter post is bezorgd en door belanghebbende is ontvangen. Het ligt op de weg van de inspecteur aannemelijk te maken dat de aanslag op het adres van de belanghebbende is ontvangen of aangeboden dan wel de belanghebbende anderszins heeft bereikt, waarbij de inspecteur in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending van de aanslag naar het juiste adres. Indien het stukken betreft die, zoals in dit geval, niet aangetekend zijn verzonden, kan de inspecteur dat bewijs leveren door een administratie over te leggen waaruit blijkt dat en op welke datum de stukken zijn verzonden (vgl. HR 12 juli 2019, nr. 18/03304, ECLI:NL HR:2019:1175 en ABRvS 10 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL3338). Het ligt vervolgens op de weg van de belastingplichtige het hieruit voortvloeiende vermoeden van ontvangst of aanbieding van de aanslag op dat adres te ontzenuwen (zie HR 1 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416, BNB 2007/112 en HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1268, BNB 2016/192).

5.4.

Niet in geschil is dat het adres dat op de aanslag staat vermeld, juist is. Tegenover de betwisting van ontvangst van de aanslag door belanghebbende heeft de Inspecteur bij de conclusie van dupliek gegevens uit de verzendadministratie van de Belastingdienst overgelegd, waaronder een verzendrapport met bijlagen. Deze bijlagen betreffen onder andere de zogenoemde SAP-dispositielijst (‘ZP05’) en een uitdraai uit ‘TSOP’. Hiermee heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat de aanslag is opgemaakt en op 9 december 2016 ter post is bezorgd. De verzending van een stuk per post rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van dit stuk op het daarop vermelde adres. De belanghebbende die de ontvangst van een door de Belastingdienst verzonden stuk ontkent, dient dit vermoeden te ontzenuwen. Hij hoeft daartoe niet aannemelijk te maken dat het stuk niet op dat adres is ontvangen of aangeboden, maar kan volstaan met het aannemelijk maken dat de ontvangst van het stuk redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Belanghebbende heeft niets gesteld op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Uitgaande van het vorenstaande heeft de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag voor het jaar 2013 terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep van belanghebbende moet in zoverre ongegrond worden verklaard.

5.5.

De hierna te beoordelen periode betreft derhalve de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2014, met uitzondering van de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 (hierna: de onderhavige periode).

5.6.

Voor de inhoudelijke beoordeling van het geschil over het jaar 2013 verwijst het Hof naar de afzonderlijke uitspraak van heden met nummer BK-19/00573, inzake het hoger beroep met betrekking tot de afwijzing van de ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2013.

Bevoegdheid Inspecteur en belastingrechter tot vaststelling verzekerings- en premieplicht

5.7.

Belanghebbende betoogt dat hij in de onderhavige periode niet in Nederland verzekerd en premieplichtig is, maar dat hij valt onder het socialezekerheidsstelsel van Luxemburg. Belanghebbende stelt ter onderbouwing hiervan dat het per 1 mei 2010 op hem toepasselijke sociale verzekeringsrecht niet is vastgesteld in overeenstemming met de geldende voorschriften van Verordening (EG) 883/2004 (de Basisverordening),1 Verordening (EG) 987/2009 (de Toepassingsverordening)2 en het Besluit A1 van de Administratieve Commissie.3 Belanghebbende voert meer specifiek aan dat de premieplicht voor de volksverzekeringen niet is vastgesteld door de SVB, die bij uitsluiting de daartoe bevoegde autoriteit is. Volgens belanghebbende is de Inspecteur, bij gebrek aan een vaststelling over de toepasselijke wetgeving door middel van een A1-verklaring of een besluit van de SVB, niet bevoegd tot het heffen van premies volksverzekeringen op basis van een verzekeringsplicht. Bovendien is de belastingrechter niet bevoegd inhoudelijk te oordelen over de premieplicht voor de volksverzekeringen, nu een dergelijk oordeel is voorbehouden aan de algemene bestuursrechter, aldus belanghebbende. Belanghebbende doet in dit verband een beroep op de uitspraken van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 augustus 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3139, ECLI:NL:GHSHE:2019:3140 en ECLI:NL:GHSHE:2019:3141. Vgl. de arresten van de Hoge Raad van 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1150, ECLI:NL:HR:2020:1151 en ECLI:NL:HR:2020:1238, waarbij de hiervoor genoemde uitspraken zijn vernietigd.

