Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1300

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
21-07-2020
Datum publicatie
21-07-2020
Zaaknummer
200.248.497/01 en 200.249.342/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:1978, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:7979, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

K.g. Onrechtm. concurrentie tussen 2 ondernemingen in specialistische branche door het op grote schaal wegkopen van ervaren werknemers. Tijdelijk verbod tot benaderen van werknemers. Hof veroordeelt partij in deel werkelijke proceskosten. Art. 21 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

afdeling civiel recht

zaaknummers: 200.248.497/01

200.249.342/01

zaaknummers rechtbank Rotterdam: C/10/555181 / KG ZA 18-822

C/10/556626 / KG ZA 18-908

arrest van 21 juli 2020

in de gevoegde zaken van

1 AMSPEC B.V.,

gevestigd te Rozenburg,

2. [werknemer 1],

wonende te [woonplaats 1] ,

appellanten in principaal beroep,

geïntimeerden in incidenteel beroep,

advocaat: mr. J.J. Margry te Amsterdam,

tegen

SAYBOLT NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Vlaardingen,

geïntimeerde in principaal beroep,

appellante in incidenteel beroep,

advocaat: mr. M. Rodriguez Escudero te Leiden;

en

1 AMSPEC B.V.,

gevestigd te Rozenburg,

2. [werknemer 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

appellanten in principaal beroep,

geïntimeerden in incidenteel beroep,

advocaat: mr. J.J. Margry te Amsterdam,

tegen

SAYBOLT NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Vlaardingen,

geïntimeerde in principaal beroep,

appellante in incidenteel beroep,

advocaat: mr. M. Rodriguez Escudero te Leiden.

1 Het geding in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.248.497/01:

Partijen worden hierna Amspec, [werknemer 1] en Saybolt genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 16 juli 2019 een arrest in het incident tot voeging uitgesproken. Bij dat arrest heeft het hof Saybolt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot voeging van de beide zaken op de grond dat Saybolt in de onderhavige zaak geen belang meer heeft bij haar verzoek nu die zaken al gevoegd zijn. Het hof heeft de beslissing omtrent de kosten van het voegingsincident aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak en de gevoegde zaken verwezen naar de rol voor het nemen van memorie van antwoord in beide zaken. Voor het procesverloop tot 16 juli 2019 verwijst het hof naar dat arrest.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord in principaal hoger beroep tevens houdende memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met wijziging van eis in kort geding, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties.

In de zaak met zaaknummer 200.249.342/01:

Partijen worden hierna Amspec, [werknemer 2] en Saybolt genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 16 juli 2019 een arrest in het incident tot voeging uitgesproken. Bij dat arrest heeft het hof de voeging bevolen van de beide zaken, de beslissing omtrent de kosten van het voegingsincident aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak en de gevoegde zaken verwezen naar de rol voor het nemen van memorie van antwoord in beide zaken. Voor het procesverloop tot 16 juli 2019 verwijst het hof naar dat arrest.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord in principaal hoger beroep tevens houdende memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met wijziging van eis in kort geding, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel, met producties.

In beide zaken:

Partijen hebben ter zitting van 8 mei 2020 hun standpunten doen toelichten, Amspec, [werknemer 1] en [werknemer 2] door mr. Margry voornoemd en mr. M. IJkhout, eveneens advocaat te Amsterdam, en Saybolt door mr. E.A. van Win en mr. P. van Herk, beiden advocaat te Leiden, allen aan de hand van pleitaantekeningen die aan het hof zijn overgelegd. Partijen hebben van beide zijden bij die gelegenheid nadere stukken in het geding gebracht. Ter zitting hebben partijen het hof bevestigd dat al hetgeen ter zitting in de ene zaak is gesteld, aangevoerd en overgelegd, ook in de andere zaak als gesteld, aangevoerd en overgelegd heeft te gelden en omgekeerd. De zitting heeft plaatsgehad per video-verbinding. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

In beide zaken:

De voorzieningenrechter heeft in de bestreden vonnissen (ECLI:NL:RBROT:2018:7978 en ECLI:NL:RBROT:2018:7979) onder 2 de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

Het gaat in deze zaken, samengevat, om het volgende.

( a) Saybolt is onderdeel van de Core Laboratories-groep (hierna: de CL-groep). De CL-groep is actief op het gebied van laboratoriumanalyses en inspecties van vloeistoffen en grondstoffen in de petroleum- en biofuel gerelateerde industrie en in de markt van vloeibare oliën en vetten. De CL-groep heeft wereldwijd vestigingen en laboratoria. De tophoudstervennootschap van de CL-groep is Core Laboratories Inc. (hierna: CoreLab). Saybolt is gespecialiseerd in kwaliteitsanalyses van olieproducten, (bio)brandstoffen, chemicaliën en gassen en het uitvoeren van inspecties om hoeveelheden vast te stellen en de kwaliteit gedurende transport te waarborgen. Bij Saybolt zijn ongeveer 350 personen werkzaam.

( b) Amspec is onderdeel van de Amspec-groep. De Amspec-groep richt zich op de inspectie, analyse, meting en testing binnen de petroleum-, chemie- en gasindustrie. De Amspec-groep heeft wereldwijd vestigingen en laboratoria.

( c) Saybolt en Amspec zijn concurrenten van elkaar.

( d) [werknemer 1] , geboren op [geboortedatum] 1967, is op 19 november 1990 in dienst getreden bij Saybolt. Laatstelijk bekleedde hij de functie van [functienaam 1] , tegen een salaris van € 4.810,97 bruto per maand exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten.

( e) [werknemer 2] , geboren op [geboortedatum] 1967, is op 8 januari 2001 in dienst getreden bij Saybolt. Laatstelijk bekleedde hij de functie van [functienaam 2] , tegen een salaris van € 4.947,48 bruto per maand exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten.

( f) In de arbeidsovereenkomsten van [werknemer 1] en [werknemer 2] met Saybolt is een geheimhoudings-, concurrentie- en relatiebeding opgenomen. Voor het concurrentie- en relatiebeding geldt een termijn van één jaar. Aan alle genoemde bedingen is een boetebeding verbonden.

