Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1260

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-07-2020
Datum publicatie
14-07-2020
Zaaknummer
2200427718
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Milieustrafrecht. Overtreding van art. 6.2 Waterwet door onder meer het zonder vergunning laten storten van puin in de Hollandsche IJssel, zijnde een oppervlaktewaterlichaam.

Het (eenmalig) inzamelen van bedoeld puin door de verdachte is niet aan te merken als activiteit die als essentieel onderdeel van de bedrijfsvoering moet worden gezien, zodat sprake is geweest van het niet-beroepsmatig inzamelen van bedrijfsafvalstoffen en het in art. 10.45 lid 1 van de Wet milieubeheer bedoelde verbod gelet op art. 8 van het Besluit inzamelen afvalstoffen niet geldt. Het bewezenverklaarde opzettelijk inzamelen van bedrijfsafvalstoffen is mitsdien niet strafbaar, zodat de verdachte ter zake daarvan wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-004277-18

Parketnummers: 83-170789-18 en 83-176851-18

Datum uitspraak: 6 juli 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Rotterdam van 18 oktober 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [dag] 1955,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 22 juni 2020.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder parketnummer 83-170789-18 onder 1 primair en 2 tenlastegelegde, alsmede ter zake van het onder parketnummer 83-176851-18 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis, alsmede tot een geldboete van € 7.500,00, subsidiair 72 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

parketnummer 83-170789-18


1.
hij in of omstreeks de periode van 23 mei 2016 tot en met 8 december 2016 te Capelle aan den IJssel,

tezamen en in vereniging, althans alleen,

opzettelijk, meermalen,

stoffen, te weten een hoeveelheid puin (bouw- en sloopafval), heeft gebracht in de Hollandsche IJssel, zijnde een oppervlaktewaterlichaam, terwijl:

-daartoe geen strekkende vergunning was verleend door de Minister van Verkeer en Waterstaat dan wel het bestuur van het betroken waterschap en

-daarvoor geen vrijstelling was verleend bij of krachtens algemene maatregel van bestuur en

-artikel 6.3 niet van toepassing was;

(artikel 6.2 Waterwet)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 23 mei 2016 tot en met 8 december 2016 te Capelle aan den IJssel,

tezamen en in vereniging, althans alleen,

al dan niet opzettelijk, meermalen,

zonder daartoe strekkende vergunning van de minister van Infrastructuur en Milieu en/of de minister van Economische Zaken gebruik heeft gemaakt van een oppervlaktewaterlichaam namelijk de Hollandsche IJssel, niet zijnde de Noordzee, door anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder vaste substanties of voorwerpen heeft gestort en/of heeft geplaatst en/of heeft neergelegd en/of deze heeft laten staan of heeft laten liggen

immers heeft hij toen en aldaar een hoeveelheid puin gebracht in/aan de Hollandsche IJssel;

(artikel 6.12 Waterbesluit)

2.
hij in of omstreeks de periode van 23 mei 2016 tot en met 8 november 2016 te Capelle aan den IJssel, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk,

bedrijfsafvalstoffen, namelijk

puin (bouw- en sloopafval) heeft ingezameld,

terwijl hij niet als inzamelaar stond vermeld op de lijst van inzamelaars;

(artikel 10.45 Wet Milieubeheer)

parketnummer 83-176851-18

hij in of omstreeks de periode van 3 september 2018 tot en met 4 september 2018 te Capelle aan den IJssel, tezamen en in vereniging, althans alleen,

opzettelijk, meermalen,

stoffen, te weten een hoeveelheid materiaal afkomstig van boomstronken en/of takken en/of afvalstoffen die zijn ontstaan na wegdekreiniging, heeft gebracht in de Hollandsche IJssel, zijnde een oppervlaktewaterlichaam, terwijl:

-daartoe geen strekkende vergunning was verleend door de Minister van Verkeer en Waterstaat dan wel het bestuur van het betroken waterschap en

-daarvoor geen vrijstelling was verleend bij of krachtens algemene maatregel van bestuur en

-artikel 6.3 niet van toepassing was;

(6.2 waterwet)

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder parketnummer 83-170789-18 onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, alsmede tot een geldboete van

€ 6.000,00, subsidiair 65 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Met betrekking tot het onder parketnummer 83-176851-18 tenlastegelegde heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte ter zake van het niet-opzettelijk begaan van dat feit zal worden veroordeeld tot een geldboete

van € 1.000,00, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 83-170789-18 onder 1 primair en 2 tenlastegelegde en het onder parketnummer 83-176851-18 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

parketnummer 83-170789-18


1.
hij in of omstreeks de periode van 23 mei 2016 tot en met 8 december 2016 te Capelle aan den IJssel,

tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,

opzettelijk, meermalen,

stoffen, te weten een hoeveelheid puin (bouw- en sloopafval), heeft gebracht in de Hollandsche IJssel, zijnde een oppervlaktewaterlichaam, terwijl:

-daartoe geen strekkende vergunning was verleend door de Minister van Verkeer en Waterstaat dan wel het bestuur van het betroken waterschap en

-daarvoor geen vrijstelling was verleend bij of krachtens algemene maatregel van bestuur en

-artikel 6.3 niet van toepassing was;


2.
hij in of omstreeks de periode van 23 mei 2016 tot en met 8 november 2016 te Capelle aan den IJssel, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk,

bedrijfsafvalstoffen, namelijk

puin (bouw- en sloopafval) heeft ingezameld,

terwijl hij niet als inzamelaar stond vermeld op de lijst van inzamelaars;

parketnummer 83-176851-18

hij in of omstreeks de periode van 3 september 2018 tot en met 4 september 2018 te Capelle aan den IJssel, tezamen en in vereniging, althans alleen,

opzettelijk, meermalen,

stoffen, te weten een hoeveelheid materiaal afkomstig van boomstronken en/of takken en/of afvalstoffen die zijn ontstaan na wegdekreiniging, heeft gebracht in de Hollandsche IJssel, zijnde een oppervlaktewaterlichaam, terwijl:

-daartoe geen strekkende vergunning was verleend door de Minister van Verkeer en Waterstaat dan wel het bestuur van het betroken waterschap en

-daarvoor geen vrijstelling was verleend bij of krachtens algemene maatregel van bestuur en

-artikel 6.3 niet van toepassing was;

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Verweren met betrekking tot het onder parketnummer 83-170789-18 onder 1 en 2 tenlastegelegde

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het onder parketnummer 83-170789-18 onder 1 en 2 tenlastegelegde behoort te worden vrijgesproken.

met betrekking tot het onder parketnummer 83-170789-18 onder 1 tenlastegelegde: geen bewijs voor opzettelijk handelen

De raadsman heeft met betrekking tot het onder parketnummer 83-170789-18 onder 1 tenlastegelegde aangevoerd dat geen bewijs voorhanden is voor het tenlastegelegde verwijt dat de verdachte opzettelijk stoffen heeft gebracht in de Hollandsche IJssel, zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning of vrijstelling.

De verdachte meende, aldus de raadsman, dat hij handelde overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving en hij had niet de bedoeling die te overtreden. Hij ging ervan uit dat het bedrijf [A] - dat meermalen op zijn verzoek puin stortte op het door hem gehuurde perceel - en [bedrijf B] - dat het puin op het terrein verplaatste - op de hoogte waren van de geldende wet- en regelgeving en dienovereenkomstig zouden handelen.

Bovendien heeft de verdachte geen opdracht gegeven om het in de bewezenverklaring genoemde puin in de Hollandsche IJssel te brengen, maar slechts om dat op zijn perceel (dat grenst aan de Hollandsche IJssel) te storten.

Het hof overweegt als volgt.

In het economisch strafrecht dient de term opzet te worden uitgelegd als ‘kleurloos’ opzet. Dit betekent dat verdachtes opzet slechts gericht behoeft te zijn op de gedraging en niet op de wederrechtelijkheid daarvan. In het onderhavige geval houdt dat in het opzet van de verdachte slechts gericht diende te zijn op het brengen van stoffen, te weten een hoeveelheid puin (bouw- en sloopafval) in de Hollandsche IJssel.

Op basis van de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring en de overige bewijsmiddelen stelt het hof vast dat het puin op verzoek van de verdachte op het door de verdachte gehuurde perceel (dat grenst aan de Hollandsche IJssel) werd gestort ten behoeve van het aanbrengen van een schuin aflopende kade vanaf genoemd perceel in de Hollandsche IJssel. Door het puin aldus en met dit doel op het aan het water grenzende terrein te laten storten kon het niet anders dan dat het puin uiteindelijk in de Hollandse IJssel terecht zou komen, en dat het opzet van de verdachte ook hierop was gericht.

Het hof verwerpt het verweer.

met betrekking tot het onder parketnummer 83-170789-18 onder 2 tenlastegelegde

Voorts heeft de raadsman vrijspraak bepleit van het onder parketnummer 83-170789-18 onder 2 tenlastegelegde. Dat verweer zal het hof hierna onder ‘Strafbaarheid van het bewezenverklaarde’ bespreken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Verweer ten aanzien van het onder parketnummer 83-170789-18 onder 2 bewezenverklaarde

De raadsman heeft terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte behoort te worden vrijgesproken van het onder parketnummer 83-170789-18 onder 2 tenlastegelegde nu de verdachte niet-beroepsmatig bedrijfsafvalstoffen heeft ingezameld, zodat het in artikel 10.45, eerste lid, van de Wet milieubeheer bedoelde verbod – gelet op artikel 8 van het Besluit inzamelen afvalstoffen - niet op hem van toepassing is.