5.8.

Het Hof vat deze stellingen op als een betwisting van de (zelfstandige) bevoegdheid van de Inspecteur tot vaststelling van de verzekerings- en premieplicht in de periode voorafgaand aan de vaststelling van de toepasselijke wetgeving bij het besluit van de SVB genoemd in 2.10.

5.9.

Het Hof overweegt dienaangaande dat de premie voor de volksverzekeringen ingevolge artikel 57 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) wordt geheven door de rijksbelastingdienst. De premie voor de volksverzekeringen wordt ingevolge artikel 58 van de Wfsv bij wege van aanslag geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regels. Artikel 11, eerste lid, van de AWR bepaalt dat de aanslag door de inspecteur wordt vastgesteld. Gelet op deze wettelijke regels heeft de inspecteur derhalve de bevoegdheid premie volksverzekeringen te heffen. Heffing vindt plaats van de premieplichtige. Premieplichtig is de verzekerde. Om de premieplicht te kunnen vaststellen zal de inspecteur, bij gebrek aan een besluit van de SVB, eerst moeten constateren of sprake is van verzekeringsplicht aan de hand van de ingevolge de aanwijsregels toe te passen regelgeving en de daarbij van belang geachte feiten en omstandigheden (vgl. HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1236).

5.10.

Vast staat dat belanghebbende in de jaren 2010 tot en met 2014 in Nederland woont en nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Gelet hierop en op het bepaalde in de artikelen 2 en 6 van de Algemene ouderdomswet (AOW) en de dienovereenkomstige bepalingen in de overige volksverzekeringswetten, was belanghebbende in de onderhavige periode Nederlands ingezetene en derhalve van rechtswege in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen.

5.11.

In afwijking van artikel 6 AOW wordt op grond van artikel 6a AOW als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie. Niet als verzekerde wordt aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.

5.12.

Belanghebbende stelt dat hij, in afwijking van de in 5.10 vermelde hoofdregel, in de onderhavige periode niet in Nederland verzekerd en premieplichtig is. Het is aan hem feiten en omstandigheden te stellen en, gelet op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, aannemelijk te maken die tot de conclusie leiden dat hij in die periode niet in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen is (zie onder meer HR 24 oktober 2014, nr. 14/1601, ECLI:NL:HR:2014:3016, BNB 2014/264). Het Hof is bevoegd materieel te toetsen of belanghebbende voor de onderhavige periode verzekerings- en premieplichtig is in Nederland (vgl. HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1236).

5.13.

Vast staat dat belanghebbende tot en met 31 oktober 2014 een werknemer was die behoorde tot het varend personeel en dat hij zijn beroepsarbeid verrichte aan boord van het schip, dat met winstoogmerk in de Rijnvaart werd gebruikt. Het schip waarop belanghebbende zijn werkzaamheden verrichte, was voorzien van een certificaat als bedoeld in artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte. Belanghebbende moet daarom worden aangemerkt als Rijnvarende in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (het Rijnvarendenverdrag) alsmede in de zin van artikel 1, onderdeel a, van de Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van de verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op Rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004 (de Rijnvarendenovereenkomst).

5.14.

In het Rijnvarendenverdrag hebben de verdragsluitende partijen, waaronder Nederland en Luxemburg, exclusieve aanwijsregels opgenomen voor Rijnvarenden, in afwijking van de algemene regels inzake de vaststelling van de toepasselijke wetgeving van titel II van Verordening (EEG) 1408/71; het Rijnvarendenverdrag had voorrang op grond van artikel 7 van Verordening (EEG) 1408/71. De Rijnvarendenovereenkomst betreft een overeenkomst als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Basisverordening en bevat voor de ondertekenende staten, waaronder Nederland en Luxemburg, exclusieve aanwijsregels voor Rijnvarenden in afwijking van de artikelen 11 tot en met 15 van de Basisverordening. De Rijnvarendenovereenkomst is met terugwerkende kracht per 1 mei 2010 in werking getreden. De sociale verzekeringsplicht van belanghebbende dient derhalve voor de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 april 2010 bepaald te worden op grond van het Rijnvarendenverdrag. Voor de periode van 1 mei 2010 tot en met 31 oktober 2014 dient belanghebbendes sociale verzekeringsplicht vastgesteld te worden op grond van de Rijnvarendenovereenkomst.