( g) In juni 2018 heeft [werknemer 1] aan Saybolt meegedeeld dat hij een functie bij Amspec had aanvaard. Bij brief van 25 juni 2018 heeft [werknemer 1] zijn arbeidsovereenkomst met Saybolt opgezegd tegen 31 augustus 2018. In die brief stond vermeld dat [werknemer 1] een nieuwe baan gevonden had zonder dat daarbij een ingangsdatum van die nieuwe baan vermeld stond. Saybolt heeft [werknemer 1] laten weten hem te zullen houden aan het concurrentiebeding en de overige bedingen in zijn arbeidsovereenkomst. Bij brief van 29 juni 2018 aan Saybolt heeft de advocaat van [werknemer 1] meegedeeld dat [werknemer 1] per 1 september 2018 in dienst wenste te treden bij Amspec en is Saybolt verzocht het non-concurrentiebeding per de beëindigingsdatum van de arbeidsovereenkomst buiten werking te stellen. Saybolt heeft dat geweigerd. Bij brief van 16 juli 2018 heeft Saybolt Amspec meegedeeld dat [werknemer 1] is gebonden aan een concurrentiebeding. Zij heeft Amspec gesommeerd om [werknemer 1] op geen enkele wijze te werk te stellen gedurende de duur van het concurrentiebeding en om te bevestigen dat Amspec zich per direct zal onthouden van het (direct of indirect) benaderen en/of wegkopen van werknemers bij Saybolt. Bij e-mail van 19 juli 2018 aan de advocaat van Saybolt heeft de advocaat van [werknemer 1] meegedeeld dat er voor [werknemer 1] niets anders op zit dan een kortgedingprocedure te entameren en de rechter te vragen het concurrentiebeding te schorsen. Bij brief van 24 juli 2018 heeft Amspec aan Saybolt geschreven dat Amspec geen werknemers in dienst neemt die nog aan een concurrentiebeding gebonden zijn. Daar is aan toegevoegd dat de arbeidsovereenkomst van [werknemer 1] pas per 1 september 2019 ingaat. Nadat [werknemer 1] en Amspec eerder een arbeidsovereenkomst met ingang van 1 september 2018 hadden gesloten - van welke arbeidsovereenkomst in deze procedure geen afschrift is overgelegd en ook de essentialia niet bekend gemaakt zijn -, hebben zij op 23 juli 2018 een nieuwe arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten. Daarin is bepaald dat [werknemer 1] met ingang van 1 september 2019, dan wel zo veel eerder als het non-concurrentiebeding van Saybolt buiten werking zou worden gesteld, in dienst zou treden bij Amspec in de functie van [functienaam 3] . Het overeengekomen salaris bedraagt € 110.000,- bruto per jaar inclusief vakantiebijslag en exclusief overige emolumenten, waaronder een mogelijke bonus van maximaal 15% van het bruto jaarsalaris.

( h) Op 12 juni 2018 heeft [werknemer 2] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met Amspec ondertekend, waarin was vermeld dat hij op 1 oktober 2018 in dienst zou treden bij Amspec. Op 23 juli 2018 heeft [werknemer 2] met Amspec een nieuwe arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, waarin is bepaald dat [werknemer 2] met ingang van 1 oktober 2019 dan wel zo veel eerder als het non-concurrentiebeding van Saybolt buiten werking zou worden gesteld, in dienst zou treden bij Amspec in de functie van [functienaam 3] . Het overeengekomen salaris bedraagt € 110.000,- bruto per jaar inclusief vakantiebijslag en exclusief overige emolumenten, waaronder een mogelijke bonus van maximaal 15% van het bruto jaarsalaris. Bij brief van 23 juli 2018 heeft [werknemer 2] aan Saybolt meegedeeld dat hij de arbeidsovereenkomst met Saybolt wenste te beëindigen per 1 oktober 2018, omdat hij een nieuwe baan had gevonden. Saybolt heeft [werknemer 2] laten weten hem te zullen houden aan het non-concurrentiebeding en de overige bedingen in zijn arbeidsovereenkomst. Bij brief van 26 juli 2018 heeft Saybolt Amspec meegedeeld dat [werknemer 2] is gebonden aan een concurrentiebeding. Zij heeft Amspec gesommeerd om [werknemer 2] niet in dienst te nemen en op geen enkele wijze te werk te stellen gedurende de duur van het concurrentiebeding. Bij brief van 30 juli 2018 aan Saybolt heeft [werknemer 2] meegedeeld dat hij in dienst wenste te treden bij Amspec en is Saybolt verzocht het non-concurrentiebeding per de beëindigingsdatum van de arbeidsovereenkomst buiten werking te stellen. Saybolt heeft dat geweigerd. Bij brief van 1 augustus 2018 heeft Amspec aan Saybolt geschreven dat Amspec werknemers van Saybolt, onder wie dus ook [werknemer 2] , niet in dienst neemt zolang zij gebonden zijn aan een concurrentiebeding. Bij brief van 9 augustus 2018 aan Saybolt heeft [werknemer 2] meegedeeld dat hij genoodzaakt is om een advocaat in te schakelen om in rechte te vorderen dat het concurrentiebeding buiten werking wordt gesteld.

3 Vorderingen

In beide zaken:

3.1.

Saybolt heeft in eerste aanleg zowel tegen Amspec en [werknemer 1] als tegen Amspec en [werknemer 2] een kortgedingprocedure aangespannen, waarin zij in conventie een aantal vorderingen heeft geformuleerd. De vorderingen tegen [werknemer 1] en [werknemer 2] betreffen de nakoming van het concurrentiebeding en de overige bedingen. De vorderingen tegen Amspec zijn gegrond op onrechtmatige concurrentie. [werknemer 1] en [werknemer 2] hebben reconventionele vorderingen ingesteld.

3.2.

In hoger beroep heeft Saybolt haar vorderingen gewijzigd. Ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft zij haar (gewijzigde) vordering tegen Amspec tot een verbod op het in dienst nemen van werknemers van Saybolt die niet gebonden zijn aan een concurrentiebeding beperkt tot een periode van vijf jaar. Het hof gaat uit van de vorderingen van Saybolt zoals in hoger beroep gewijzigd.

4 Beoordeling

In beide zaken:

4.1.

De voorzieningenrechter heeft in beide zaken in het dictum, zowel in conventie als in reconventie, een aantal beslissingen gegeven die samenhangen met de termijn van één jaar van het concurrentie- en relatiebeding in de arbeidsovereenkomsten van [werknemer 1] en [werknemer 2] met Saybolt. In de zaak met zaaknummer 200.248.497/01 gaat het om de volgende onderdelen van het dictum: 7.1, 7.2, 7.3, 7.6, 7.7, 7.12 (voor zover in verbinding met 7.6 en 7.7), 7.17 en 7.18. In de zaak met zaaknummer 200.249.342/01 gaat het om de volgende onderdelen van het dictum: 7.1, 7.2, 7.3, 7.6, 7.7, 7.9 (voor zover in verbinding met 7.6 en 7.7) en 7.14. De werkingsduur van deze beslissingen is inmiddels verstreken. Partijen hebben ter zitting, daarnaar gevraagd, meegedeeld dat aan de beoordeling in hoger beroep van de hiermee verband houdende geschilpunten het belang daarom is komen te ontvallen en dat zij ter zake niet langer andere beslissingen van het hof verlangen. Het hof verbindt hieraan de conclusie dat de vonnissen met betrekking tot de genoemde onderdelen niet langer aan het oordeel van het hof zijn onderworpen. De grieven 1 t/m 5, 7 (voor zover betrekking hebbend op de vordering van [werknemer 1] ) en 12 (voor zover betrekking hebbend op het concurrentie- en relatiebeding) in principaal beroep in de zaak met zaaknummer 200.248.497/01 en de grieven 1 t/m 4, 6 (voor zover betrekking hebbend op de vordering van [werknemer 2] ) en 11 in principaal beroep in de zaak met zaaknummer 200.249.342/01 kunnen daarom verder onbesproken blijven. Wel geeft het geding in hoger beroep aanleiding de beslissingen omtrent de proceskosten in het geding in eerste aanleg tussen Saybolt enerzijds en [werknemer 1] en [werknemer 2] anderzijds te beoordelen. Het hof komt daarop hierna terug.

4.2.