Het hof overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 8 van het Besluit inzamelen afvalstoffen geldt het in artikel 10.45, eerste lid, van de Wet milieubeheer bedoelde verbod niet voor het niet-beroepsmatig inzamelen van bedrijfsafvalstoffen.

Blijkens de Nota van Toelichting bij genoemd Besluit kan bij het beroepsmatig inzamelen van afvalstoffen gedacht worden aan inzamelaars waarvoor het inzamelen van afvalstoffen een essentieel onderdeel van hun bedrijfsvoering is.

De verdachte heeft het in de bewezenverklaring onder 2 genoemde puin (bouw- en sloopafval) opzettelijk ingezameld om aansluitend op het door hem gehuurde perceel, waar de verdachte zich bedrijfsmatig bezighield met het vervaardigen van houten decoraties, een schuin aflopende kade aan te leggen en het terrein te vergroten.

Het (eenmalig) inzamelen van bedoeld puin door de verdachte is naar het oordeel van het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet aan te merken als activiteit die (gelet op de genoemde hoofdactiviteit van het bedrijf van de verdachte) als essentieel onderdeel van de bedrijfsvoering moet worden gezien, zodat sprake is geweest van het niet-beroepsmatig inzamelen van bedrijfsafvalstoffen in de zin van artikel 8 van het Besluit inzamelen afvalstoffen.

Het bewezenverklaarde is mitsdien niet strafbaar, zodat de verdachte ter zake daarvan dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het onder parketnummer 83-170789-18 onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 6.2 van de Waterwet, opzettelijk begaan.

Het onder parketnummer 83-176851-18 bewezenverklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 6.2 van de Waterwet.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich in het kader van de uitoefening van zijn bedrijf, zonder daartoe gerechtigd te zijn, met anderen schuldig gemaakt aan het opzettelijk brengen van puin in de Hollandsche IJssel, zijnde een oppervlaktewaterlichaam.

Bij een andere gelegenheid heeft de verdachte niet-opzettelijk materiaal afkomstig van boomstronken en/of takken en/of afvalstoffen in genoemd oppervlaktewaterlichaam gebracht.

Het een en ander vormt een inbreuk op wettelijke voorschriften die mede zijn gesteld ter bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en de maatschappelijke functies daarvan. Dat zijn ernstige feiten die de oplegging van een taakstraf en een geldboete rechtvaardigen.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 juni 2020, waaruit blijkt dat de verdachte onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van economische delicten en andersoortige strafbare feiten.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat in eerste aanleg geen sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM ten aanzien van de inleidende dagvaarding met parketnummer 83-170789-18.

In strafzaken kan op het aan de verdachte toegekende recht op berechting binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Artikel 6 EVRM dwingt niet tot de opvatting dat de datum waarop de verdachte staande is gehouden (25 mei 2016) als zodanige handeling heeft te gelden. Van feiten en omstandigheden die in het onderhavige geval op dit punt tot een ander oordeel zouden moeten leiden is niet gebleken.

Wel zal het hof in strafmatigende zin rekening houden met de relatieve ouderdom van het onder parketnummer 83-170789-18 onder 1 primair bewezenverklaarde en met de omstandigheid dat de verdachte de in de Hollandsche IJssel gebrachte stoffen grotendeels uit het water heeft laten verwijderen.

Daarnaast laat het hof bij de straftoemeting meewegen dat het op grond van het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat de verdachte zowel zakelijk als privé kampt met aanzienlijke financiële problemen, alsmede dat zijn gezondheid te wensen over laat.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat ter zake van het onder parketnummer 83-170789-18 onder 1 primair bewezen verklaarde misdrijf uit een oogpunt van generale en speciale preventie na te melden onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 80 uren, in combinatie met een voorwaardelijke geldboete van € 3.500,00, een passende en geboden reactie vormt.

Met betrekking tot de onder parketnummer 83-176851-18 bewezen verklaarde overtreding acht het hof, met de advocaat-generaal, een voorwaardelijke geldboete van

€ 1.000,00 passend en geboden.

Bij de vaststelling van de geldboetes is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24, 24c, 47, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 6.2 van de Waterwet, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 83-170789-18 onder 1 primair en 2 tenlastegelegde en het onder parketnummer 83-176851-18 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder parketnummer 83-170789-18 onder 2 bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart het onder parketnummer 83-170789-18 onder 1 primair bewezenverklaarde en het onder parketnummer 83-176851-18 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder parketnummer 83-170789-18 onder 1 primair bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ten aanzien van het onder parketnummer 83-176851-18 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. C.G.M. van Rijnberk,

mr. L.C. van Walree en mr. B.P. de Boer, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 juli 2020.

De griffier is buiten staat dit arrest te ondertekenen.