5.15.

Belanghebbende valt als Rijnvarende onder de personele en de materiële werkingssfeer van de artikelen 2 en 3 van het Rijnvarendenverdrag. Artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag bepaalt dat op belanghebbende van toepassing is de wetgeving van de staat op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming, waartoe het schip, aan boord waarvan belanghebbende zijn werkzaamheden verricht, behoort. Als onderneming waartoe het schip behoort, heeft te gelden de onderneming voor wier rekening en risico het schip wordt geëxploiteerd. Dat is ook de ondernemer die de winst geniet die met het gebruik van het schip in de Rijnvaart wordt beoogd, en derhalve het winstoogmerk heeft dat vereist is in artikel 1, eerste lid, onderdeel m, van het Rijnvarendenverdrag (zie HR 9 december 2011, nr. 10/03927, ECLI:NL:HR:2011:BQ2938, BNB 2012/56). Vast staat dat de BV de eigenaar van het schip is. Belanghebbende heeft onvoldoende gesteld om aannemelijk te maken dat het schip werd geëxploiteerd door een andere onderneming dan de BV, in het bijzonder de SA. Het Hof is daarom met de Rechtbank van oordeel dat het schip moet worden geacht te behoren tot de onderneming van de BV. Volgens de aanwijsregels van artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag is derhalve – van 1 januari 2010 tot en met 30 april 2010 – de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op belanghebbende van toepassing.

5.16.

Belanghebbende valt als Rijnvarende onder de personele en de materiële werkingssfeer als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Rijnvarendenovereenkomst. Volgens artikel 4, tweede lid, in verbinding met artikel 1, onderdeel c, van de Rijnvarendenovereenkomst is op de Rijnvarende de wetgeving van toepassing van de ondertekenende staat op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming waartoe het schip behoort aan boord waarvan deze Rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht. Dit betreft de onderneming die het schip exploiteert, ongeacht of deze de eigenaar van het schip is. Wanneer het schip door meerdere ondernemingen wordt geëxploiteerd, geldt als exploitant van het schip de onderneming die het schip daadwerkelijk exploiteert en die beslissingsbevoegd is voor het economische en commerciële management van het schip, waarbij de op de Rijnvaartverklaring (indien aanwezig) vermelde gegevens maatgevend zijn. Vast staat dat de BV de eigenaar van het schip is. Een Rijnvaartverklaring die een andere onderneming dan de BV aanwijst als exploitant van het schip is voor de onderhavige periode niet voorhanden. Belanghebbende heeft onvoldoende gesteld om aannemelijk te maken dat een andere onderneming, in het bijzonder de SA, de exploitant van het schip was, dan wel dat het schip door meerdere ondernemingen werd geëxploiteerd. Het Hof is daarom met de Rechtbank van oordeel dat de BV moet worden aangemerkt als exploitant van het schip. Volgens de aanwijsregels van artikel 4, tweede lid, van de Rijnvarendenovereenkomst is derhalve – vanaf 1 mei 2010 tot en met 31 oktober 2014 (de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 buiten beschouwing latend) – de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op belanghebbende van toepassing.

5.17.

Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld ter onderbouwing van het standpunt dat hij in de periode van 1 november 2014 tot en met 31 december 2014 niet in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen is. Vanaf 1 november 2014 tot en met 31 december 2014 is derhalve de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving op belanghebbende van toepassing.