Het voornaamste geschilpunt in dit hoger beroep betreft het door Saybolt aan Amspec gemaakte verwijt dat Amspec onrechtmatig heeft gehandeld tegenover Saybolt door, kort gezegd, haar op ontoelaatbare wijze concurrentie aan te doen. Saybolt bestempelt de gedragingen die zij aan Amspec verwijt als het profiteren van wanprestatie dat in de gegeven omstandigheden een onrechtmatige daad oplevert en plaatst deze gedragingen daarnaast in de sleutel van het stelselmatig en substantieel afbreken van het duurzame bedrijfsdebiet van Saybolt. Het hof zal de wederzijdse stellingen van partijen hierna achtereenvolgens bespreken.

4.3.

Het hof acht aannemelijk geworden dat Amspec werknemers van Saybolt ertoe heeft kunnen bewegen bij haar in dienst te treden door het aanbieden van arbeidsvoorwaarden, in het bijzonder het loon, die niet als marktconform kunnen gelden. Van een aantal werknemers zijn hierover concrete gegevens bekend geworden. [werknemer 1] ontving bij Saybolt laatstelijk een salaris van € 4.810,97 bruto per maand (exclusief vakantiebijslag) en ontving bij Amspec bij aanvang een salaris van € 110.000,- bruto per jaar (inclusief vakantiebijslag). [werknemer 2] : € 4.947,48 bruto per maand (exclusief vakantiebijslag) bij Saybolt en € 110.000,- bruto per jaar (inclusief vakantiebijslag) bij Amspec. [werknemer 3] : € 3.542,32 bruto per maand (exclusief vakantiebijslag) bij Saybolt en € 78.000,- bruto per jaar (inclusief vakantiebijslag) bij Amspec. [werknemer 4] : € 4.581,09 bruto per maand (exclusief vakantiebijslag) bij Saybolt en (naar het hof begrijpt) € 8.167,- bruto per maand (inclusief vakantiebijslag) bij Amspec. Ook in het vonnis van 17 december 2019 tussen [werknemer 5] en Saybolt wordt gesproken van een aanzienlijke salarisverhoging. Bij het oordeel dat de salarissen van de hier genoemde werknemers bij Amspec niet marktconform zijn, betrekt het hof de lengte van het dienstverband van deze werknemers bij Saybolt en de sterk aanzuigende werking die Amspec heeft gehad op niet alleen werknemers van Saybolt, maar ook op die van andere inspectiebedrijven. Het hof voegt aan het voorgaande nog toe dat op grond van de vonnissen in de procedures waarin de verschillende werknemers partij waren voldoende aannemelijk is geworden dat de functies die deze werknemers bij Amspec zijn gaan vervullen niet wezenlijk anders of zwaarder zijn dan hun functies bij Saybolt. Het grote verschil in loon valt in elk geval niet daarop terug te voeren. Daar komt ook nog het volgende bij.

4.4.

Gebleken is dat [werknemer 1] , [werknemer 2] , [werknemer 3] , [werknemer 4] en [werknemer 5] , allen werknemers bij Saybolt met een concurrentiebeding, gedurende de overbruggingsperiode tussen het einde van de arbeidsovereenkomst met Saybolt en de indiensttreding bij Amspec een ‘vergoeding voor levensonderhoud’ hebben ontvangen van Amspec ter hoogte van het salaris dat zij bij Amspec zouden gaan ontvangen. Twee van hen ontvingen bovendien een ‘sign-on bonus’ van € 25.000,- van Amspec. Te vermelden valt voorts dat Amspec de juridische kosten van overstappende werknemers met betrekking tot eventuele procedures door of tegen Saybolt voor haar rekening nam. Naar het hof heeft begrepen, zijn deze vergoedingen en condities niet vermeld in de arbeidsovereenkomsten met Amspec, maar in een ‘side-letter’.

4.5.

Met de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat het deel van het werknemersbestand van Amspec dat afkomstig is van Saybolt fors is te noemen. Amspec voert weliswaar aan dat het door de voorzieningenrechter genoemde aandeel (eenderde van de werknemers van Amspec is afkomstig van Saybolt) niet fors is omdat de laboratorium- en inspectiebranche in de petroleum- chemie- en gasindustrie in Nederland wordt gedomineerd door slechts vier spelers, maar deze tegenwerping laat onverlet dat Amspec haar vestiging in Nederland kennelijk opbouwt met werknemers die grotendeels afkomstig zijn van haar concurrenten, van wie een aanzienlijk deel van Saybolt. Amspec heeft niet bestreden dat ten tijde van de behandeling in eerste aanleg 17 van haar 59 werknemers afkomstig waren van Saybolt. Gebleken is dat inmiddels 25 tot 29 werknemers van Saybolt zijn overgestapt naar Amspec. Saybolt heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat een relevant deel van deze werknemers belangrijke posities innam in haar organisatie, bijvoorbeeld het management van de Amsterdamse vestiging en vrijwel het gehele ‘mineral team’. Van belang hierbij is dat het overstappen van deze werknemers zich in een betrekkelijk kort tijdsbestek heeft voltrokken, verreweg het grootste deel binnen een jaar. Nu het hier een zeer specifieke markt betreft, is aannemelijk dat een vertrek van zoveel werknemers in een zo korte tijd schadelijk is voor de bedrijfsvoering van Saybolt.

4.6.

Verder valt te wijzen op de intensieve wijze van het werven van personeel van Saybolt en de betrokkenheid van Amspec hierbij. Hiervoor is reeds gewezen op het bieden van aanzienlijke salarisverhogingen en het faciliteren van de overstap van werknemers met beperkende bedingen. Het is daarnaast aannemelijk dat Amspec een rol heeft gespeeld bij het actief benaderen van werknemers van Saybolt door werknemers die reeds van Saybolt naar Amspec waren overgestapt. Ook het hof wijst in dit verband op de schriftelijke verklaring van [werknemer 6] , niet bestreden door Amspec, waaruit volgt dat zowel [werknemer 3] als [betrokkene] aanhoudend aan hem hebben ‘lopen te trekken’ en een WhatsApp van [HR manager] , HR manager bij Amspec (“Today i saw a picture of you and your team. I was wondering whether you know any candidates, if not you, who would like to join us at our new AmSpec location in Rozenburg”). Met de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat Amspec onvoldoende heeft onderbouwd dat de werknemers van Saybolt slechts hebben gereageerd op vacatures van Amspec. Zo heeft Amspec geen stukken in het geding gebracht waaruit blijkt van openstaande vacatures, zoals (op internet of anderszins gepubliceerde) openstaande vacatures in Nederland of vacatures die op een specifiek moment hebben opengestaan. Het hof verwerpt ook het verweer van Amspec dat, kort gezegd, werknemers van de vier grote laboratorium- en inspectiebedrijven veelvuldig tussen deze bedrijven switchen. Het gaat in de onderhavige zaak niet om de vraag hoeveel werknemers wereldwijd tussen deze bedrijven zijn geswitcht, terwijl evenmin relevant is hoeveel werknemers in de loop der tijd tussen deze bedrijven zijn geswitcht. Het verweer van Amspec vindt onvoldoende steun in de op dit punt overgelegde producties.

4.7.

Een ander aspect dat hierbij aan de orde is gekomen, is het door Saybolt gestelde gevaar dat de tamelijk massale overgang van werknemers, mede in aanmerking genomen de positie die een deel van hen innam in haar organisatie, ertoe leidt dat klanten overstappen naar Amspec. Het hof acht dat gevaar reëel. Het is aannemelijk dat een belangrijk deel van de overgestapte werknemers nauwe contacten had met en veel kennis had van (belangrijke) klanten van Saybolt. Dat de vrees van Saybolt voor aantasting van haar bedrijfsdebiet gegrond is, vindt mede steun in de hierna te bespreken kwesties.