5.18.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat belanghebbende in de onderhavige periode in Nederland verzekeringsplichtig is voor de volksverzekeringen en dat hij daarmee in Nederland premieplichtig is. De Inspecteur heeft vóór de vaststelling van de toepasselijke wetgeving door de SVB derhalve overeenkomstig de in 5.9 genoemde regelgeving zijn heffingsbevoegdheid uitgeoefend. Dit oordeel vindt bevestiging in het besluit van de SVB genoemd in 2.10 en de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam genoemd in 2.11.

5.19.

De Inspecteur en de belastingrechter zijn bij de heffing van premies voor de sociale verzekeringen gebonden aan een verklaring van de SVB over de toepasselijke wetgeving, zoals een A1-verklaring, zolang deze niet is ingetrokken of ongeldig is verklaard. Dit geldt ook indien tegen een dergelijke verklaring van de SVB over de toepasselijke wetgeving een rechtsmiddel is aangewend (zie HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1725, BNB 2019/44, r.o. 5.4 en 5.5.1).

5.20.

De SVB heeft bij besluit van 15 juni 2018 bepaald dat belanghebbende in de onderhavige periode tot en met 31 oktober 2014 onderworpen is aan de Nederlandse socialezekerheidswetgeving. De Rechtbank Rotterdam heeft dit oordeel in beroep bevestigd. Hiermee hebben zowel de SVB als de socialezekerheidsrechter geoordeeld over de verzekerings- en premieplicht van belanghebbende in Nederland. Voor zover belanghebbende betoogt dat de sociale verzekeringsplicht van belanghebbende in Nederland niet door middel van een besluit van de SVB is vastgesteld, faalt dit betoog. De Inspecteur en de belastingrechter zijn derhalve in beginsel gebonden aan het besluit van de SVB van 15 juni 2018 en het oordeel hierover van de sociale zekerheidsrechter. Daaraan kan niet afdoen dat het besluit van de SVB enkele jaren na de onderhavige periode is gegeven. Evenmin kan hieraan afdoen dat tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam hoger beroep is ingesteld.

5.21.

Vast staat dat de SVB voor de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2014 geen A1-verklaring in de zin van artikel 19, tweede lid, van de Toepassingsverordening heeft gegeven. Het besluit van de SVB van 15 juni 2018 kan niet worden aangemerkt als een A1-verklaring. Het besluit van de SVB heeft rechtskracht, zodat de Inspecteur en de belastingrechter zich dienen te richten naar de verklaring van de SVB, zolang die verklaring niet is ingetrokken of ongeldig is verklaard. Een A1-verklaring is immers geen constitutief vereiste voor de heffing van premie volksverzekeringen (vgl. HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0546, BNB 2009/312). Anders dan belanghebbende stelt, staat het ontbreken van een A1-verklaring niet in de weg aan de heffingsbevoegdheid van de Inspecteur (vgl. HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1151).

5.22.

Volledigheidshalve merkt het Hof op dat ingeval de socialezekerheidsrechter het besluit van de SVB in hoger beroep vernietigt, waarmee zou komen vast te staan dat de verklaring onjuist was, de belastingrechter op verzoek van belanghebbende zijn uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:119 Awb kan herzien (vgl. HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1725, BNB 2019/44). Hetzelfde heeft te gelden ingeval de SVB alsnog een A1-verklaring voor de periode van 1 mei 2010 tot en met 31 oktober 2014 aan belanghebbende afgeeft waarin de Nederlandse wetgeving van toepassing wordt verklaard, en nadien in een procedure bij de socialezekerheidsrechter zou komen vast te staan dat deze verklaring onrechtmatig is. Ook indien de bevoegde Luxemburgse autoriteiten op grond van een onherroepelijke A1-verklaring de Luxemburgse wetgeving op belanghebbende van toepassing verklaren, kan belanghebbende de belastingrechter verzoeken zijn uitspraak te herzien.

E101-verklaring

5.23.

Belanghebbende betoogt dat op grond van artikel 6, tweede lid, van de Rijnvarendenovereenkomst de door de Luxemburgse autoriteiten afgegeven E101-verklaring, waarin de Luxemburgse socialezekerheidswetgeving op belanghebbende van toepassing wordt verklaard, door de Nederlandse autoriteiten gerespecteerd moet worden. Op grond van artikel 6, tweede lid, van de Rijnvarendenovereenkomst behouden verklaringen over de toepasselijke wetgeving op grond van het Rijnvarendenverdrag de in die verklaring vermelde geldigheidsduur. Het Hof is, anders dan belanghebbende, van oordeel dat aan de door de Luxemburgse autoriteiten afgegeven E101-verklaring, die geen vaste einddatum kent, in dit geval geen betekenis kan worden toegekend. De E101-verklaring is namelijk niet gegeven op grond van het Rijnvarendenverdrag, maar op grond van titel II van Verordening (EEG) 1408/71. Aan een dergelijke verklaring kwam onder deze verordening geen betekenis toe in gevallen waarin het Rijnvarendenverdrag van toepassing was (zie HR 11 oktober 2013, nr. 12/04012, ECLI:NL:HR:2013:CA0827, BNB 2013/257, en HR 22 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:82, BNB 2016/101). Nu aan de E101-verklaring onder Verordening (EEG) 1408/71 geen rechtskracht toekwam, komt daaraan per 1 mei 2010 onder de Rijnvarendenovereenkomst evenmin rechtskracht toe. De door belanghebbende bepleite verbindendheid van de E101-verklaring vloeit evenmin voort uit artikel 6, tweede lid, van de Rijnvarendenovereenkomst (zie HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1151, r.o. 3.1.2). De stelling van belanghebbende dat de Inspecteur aan de E101-verklaring gebonden is, kan daarom niet worden gevolgd.

Het beginsel van loyale samenwerking (artikel 4, derde lid, VWEU)

5.24.

Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat het niet volgen van de procedure van artikel 16 van de Toepassingsverordening in strijd is met het beginsel van loyale samenwerking, zoals dat is neergelegd in artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

5.25.

Ook dit standpunt faalt. In de verhouding tussen Nederland en Luxemburg zijn de Rijnvarendenovereenkomst en de daarin opgenomen aanwijsregels bindend, zodat van handelen in strijd met het beginsel van loyale samenwerking wegens het niet volgen van de procedure van artikel 16 van de Toepassingsverordening geen sprake kan zijn.

5.26.

Naar het oordeel van het Hof zal belanghebbende, indien hij een uitzondering op de aanwijsregels van de Rijnvarendenovereenkomst wenst, daartoe volgens de in artikel 18 van de Toepassingsverordening beschreven procedure een verzoek moeten indienen bij de bevoegde autoriteit of het orgaan dat is aangewezen door de autoriteit van de lidstaat waarvan hij toepassing van de wetgeving wenst, in dit geval Luxemburg. Een dergelijk verzoek tot regularisatie kan geen inzet zijn van de onderhavige procedure, aangezien de Inspecteur niet bevoegd is om een dergelijke 'regularisatieprocedure' te voeren.

Naar het Hof begrijpt, heeft belanghebbende voor de jaren 2010 tot en met 2014 een verzoek tot regularisatie ingediend bij de SVB, waarover bij de algemene bestuursrechter een procedure is gevoerd. Het Hof wijst op de uitspraak van Rechtbank Rotterdam van 27 januari 2020, ECLIECLI:NL:RBROT:2020:510.

Dubbele heffing en toepassing van artikel 73 Toepassingsverordening

5.27.

Belanghebbende betoogt subsidiair dat, indien het Nederlandse sociale zekerheidsrecht van toepassing is, de belastingrechter dubbele premieheffing dient te voorkomen door artikel 73, tweede lid, van de Toepassingsverordening naar zijn strekking toe te passen. Belanghebbende doet in dit verband een beroep op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817 en de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 augustus 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3140. Meer specifiek betoogt belanghebbende dat het Unierecht zich ertegen verzet dat lidstaten zich onttrekken aan het bepaalde in artikel 73 van de Toepassingsverordening op, bijvoorbeeld, de grond dat de toepasselijke wetgeving in afwijking van de artikelen 6 en 16 van de Toepassingsverordening niet eerst uitdrukkelijk voorlopig is vastgesteld, en/of de grond dat ontvangen premies niet zijn geoormerkt als voorlopig ontvangen premies. Indien aangewezen organen van de lidstaten de procedurevoorschriften van de Toepassingsverordening niet in acht nemen en artikel 73 van de Toepassingsverordening alleen daarom naar de letter niet van toepassing zou zijn, moeten de betrokken organen in onderling overleg bezien hoe zij, in overeenstemming met de ratio van deze bepaling, toch adequaat invulling kunnen geven aan het hieraan ten grondslag liggende uitgangspunt, aldus belanghebbende.