4.8.

Saybolt heeft verder nog naar voren gebracht dat een aantal werknemers die van haar zijn overgegaan naar Amspec een dubieuze rol heeft gespeeld in de sfeer van concurrentie, nevenwerkzaamheden en geheimhouding. Het hof bespreekt enkele kwesties in dit verband.

4.9.

Partijen hebben gesproken over een e-mail van 15 november 2017 van [werknemer 3] - gestuurd nog tijdens het dienstverband van [werknemer 3] met Saybolt - aan een aantal personen binnen Amspec over nieuwjaarsgeschenken (“Beste collega’s, Hierbij de lijst van onze eerste nieuwjaarsgeschenken (…)”). In het tussen [werknemer 3] en Saybolt gewezen vonnis van 13 december 2017 is onder 2.5 vermeld dat bij deze e-mail een excel-bestand zat met namen van (potentiële) klanten en contactpersonen. Saybolt heeft deze lijst in hoger beroep overgelegd, waarbij zij er onweersproken op heeft gewezen dat het gaat om klanten van Saybolt en hun contactpersonen, met de vermelding van specifieke klantdetails over geschikte geschenken. Amspec heeft weliswaar aangevoerd dat zij in antwoord op deze e-mail aan [werknemer 3] heeft bericht “(…) Hou je enthousiasme vast tot 1 december 2018 als je van start gaat bij Amspec”, en voorts dat zij [werknemer 3] zowel mondeling als schriftelijk heeft gewaarschuwd, maar een en ander laat onverklaard wat aan de e-mail van [werknemer 3] van 15 november 2017 is voorafgegaan, hetgeen van belang is, nu deze e-mail erop wijst dat deze een vervolg is op eerdere contacten van [werknemer 3] met (toekomstige collega’s binnen) Amspec. Amspec moet daarvan redelijkerwijs op de hoogte zijn geweest.

4.10.

Partijen hebben verder gedebatteerd over de betekenis van diverse e-mails tussen [werknemer 3] en Lukoil Benelux B.V., een klant van Saybolt waarmee [werknemer 3] contact had tijdens zijn dienstverband met Saybolt, in augustus 2018 (na de overstap van [werknemer 3] naar Amspec, maar nog tijdens de geldigheidsduur van het relatiebeding). Een van deze e-mails is een e-mail van 20 augustus 2018 van [werknemer 3] aan Lukoil. Het verweer van Amspec dat het slechts een administratieve handeling is geweest van [werknemer 3] overtuigt niet, gelet op het slot van deze e-mail (“Should you need any additional information, please feel free to contact me at any given time”).

4.11.

Het is voorts niet in geschil dat [werknemer 3] kort na zijn vertrek bij Saybolt en voor zijn indiensttreding bij Amspec [werknemer 6] , op dat moment nog in dienst bij Saybolt, heeft benaderd om ook te komen werken bij Amspec, hetgeen [werknemer 6] na herhaaldelijk aandringen ook heeft gedaan.

4.12.

Amspec heeft, als gezegd, aangevoerd dat zij de van Saybolt overgestapte werknemers en [werknemer 3] in het bijzonder heeft gewaarschuwd voor overtreding van de diverse beperkende bedingen en hun heeft verboden werknemers van Saybolt te benaderen (nog in september en in oktober 2018), maar het gegeven dat [werknemer 3] per 1 januari 2019 bij Amspec is bevorderd tot [functienaam 4] geeft inderdaad aanleiding tot twijfel bij de beantwoording van de vraag hoe indringend en gemeend de bedoelde waarschuwingen zijn geweest.

4.13.

Saybolt heeft ten aanzien van [werknemer 7] geconcludeerd dat deze op 28 juni 2018 (op dat moment nog in dienst van Saybolt maar vrijgesteld van werk en beoogd Operations Manager bij Amspec in Amsterdam) in strijd met zijn concurrentiebeding en nevenwerkzaamhedenbeding werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van Amspec. [werknemer 7] , niet in die omgeving woonachtig, was volgens Saybolt die dag aanwezig op een stuk braakliggend terrein in het Westelijk Havengebied in Amsterdam in aanwezigheid van twee medewerkers van Amspec, terwijl Amspec op dat moment op zoek was naar een locatie voor haar kantoor in Amsterdam en daartoe meerdere locaties in het Westelijk Havengebied bezocht. Amspec heeft betwist dat [werknemer 7] werkzaamheden zou hebben verricht voor Amspec tijdens zijn dienstverband met Saybolt, met het verweer “dat Saybolt enkel stelt dat [werknemer 7] zou zijn gezien op een bedrijventerrein met mensen waar hij mogelijk niet over koetjes en kalfjes heeft gepraat”. Bij pleidooi in hoger beroep heeft Amspec aangevoerd dat in de overgelegde schriftelijke verklaring van [werknemer 8] niet is vermeld dat [werknemer 7] heeft gesproken of is gezien met mensen van Amspec en dat Saybolt daarvoor verder geen enkel bewijs aanvoert. Amspec weerspreekt de inhoud van de door Saybolt gestelde waarneming niet, althans niet gemotiveerd, maar beperkt zich ertoe aan te voeren dat de stelling van Saybolt niet is onderbouwd en niet volgt uit de schriftelijke verklaring van [werknemer 8] . Zodanige wijze van betwisting acht het hof onvoldoende. Het hof gaat er daarom van uit dat [werknemer 7] inderdaad op 28 juni 2018 ten behoeve van Amspec doende was met het zoeken van een geschikte locatie. Aangenomen moet worden dat Amspec daarvan op de hoogte was en daarmee heeft ingestemd.

4.14.

Wat [werknemer 1] betreft, sluit het hof zich aan bij hetgeen de voorzieningenrechter in het vonnis van 1 augustus 2019 heeft overwogen in de procedure tussen Saybolt enerzijds en [werknemer 4] , [werknemer 1] en Amspec anderzijds. [werknemer 1] heeft onrechtmatig gehandeld door bedrijfsgevoelige informatie van Saybolt te kopiëren op externe gegevensdrager(s) en deze mee te nemen bij zijn vertrek bij Saybolt. De handelwijze van [werknemer 1] om deze externe gegevensdrager(s) vervolgens fysiek te vernietigen, maakte verder onderzoek door Saybolt naar de inhoud van de gekopieerde bestanden onmogelijk en wordt niet gerechtvaardigd door de eerdere weigering van Saybolt deze gegevensdrager(s) samen met [werknemer 1] op het kantoor van de advocaat van [werknemer 1] en Amspec te onderzoeken. De fysieke vernietiging geschiedde met medeweten van (de advocaat van) Amspec.

4.15.