5.28.

Volgens belanghebbende heeft dit standpunt te gelden indien en voor zover op grond van een besluit van de SVB zou komen vast te staan dat Nederland bevoegd is premies volksverzekeringen te heffen. Het Hof gaat er in dit verband vanuit dat de Inspecteur en de belastingrechter zich dienen te richten naar het besluit van de SVB van 15 juni 2018, zolang dat besluit niet is ingetrokken of ongeldig is verklaard (zie de punten 5.19 tot en met 5.21).

5.29.

De Centrale Raad van Beroep overweegt in 8.7 en 8.8 van de in 5.26 genoemde uitspraak, onder verwijzing naar het arrest HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1725, BNB 2019/44, dat met het Unierecht onverenigbare dubbele heffingen, in situaties als aan de orde in de zaken die bij de Centrale Raad van Beroep aanhangig waren, in beginsel niet kunnen worden voorkomen of hersteld door de Belastingdienst en de belastingrechter. Dat kunnen in de Nederlandse context alleen de SVB en de socialezekerheidsrechter. De SVB is voor de hier aan de orde zijnde Unierechtelijke regelgeving immers voor Nederland de bevoegde autoriteit. Ingevolge Nederlands nationaal recht is de Belastingdienst bevoegd ter zake van de heffing van premie volksverzekeringen, maar de Belastingdienst is niet de bevoegde autoriteit om in overleg met een andere lidstaat te coördineren in welke lidstaat iemand verzekerings- en premieplichtig is, en ook niet om een verrekening te bewerkstelligen van in een andere lidstaat reeds betaalde premie. Het ligt volgens de Centrale Raad van Beroep, mede gelet op punten 9 en 10 van de preambule bij de Toepassingsverordening, dan ook in de rede dat de SVB zich mede verantwoordelijk acht voor een verrekening van in een andere lidstaat reeds betaalde sociale verzekeringspremies als bedoeld in artikel 73, tweede lid, van de Toepassingsverordening indien naderhand blijkt dat iemand in Nederland verzekerings- en premieplichtig is en niet in een andere lidstaat, waar reeds sociale verzekeringspremies zijn betaald.

5.30.

Belanghebbende is in de onderhavige periode voor de volksverzekeringen verzekerd in Nederland. Vast staat dat belanghebbende in 2014 ook in Luxemburg sociale verzekeringspremies heeft betaald. Aan de terugbetaling van reeds in een andere lidstaat betaalde sociale zekerheidspremies zoals bedoeld in artikel 73, tweede lid, van de Toepassingsverordening kan slechts worden toegekomen nadat het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de verzekeringsplicht is vastgesteld, in dit geval de SVB, zekerheid heeft gekregen over de premies die zijn betaald aan de lidstaat die op grond van artikel 6, eerste lid, van de Toepassingsverordening de verzekeringsplicht voorlopig heeft vastgesteld. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bevoegde autoriteit in Luxemburg de sociale verzekeringsplicht in Luxemburg voor de periode van 1 mei 2010 tot en met 31 oktober 2014 voorlopig heeft vastgesteld. Artikel 73, tweede lid, van de Toepassingsverordening is daarom niet van toepassing.

5.31.

Indien het Hof er met belanghebbende veronderstellenderwijs vanuit gaat dat Nederland zich in dit geval zou hebben onttrokken aan het bepaalde in de artikelen 6, 16 en 73 van de Toepassingsverordening en dat daarom op Nederland de plicht zou rusten in overeenstemming met de ratio van artikel 73, tweede lid, van de Toepassingsverordening te handelen, ook al is deze bepaling naar de letter niet van toepassing, geldt het volgende. Aangezien het stelsel van de Rijnvarendenovereenkomst belet dat op een Rijnvarende de wetgeving van meer dan één Rijnoeverstaat van toepassing zou kunnen zijn en niet voorziet in voorlopige toepassing van wetgeving van een Rijnoeverstaat, bieden de genoemde artikelen van de Toepassingsverordening geen grondslag voor verrekening in een geval waarin op grond van de Rijnvarendenovereenkomst de wetgeving van slechts één Rijnoeverstaat van toepassing is en desondanks in meer dan één Rijnoeverstaat premies worden geheven. De Rijnvarendenovereenkomst voorziet voor een geval waarin een Rijnvarende ondanks het stelsel van de Rijnvarendenovereenkomst gevolgen van dubbele heffing ondervindt, niet in een procedure om te waarborgen dat dubbele heffing achterwege blijft. In een geval waarin de Rijnvarendenovereenkomst van toepassing is, bieden de artikelen 6, 16 en 73 van de Toepassingsverordening geen rechtsgrond die de Inspecteur verplicht tot verrekening ingeval in meer dan één Rijnoeverstaat premieheffing plaatsvindt (zie HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1150). Het is derhalve evenmin aan de belastingrechter om de door belanghebbende voorgestane verrekening van Luxemburgse sociale verzekeringspremies toe te passen. Het Hof komt tot het oordeel dat de belastingrechter niet gehouden is dubbele premieheffing in de periode van 1 mei 2010 tot en met 31 oktober 2014 te voorkomen door verrekening van de in Luxemburg betaalde premies toe te staan.

Vaststelling belastbaar loon

5.32.

In de conclusie van repliek stelt belanghebbende dat het belastbare loon te hoog is vastgesteld omdat de Inspecteur voorbijgaat aan artikel 3.16, negende lid, Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Volgens belanghebbende dienen de in Luxemburg betaalde sociale premies in aftrek te komen op het belastbare loon. Op grond van de door belanghebbende genoemde bepaling komen bij het bepalen van de belastbare winst niet in aftrek premies voor buitenlandse verzekeringen. Deze bepaling heeft geen betrekking op de vaststelling van het belastbare loon. In afdeling 3.3 van de Wet IB 2001 is voorts geen bepaling te vinden op grond waarvan buitenlandse sociale verzekeringspremies in mindering komen op het belastbare loon. Overigens onderbouwt belanghebbende niet voor welke bedragen deze premies in aftrek moeten komen op het belastbare loon van belanghebbende. Het Hof verwerpt daarom de stelling van belanghebbende dat het belastbare loon van belanghebbende te hoog is vastgesteld.

Heffings- en belastingrente

5.33.

Belanghebbende heeft tegen het in rekening brengen van heffings- en belastingrente geen afzonderlijke grieven aangevoerd. Evenmin is gebleken dat deze bedragen niet overeenkomstig de wettelijke bepalingen zijn berekend.

Immateriële schadevergoeding 2010 en 2011

5.34.

Belanghebbende verzoekt om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure in bezwaar en beroep met betrekking tot de jaren 2010 en 2011. Voor deze jaren heeft de Rechtbank geoordeeld dat de redelijke termijn moet worden verlengd met de duur van de verlenging van de beslistermijn waarmee belanghebbende heeft ingestemd. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de instemming van zijn gemachtigde met het voorstel van de Inspecteur om de beslistermijn als bedoeld in artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te verlengen niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die aanleiding kan geven voor het verlengen van de redelijke termijn als bedoeld in r.o. 4.5 van het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, BNB 2005/337 en r.o. 3.5.1 en 3.5.2 van het arrest HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140.

5.35.

Het Hof kan belanghebbende niet volgen in zijn betoog. De redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase tezamen bedraagt twee jaar, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (zie onder meer HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140). De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de instemming van de gemachtigde met overschrijding van de wettelijke beslistermijn een bijzondere omstandigheid in voormelde zin vormt (vgl. HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2600, BNB 2017/219 en de uitspraak van dit Hof van 2 oktober 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2617). Door de instemming kan immers voor de op die instemming betrekking hebbende tijd niet worden gezegd dat sprake is van spanning en frustratie bij belanghebbende.