Op grond van de hiervoor besproken omstandigheden komt het hof tot de conclusie dat Amspec onrechtmatig heeft gehandeld tegenover Saybolt. Of er een strategie is geweest die inhield dat Amspec eerst sleutelfiguren overnam en daarna ondergeschikten van deze sleutelfiguren en wat daarbij de precieze rol is geweest van [HR manager] als voormalig sr HR Generalist bij Saybolt, kan daarbij verder onbesproken blijven. Hetzelfde geldt voor andere stellingen en verweren tussen partijen in dit verband. Amspec heeft actief, in korte tijd, stelselmatig, op grote schaal en op agressieve wijze werknemers werkzaam in een gespecialiseerde markt overgenomen van Saybolt. Daarbij wordt schade toegebracht aan het bedrijfsdebiet van Saybolt, enerzijds doordat het in relevante mate werknemers betreft die (individueel of collectief) belangrijke posities bekleedden bij Saybolt en anderzijds doordat het reële gevaar bestaat dat als gevolg van deze grootschalige overgang klanten overstappen van Saybolt naar Amspec. Op een markt met zo weinig en uiterst gespecialiseerde bedrijven, zoals (ook) Amspec heeft betoogd, moet het voor Amspec ook duidelijk zijn geweest welke grote impact dit alles op haar concurrent Saybolt zou moeten hebben. Daarbij komt dat ten aanzien van een aantal werknemers is gebleken dat zij het niet zo nauw nemen met beperkende bedingen (concurrentie-, relatie-, geheimhoudingsbeding, verbod van nevenwerkzaamheden), terwijl aannemelijk geacht moet worden dat Amspec daarvan voordeel heeft of kan hebben (gehad), daarvan op de hoogte is geweest en daartegen niet adequaat is opgetreden. Al met al is het hof van oordeel dat Amspec in het samenstel van de eerder besproken omstandigheden de grenzen van het betamelijke heeft overschreden, hoezeer ook het uitgangspunt is dat marktpartijen elkaar concurrentie mogen aandoen, en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld. Het hof komt derhalve in zoverre tot dezelfde uitkomst als de voorzieningenrechter in de bestreden vonnissen. Hierop stuiten de grieven 6 t/m 12 (grief 7 voor zover de vordering tegen Amspec betreffend en grief 12 voor zover betrekking hebbend op het geheimhoudingsbeding) in principaal beroep in de zaak met zaaknummer 200.248.497/01 en de grieven 5 t/m 10 (grief 6 voor zover de vordering tegen Amspec betreffend) in principaal beroep in de zaak met zaaknummer 200.249.342/01 af, terwijl de grieven I in incidenteel beroep in de zaak met zaaknummer 200.248.497/01 en III in incidenteel beroep in de zaak met zaaknummer 200.249.342/01 bij gebreke van voldoende belang verder onbesproken kunnen blijven.

4.16.

Het verbod aan Amspec in het bestreden vonnis in beide zaken onder 7.8 (verbod om [werknemer 1] respectievelijk [werknemer 2] , direct of indirect, op enigerlei aan Amspec, in welke vorm dan ook, enige mededeling te laten doen over of aangaande bijzonderheden met betrekking tot of verband houdende met Saybolt) blijft gelet op het bovenstaande in stand.

In de zaak met zaaknummer 200.248.497/01:

4.17.

De voorzieningenrechter heeft, voor zover na het voorgaande nog van belang, aan Amspec de volgende verboden opgelegd:

7.9.

verbiedt Amspec om werknemers van Saybolt, die gebonden zijn aan een concurrentiebeding, te benaderen om bij Amspec in dienst te laten treden en/of hen direct dan wel indirect aldaar werkzaamheden in welke zin dan ook te laten verrichten;

7.10.

verbiedt Amspec om ex-werknemers van Saybolt, die gebonden zijn aan een concurrentiebeding, te benaderen om bij Amspec in dienst te laten treden en/of hen direct dan wel indirect aldaar werkzaamheden in welke zin dan ook te laten verrichten, tot zes maanden na de datum van hun uitdiensttreding bij Saybolt;

7.11.

verbiedt Amspec [werknemer 3] en/of andere ex-werknemers van Saybolt, voor zover zij gebonden zijn aan een relatiebeding, direct of indirect zakelijke contacten te laten onderhouden met klanten en/of relaties van Saybolt gedurende de werking van het betreffende relatiebeding.

4.18.

Tegen deze onderdelen van het dictum zijn grief 13 in principaal beroep en grief II in incidenteel beroep gericht. Voor zover grief 13 in principaal beroep voortbouwt op de eerdere grieven deelt deze het lot daarvan. Daarnaast voert Amspec in deze grief als bezwaar aan dat de aldus opgelegde verboden buiten alle proporties zijn: zij zijn niet beperkt in tijd, de verboden komen erop neer dat Amspec in Nederland helemaal geen werknemers van Saybolt meer mag benaderen, ook niet om hen na afloop van het concurrentiebeding in dienst te nemen, aangezien zij niet weet of kan weten of een werknemer gebonden is aan een concurrentiebeding bij Saybolt, laat staan dat zij weet of de ex-werknemer al maanden of langer bij Saybolt uit dienst is. Amspec acht de verboden in strijd met de Mededingingswet. De bezwaren van Saybolt in grief II in incidenteel beroep houden in dat de verboden onder 7.9 en 7.10 ten onrechte beperkt zijn tot werknemers met een concurrentiebeding, zodat Amspec nog steeds werknemers van haar kan benaderen die niet gebonden zijn aan een concurrentiebeding. Bovendien zijn deze beslissingen volgens Saybolt niet in overeenstemming met de daaraan voorafgaande overwegingen in het vonnis dat de bescherming zal worden geboden voor wat betreft werknemers die gebonden zijn aan een concurrentie-, relatie- of geheimhoudingsbeding. Verder dient het verbod tot het benaderen van werknemers volgens Saybolt zowel het direct als indirect benaderen te omvatten. Saybolt vordert bovendien een verbod tot, kort gezegd, het in dienst nemen van en/of werkzaamheden laten verrichten door (ex-)werknemers van Saybolt, aangezien volgens haar gebleken is dat Amspec het verbod tot benaderen weet te omzeilen. Het verbod tot het in dienst nemen van ex-werknemers van Saybolt moet in haar visie gelden voor een periode van twaalf maanden na de uitdiensttreding bij Saybolt. Saybolt heeft haar petitum op deze onderdelen in die zin gewijzigd in hoger beroep. Ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft Saybolt haar (gewijzigde) vordering tegen Amspec tot een verbod op het in dienst nemen van werknemers van Saybolt die niet gebonden zijn aan een concurrentiebeding beperkt tot een periode van vijf jaar.

4.19.

Nu het onrechtmatige karakter van het handelen van Amspec in belangrijke mate is gelegen in de aantasting van het bedrijfsdebiet van Saybolt, bestaat grond om de beperking tot het benaderen van werknemers van Saybolt met een concurrentiebeding te laten vallen. Ook zal het hof het verbod in die zin uitbreiden dat het zich uitstrekt tot het direct of indirect benaderen van werknemers van Saybolt. Het hof is echter van oordeel dat een verbod op, kort gezegd, het aangaan van een arbeidsovereenkomst met werknemers van Saybolt te ver voert. Zodanig verbod zou ten onrechte ook beperkingen meebrengen voor werknemers van Saybolt die uit eigen initiatief bij Amspec in dienst zouden willen treden. Het bewijsprobleem bij handhaving van een op dit punt minder ruim geformuleerd verbod waarvoor Saybolt zich mogelijk gesteld ziet, vormt onvoldoende rechtvaardiging voor een ander oordeel. Het verweer van Amspec dat een door de rechter gegeven verbod als hier aan de orde in strijd is met de Mededingingswet wordt verworpen, omdat het onjuist is. Verder wijst het hof erop dat, zoals hiervoor al is overwogen, zijn oordeel omtrent de onrechtmatigheid van het handelen van Amspec moet worden bezien tegen de achtergrond van het samenstel van de eerder besproken omstandigheden. Deze omstandigheden rechtvaardigen een verbod tot, kort gezegd, het benaderen van werknemers van Saybolt. Amspec wijst er terecht op dat een dergelijk verbod niet voor onbeperkte tijd kan worden gegeven. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, zal het hof het verbod alsnog in tijd beperken en wel tot een periode van achttien maanden na de dag van betekening van dit arrest. Voor zover nodig wijst het hof er met het oog op de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsommen op dat het verbod in het bestreden vonnis onder 7.9 door het hof niet wordt vernietigd. Het wordt enerzijds in de hiervoor besproken zin verruimd en anderzijds in tijd begrensd.

4.20.

De klacht van Amspec tegen het dictum onder 7.10 is gegrond. Ook hier geldt dat het gegeven verbod te ver gaat, omdat het zich ook uitstrekt tot gewezen werknemers van Saybolt die niet na de door Saybolt genoemde “omzeilingstactieken” bij Amspec in dienst wensen te treden (maar bijvoorbeeld nadat zij op eigen initiatief ontslag hebben genomen bij Saybolt of nadat zij door Saybolt zijn ontslagen). Deze vordering zal alsnog worden afgewezen.

4.21.

Het dictum in het bestreden vonnis onder 7.11 blijft in stand omdat er geen klachten tegen zijn aangevoerd die niet reeds hiervoor zijn verworpen.

4.22.

In grief 13 in principaal beroep keert Amspec zich ook tegen de hoogte van de dwangsom die de voorzieningenrechter heeft opgelegd in het dictum onder 7.12. In grief IV in incidenteel beroep klaagt Saybolt eveneens over de hoogte (en maximering) van de opgelegde dwangsom. Het hof ziet in de ernst en de herhaling van de gedragingen van Amspec aanleiding aan overtreding van de verboden onder 7.8, 7.9 (zoals hierna aangepast) en 7.11 begaan vanaf de dag na betekening van dit arrest een dwangsom te verbinden van € 100.000,- voor iedere overtreding, tot een maximum van € 1.000.000,-. Ook hier voegt het hof voor zover nodig aan toe dat het dictum in het vonnis onder 7.12 tot en met de dag van betekening van dit arrest in stand blijft. Voor zover grief IV in incidenteel beroep is gericht tegen het vonnis onder 6.3 in verbinding met het dictum onder 7.5 (dwangsom [werknemer 1] in verband met geheimhoudingsbeding), waar de voorzieningenrechter heeft overwogen geen aanleiding te zien tot een hogere dwangsom dan de overeengekomen boete, faalt deze grief omdat het hof zich in zoverre verenigt met deze overweging.

4.23.

In grief III in incidenteel beroep komt Saybolt op tegen de afwijzing in het bestreden vonnis van haar vordering Amspec te verbieden, kort gezegd, werknemers en ex-werknemers mededelingen te laten doen in strijd met hun geheimhoudingsbeding. Saybolt heeft haar hiermee verband houdende vordering in haar petitum in hoger beroep geformuleerd onder XI. Deze vordering komt ook in hoger beroep niet voor toewijzing in aanmerking. Het hof is van oordeel dat Saybolt daarbij onvoldoende belang heeft naast de verboden die de voorzieningenrechter reeds bij (onherroepelijk) vonnis van 1 augustus 2019 heeft opgelegd in het geding tussen, voor zover hier van belang, Saybolt enerzijds en [werknemer 1] en Amspec anderzijds.

4.24.

Grief V in incidenteel beroep heeft betrekking op de beslissingen in het bestreden vonnis met betrekking tot de proceskosten. De voorzieningenrechter heeft in conventie [werknemer 1] en Amspec hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten en in reconventie de proceskosten gecompenseerd. Saybolt vordert in hoger beroep hoofdelijke veroordeling van [werknemer 1] en Amspec tot vergoeding van de reële kosten van rechtsbijstand in beide instanties, in eerste aanleg zowel in conventie als in reconventie. Zij beroept zich daarbij op artikel 1019ie Rv., misbruik van procesrecht en onrechtmatig handelen.

4.25.

Saybolt heeft een groot aantal punten genoemd waarvan zij stelt dat [werknemer 1] en Amspec de onjuistheid ervan kenden of behoorden te kennen. Of deze bewering van Saybolt gegrond is, kan het hof tegenover het verweer van Amspec binnen het bestek van dit kort geding echter niet vaststellen. Op één punt moet hierop een uitzondering worden gemaakt. Het is juist dat [werknemer 1] en Amspec in eerste aanleg hebben betoogd - welk betoog zowel in conventie als in reconventie van belang was - dat [werknemer 1] door handhaving van het concurrentiebeding inkomsten misliep die hij nodig had om te voorzien in zijn levensonderhoud. In reconventie heeft [werknemer 1] zelfs op de voet van artikel 7:653 lid 5 BW een vergoeding gevorderd voor de periode dat het concurrentiebeding niet zou worden geschorst. Het niet vermelden door [werknemer 1] en Amspec dat [werknemer 1] van Amspec een vergoeding ontving over de periode dat hij bij Amspec nog niet aan het werk kon in verband met het concurrentiebeding en welk bedrag gelijk was aan het salaris dat hij zou ontvangen bij Amspec acht het hof in strijd met de uit artikel 21 Rv voortvloeiende verplichting van procespartijen de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Het hof volgt [werknemer 1] en Amspec niet in hun verweer dat de vergoeding voor levensonderhoud die [werknemer 1] van Amspec ontving tijdens de duur van het concurrentiebeding niet gelijk was aan de arbeidsvoorwaarden die [werknemer 1] zou verkrijgen bij indiensttreding bij Amspec (geen pensioenopbouw, geen aanspraak op bonus, geen deelname in werknemersverzekeringen). Waar het om gaat, is dat [werknemer 1] en Amspec evident relevante informatie niet in de procedure naar voren hebben gebracht. Het is immers alleszins aannemelijk dat mededeling van de overeengekomen vergoeding voor levensonderhoud van belang zou zijn geweest bij de afweging van de wederzijdse belangen, terwijl de mededeling dat [werknemer 1] door handhaving van het concurrentiebeding inkomsten misliep die hij nodig had om te voorzien in zijn levensonderhoud niet juist was. Het hof acht aannemelijk dat het concurrentiebeding van [werknemer 1] niet zou zijn geschorst en dat het debat dienaangaande aanzienlijk korter en eenvoudiger zou (kunnen) zijn geweest indien bekend zou zijn geweest dat Amspec een vergoeding voor levensonderhoud betaalde zolang [werknemer 1] niet bij haar in dienst zou kunnen treden. Het hof zal met gebruikmaking van zijn bevoegdheid in artikel 21 Rv. naast de geliquideerde proceskosten naar redelijkheid en billijkheid aan Saybolt een bedrag van € 5.000,- exclusief btw toewijzen als vergoeding voor de werkelijke aan dit geschilpunt toe te rekenen kosten voor rechtsbijstand in eerste aanleg (€ 2.500,- in conventie, € 2.500,- in reconventie). Tot toekenning van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 1019ie Rv ziet het hof geen aanleiding.