5.36.

De gemachtigde van belanghebbende heeft op 26 maart 2013 ingestemd met het door de Inspecteur gedane voorstel om de beslistermijn op het bezwaar inzake het jaar 2010 te verlengen met de periode die ligt tussen de beslisdatum van artikel 7:10, lid 3, Awb, zijnde 6 juni 2013, en de datum van de uitspraak op bezwaar, zijnde 19 januari 2018. In deze periode is het bezwaar onder meer aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen van het Gerechtshof Den Bosch door het Hof van Justitie van de Europese Unie. Belanghebbende heeft hiermee ingestemd. Indien belanghebbende op enig moment niet langer akkoord was met het aanhouden van het bezwaar, had het op de weg van belanghebbende gelegen deze afspraak te beëindigen. De redelijke termijn dient derhalve te worden verlengd met de periode van 6 juni 2013 tot en met 19 januari 2018, dus vier jaar en ruim zeven maanden. Dit betekent dat de redelijke termijn - rekening houdend met de termijnverlenging - voor de gezamenlijke fase van bezwaar en beroep niet is overschreden.

5.37.

De gemachtigde van belanghebbende heeft op 23 juni 2014 ingestemd met het door de Inspecteur gedane voorstel om de beslistermijn op het bezwaar inzake het jaar 2010 te verlengen met de periode die ligt tussen de beslisdatum van artikel 7:10, lid 3, Awb, zijnde 20 juni 2014, en de datum van de uitspraak op bezwaar, zijnde 19 januari 2018. Hetgeen hiervoor in 5.35 is overwogen, geldt evenzeer voor de verlenging van de beslistermijn voor het jaar 2011. De redelijke termijn dient te worden verlengd met de periode van 20 juni 2014 tot en met 19 januari 2018, dus drie jaar en ongeveer zeven maanden. Dit betekent dat de redelijke termijn - rekening houdend met de termijnverlenging - voor de gezamenlijke fase van bezwaar en beroep niet is overschreden.

5.38.

Op grond van het arrest HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1461, BNB 2014/200, kan een aanspraak op vergoeding van immateriële schade niet worden afgewezen of beperkt op grond van de omstandigheid dat de belanghebbende niet heeft aangedrongen op een spoedige behandeling van zijn zaak teneinde overschrijding van de redelijke termijn te voorkomen. Van een dergelijke situatie is in dit geval, anders dan belanghebbende betoogt, geen sprake. De aanspraak op immateriële schadevergoeding wordt immers niet op deze grond afgewezen, maar op de grond dat belanghebbende heeft ingestemd met de verlenging van de beslistermijn. Dit is niet op te vatten als een feitelijke tegenwerping aan belanghebbende dat hij niet zou hebben aangedrongen op een spoedige behandeling van zijn zaak teneinde overschrijding van de redelijke termijn te voorkomen.

5.39.

Het oordeel van de Rechtbank dat in het onderhavige geval voor de jaren 2010 en 2011 de redelijke termijn in bezwaar niet is overschreden, is dus juist.

5.40.

De redelijke termijn in hoger beroep is niet overschreden omdat sinds het instellen daarvan tot de uitspraak van het Hof nog geen twee jaar is verstreken.

Slotsom

5.41.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is het hoger beroep ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht, nu het hoger beroep ongegrond is, geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep. Evenmin is er aanleiding de vergoeding van het griffierecht te gelasten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, P.J.J. Vonk en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema. De beslissing is op 21 juli 2020 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

1 Verordening (EG) Nr. 883/2004 van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels.

2 Verordening (EG) nr. 987/2009 van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) Nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels.

3 Besluit Nr. A1 van 12 juni 2009 betreffende de instelling van een dialoog- en bemiddelingsprocedure met betrekking tot de geldigheid van documenten, het bepalen van de toepasselijke wetgeving en het verlenen van prestaties uit hoofde van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad, Pb 2010/C 106/01.