4.26.

Saybolt heeft in hoger beroep veroordeling gevorderd van [werknemer 1] en Amspec tot betaling van € 11.706,19 (exclusief btw) wegens kosten die betrekking hebben op het onderzoek door […] Bedrijfsrecherche naar de door [werknemer 1] gekopieerde bestanden met bedrijfsgegevens van Saybolt. Uit de specificatie van de desbetreffende factuur valt op te maken dat het uitsluitend kosten betreft die samenhangen met het onderzoek naar de digitale bestanden, niet met de door Hoffman Bedrijfsrecherche verrichte observaties, die volgens Amspec niets hebben opgeleverd. Deze vordering is als nauw verwante nevenvordering op de voet van artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder b BW toewijsbaar, maar uitsluitend ten laste van [werknemer 1] .

Recapitulatie in de zaak met zaaknummer 200.248.497/01:

4.27.

De slotsom in de zaak met zaaknummer 200.248.497/01 luidt als volgt. Grief 13 in principaal beroep slaagt deels en faalt voor het overige. De overige grieven in principaal beroep kunnen niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. De grieven II, IV en V in incidenteel beroep slagen deels en falen voor het overige. De overige grieven in incidenteel beroep kunnen niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. Ter wille van de duidelijkheid zal het hof hierna in het dictum alle onderdelen van het dictum in het bestreden vonnis (in conventie en in reconventie) aan de orde stellen. [werknemer 1] en Amspec zullen als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties, gelet op rechtsoverweging 4.25 van dit arrest met inbegrip van de proceskosten in eerste aanleg in reconventie, een en ander als hierna in het dictum weer te geven. Wat betreft de kosten van het pleidooi in hoger beroep zal het hof aan de beide zaken elk 1,5 punt toekennen.

In de zaak met zaaknummer 200.249.342/01:

4.28.

Na het voorgaande behoeven in deze zaak nog bespreking de grieven in incidenteel beroep, behoudens grief III.

4.29.

In grief I in incidenteel beroep komt Saybolt op tegen het vonnis onder 5.6 en 6.4, waar de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat niet toewijsbaar is de vordering dat [werknemer 2] alle klantgegevens en bedrijfsinformatie van Saybolt die hij nog in zijn bezit heeft, afgeeft aan Saybolt en dat [werknemer 2] die gegevens verwijdert. De voorzieningenrechter heeft kort gezegd overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat [werknemer 2] deze bestanden heeft meegenomen of nog in zijn bezit heeft. Saybolt verwijst in hoger beroep naar een rapport van […] Bedrijfsrecherche van 15 april 2019 waaruit is gebleken dat [werknemer 2] de beschreven informatie naar een USB stick heeft gekopieerd. Saybolt heeft haar vordering ter zake in hoger beroep gewijzigd. Zij vordert veroordeling van [werknemer 2] tot afgifte aan haar van alle zakelijke bedrijfsgegevens en bedrijfsgeheimen van Saybolt die [werknemer 2] nog in zijn bezit heeft, waaronder in elk geval de door [werknemer 2] gekopieerde gegevens genoemd in het rapport van […] Bedrijfsrecherche. Daarnaast vordert zij veroordeling van [werknemer 2] tot het laten verwijderen door een onafhankelijke forensische registeraccountant van alle vertrouwelijke bedrijfsgegevens en bedrijfsgeheimen van Saybolt, waaronder in elk geval de gegevens genoemd in het rapport van […] Bedrijfsrecherche, van al zijn overige digitale gegevensdragers, alsmede een verbod aan [werknemer 2] vertrouwelijke zakelijke gegevens en/of bedrijfsgeheimen van Saybolt te gebruiken en/of openbaar te maken. Saybolt vordert in hoger beroep in dit verband voorts veroordeling van Amspec om vertrouwelijke bedrijfsgegevens c.q. bedrijfsgeheimen van Saybolt die in haar bezit mochten zijn of komen, waaronder doch niet uitsluitend via [werknemer 2] , volledig te laten vernietigen door een onafhankelijk forensisch registeraccountant.

4.30.

Gebleken is dat [werknemer 2] bestanden met vertrouwelijke bedrijfsinformatie van Saybolt op een USB stick heeft gezet (onder andere “Client contacts”). Op deze USB stick stonden ook privé bestanden van [werknemer 2] . Deze USB stick is niet vermeld op de door [werknemer 2] en Saybolt getekende lijst overhandigde zaken. Saybolt betwist dat deze USB stick is achtergelaten bij haar (en heeft er daarbij op gewezen dat dat ook niet voor de hand ligt gelet op allerlei privébestanden daarop). [werknemer 2] heeft ter zitting meegedeeld dat hij deze USB stick in een bureaulade heeft achtergelaten ten behoeve van zijn collega’s bij Saybolt en aan deze collega’s heeft gezegd dat alles wat zij kunnen gebruiken in de bureaulade zit. Deze gang van zaken roept de nodige vragen op. Niettemin kan ook in hoger beroep niet met voldoende zekerheid worden aangenomen dat [werknemer 2] nog bedrijfsgegevens van Saybolt, in welke vorm ook, onder zich heeft. De door Saybolt geherformuleerde vordering onder V a en b (in haar memorie onder 395) is daarom niet toewijsbaar. Wel bestaat voldoende grond voor toewijzing van haar vordering onder V c, strekkende tot een verbod aan [werknemer 2] gegevens van Saybolt te gebruiken en/of openbaar te maken. Het hof zal daarbij een dwangsom opleggen van € 20.000,- voor iedere overtreding. Voor het overige acht het hof het gevorderde verbod niet toewijsbaar omdat niet voldoende bepaalbaar is wat zou moeten worden verstaan onder het voortduren van een dergelijke overtreding.

4.31.

Wat de vordering in dit verband tegen Amspec betreft (memorie van Saybolt onder 396), geldt dat Saybolt daarbij onvoldoende belang heeft naast de verboden die de voorzieningenrechter reeds bij (onherroepelijk) vonnis van 1 augustus 2019 heeft opgelegd in het geding tussen, voor zover hier van belang, Saybolt enerzijds en [werknemer 1] en Amspec anderzijds.

4.32.

Grief II in incidenteel beroep is gericht tegen de afwijzing door de voorzieningenrechter van het door Saybolt gevorderde voorschot van € 35.000,- op reeds door [werknemer 2] verbeurde boetes wegens schending van het concurrentiebeding, relatiebeding en nevenwerkzaamhedenverbod. Deze grief faalt. Hoezeer ook, zoals eerder overwogen, de handelwijze van [werknemer 2] hier en daar vragen oproept, voor de beantwoording van de vraag of [werknemer 2] contractuele boetes heeft verbeurd, is in het licht van het tussen partijen gevoerde debat nader onderzoek nodig. Daarvoor is in het bestek van dit kort geding geen plaats.

4.33.

Grief IV in incidenteel beroep vormt het equivalent van grief II in incidenteel beroep in de zaak met zaaknummer 200.248.497/01 en mondt uit in dezelfde eiswijziging in hoger beroep. Saybolt mist voldoende belang bij deze grief na hetgeen het hof daarover heeft geoordeeld in de zaak met zaaknummer 200.248.497/01.

4.34.

Grief V in incidenteel beroep is het equivalent van grief III in incidenteel beroep in de zaak met zaaknummer 200.248.497/01 en kan op overeenkomstige gronden (zie hiervoor onder 4.23) niet tot een andere beslissing leiden.

4.35.

Grief VI in incidenteel beroep is het equivalent van grief IV in incidenteel beroep in de zaak met zaaknummer 200.248.497/01. Daarover heeft het hof in die zaak geoordeeld onder 4.22. In de onderhavige zaak oordeelt het hof in gelijke zin.

4.36.

Grief VII in incidenteel beroep is het equivalent van grief V in incidenteel beroep in de zaak met zaaknummer 200.248.497/01. Ook in de onderhavige zaak vordert Saybolt in hoger beroep veroordeling van Amspec en [werknemer 2] in de werkelijke proceskosten. De beide zaken verschillen voor zover hier van belang in zoverre dat het concurrentiebeding van [werknemer 2] door de voorzieningenrechter niet is geschorst en dat [werknemer 2] in eerste aanleg is veroordeeld in de proceskosten in reconventie. In zoverre is hetgeen hiervoor onder 4.25 is overwogen niet van toepassing in de onderhavige zaak. Voor het overige oordeelt het hof evenwel in gelijke zin, met dienovereenkomstige beslissing. Ook door [werknemer 2] is immers in strijd met de waarheid gesteld dat hij als gevolg van het concurrentiebeding werd belemmerd in de mogelijkheid om in het levensonderhoud van hem en zijn gezin te voorzien.

4.37.

Ook in de onderhavige zaak heeft Saybolt in hoger beroep veroordeling gevorderd (van [werknemer 2] en Amspec) tot vergoeding van kosten (€ 14.309,90 exclusief btw) wegens kosten die betrekking hebben op het onderzoek door […] Bedrijfsrecherche naar de gekopieerde bestanden met bedrijfsgegevens van Saybolt. Deze vordering is niet toewijsbaar. Zoals uit het hiervoor overwogene volgt, kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat [werknemer 2] de USB stick niet heeft achtergelaten bij Saybolt.

Recapitulatie in de zaak met zaaknummer 200.249.342/01:

4.38.

De slotsom in de zaak met zaaknummer 200.249.342/01 luidt als volgt. De grieven in principaal beroep kunnen niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. De grieven I, V en VII in incidenteel beroep slagen deels. Voor het overige kunnen de grieven in incidenteel beroep niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. Ter wille van de duidelijkheid zal het hof hierna in het dictum alle onderdelen van het dictum in het bestreden vonnis (in conventie en in reconventie) aan de orde stellen. [werknemer 2] en Amspec zullen als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep, een en ander als hierna in het dictum weer te geven. Wat betreft het pleidooi in hoger beroep zal het hof aan de beide zaken elk 1,5 punt toekennen.

5 Beslissing

Het hof:

In de zaak met zaaknummer 200.248.497/01:

verstaat dat de volgende onderdelen van het dictum van het bestreden vonnis niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen: 7.1, 7.2, 7.3, 7.4, 7.6, 7.7, 7.12 (voor zover in verbinding met 7.6 en 7.7), 7.17 en 7.18;

verbiedt Amspec, met aanpassing in zoverre van het in het bestreden vonnis onder 7.9 geformuleerde verbod, om gedurende achttien maanden na de dag van betekening van dit arrest werknemers van Saybolt direct of indirect te benaderen om bij Amspec in dienst te treden en/of hen direct dan wel indirect te benaderen om aldaar werkzaamheden in welke zin dan ook te laten verrichten en bepaalt dat het dictum van het vonnis onder 7.9 tot en met de dag van betekening van dit arrest in stand blijft;

vernietigt het vonnis onder 7.10 en wijst de vordering van Saybolt in zoverre alsnog af;

veroordeelt Amspec, met aanpassing in zoverre van het dictum van het bestreden vonnis onder 7.12, om aan Saybolt een dwangsom te betalen van € 100.000,- voor iedere overtreding van de verboden in het vonnis onder 7.8, 7.9 (zoals hiervoor aangepast) en 7.11 begaan vanaf de dag na betekening van dit arrest, tot een maximum van € 1.000.000,- en bepaalt dat het dictum van het vonnis onder 7.12 tot en met de dag van betekening van dit arrest in stand blijft;

veroordeelt [werknemer 1] en Amspec hoofdelijk tot betaling aan Saybolt van € 2.500,- exclusief btw wegens kosten voor rechtsbijstand in eerste aanleg in conventie, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit arrest;

veroordeelt [werknemer 1] tot betaling aan Saybolt van € 2.500,- exclusief btw wegens kosten voor rechtsbijstand in eerste aanleg in reconventie, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit arrest;

veroordeelt [werknemer 1] tot betaling aan Saybolt van € 11.706,19 (exclusief btw) wegens onderzoekskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van dit arrest;

vernietigt het vonnis onder 7.19 en veroordeelt [werknemer 1] alsnog in de kosten van het geding in eerste aanleg in reconventie, tot de datum van het vonnis aan de zijde van Saybolt begroot op € 490,- wegens salaris;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

veroordeelt [werknemer 1] en Amspec in de kosten van het hoger beroep (zowel in principaal als in incidenteel beroep) en begroot deze tot de datum van dit arrest aan de zijde van Saybolt op € 726,- wegens verschotten en € 4.296,- wegens salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan deze kostenveroordeling is voldaan;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

In de zaak met zaaknummer 200.249.342/01:

verstaat dat de volgende onderdelen van het dictum van het bestreden vonnis niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen: 7.1, 7.2, 7.3, 7.4, 7.6, 7.7, 7.9 (voor zover in verbinding met 7.6 en 7.7) en 7.14;

verbiedt [werknemer 2] zakelijke gegevens en/of bedrijfsgeheimen van Saybolt op enig moment en op welke wijze dan ook te gebruiken en/of openbaar te maken aan derden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 20.000,- voor iedere overtreding begaan vanaf de dag na betekening van dit arrest;

veroordeelt Amspec, met aanpassing in zoverre van het dictum van het bestreden vonnis onder 7.9, om aan Saybolt een dwangsom te betalen van € 100.000,- voor iedere overtreding van het verbod in het vonnis onder 7.8 begaan vanaf de dag na betekening van dit arrest, tot een maximum van € 1.000.000,- en bepaalt dat het dictum van het vonnis onder 7.9 tot en met de dag van betekening van dit arrest in stand blijft;

veroordeelt [werknemer 2] en Amspec hoofdelijk tot betaling aan Saybolt van € 2.500,- exclusief btw wegens kosten voor rechtsbijstand in eerste aanleg in conventie, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit arrest;

veroordeelt [werknemer 2] tot betaling aan Saybolt van € 2.500,- exclusief btw wegens kosten voor rechtsbijstand in eerste aanleg in reconventie, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit arrest;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

veroordeelt [werknemer 2] en Amspec in de kosten van het hoger beroep (zowel in principaal als in incidenteel beroep) en begroot deze tot de datum van dit arrest aan de zijde van Saybolt op € 726,- wegens verschotten en € 4.296,- wegens salaris en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan deze kostenveroordeling is voldaan;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.F. Thiessen, J.M.T. van der Hoeven-Oud en B. Barentsen en is in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, op 21 juli 2020 in aanwezigheid van de griffier.