Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1255

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
14-07-2020
Zaaknummer
200.249.541/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schade aan gehuurde auto die werd bestuurd door niet in de overeenkomst genoemde huurder of bestuurder. Beroep op aansprakelijkheidsbeperking tot het eigen risico. Beroep op overmacht. Bewijslastverdeling. Uitleg algemene verhuurvoorwaarden BOVAG. Waardering bewijs. Verplichting tot verzekering?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.249.541/02

Rol-/zaaknummer rechtbank: 5846846\ CV EXPL 17-1502

Arrest van 23 juni 2020

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. I.J. Penning te Utrecht,

tegen

Autoverhuurbedrijf Middelbeek B.V.,

gevestigd te Alkmaar,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Middelbeek,

advocaat: mr. J.G. Schmidt te Schagen.

Het geding

Bij exploot van 8 november 2018 is [appellant] in hoger beroep gekomen van door de rechtbank Den Haag, team kanton, locatie Leiden (hierna: de kantonrechter) tussen partijen gewezen vonnissen van 27 september 2017 en 5 september 2018.


Bij arrest van 22 januari 2019 is een comparitie van partijen bevolen. Deze heeft op 21 maart 2019 plaatsgevonden. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft Middelbeek de grieven bestreden.

De zaak is naar de rol verwezen van 30 juli 2019 voor beraad. Partijen hebben arrest gevraagd zonder de stukken over te leggen. Vervolgens is de zaak geroyeerd op 13 augustus 2019.


[appellant] heeft op 10 september 2019 gevraagd de zaak te hervatten. Hij heeft de stukken overgelegd en opnieuw arrest gevraagd.

De feiten

1. De door de kantonrechter in het vonnis van 27 september 2017 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan. Aangevuld met hetgeen in hoger beroep ook is komen vast te staan, gaat het in deze zaak om het volgende.

1.1

Middelbeek is een bedrijf dat zich toelegt op de verhuur en lease van personen- en

bedrijfsauto’s.

1.2

Middelbeek heeft bij schriftelijke overeenkomst van 18 maart 2014 (hierna: de overeenkomst) aan [appellant] een auto van het merk en type Ford Focus 1.6 dci (hierna: de Ford) verhuurd, met ingang van 18 maart 2014 tot 16 april 2014 om 20.00 uur.

1.3

In de overeenkomst is een eigen risico opgenomen van € 300,- per schadegeval. Ook staat in de overeenkomst vermeld: “De tarieven zijn inclusief verzekering”.

1.4

Op de overeenkomst zijn de algemene verhuurvoorwaarden van BOVAG van toepassing (hierna: de algemene verhuurvoorwaarden). Daarin is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald.

“(...)

Artikel 7: Gebruik van het voertuig

(…)

4. Alleen personen die in de huurovereenkomst als bestuurder - eventueel tevens in

de hoedanigheid van huurder - zijn aangeduid, mogen het voertuig besturen. Het is huurder

niet toegestaan het voertuig ter beschikking te stellen aan een persoon die niet als

bestuurder is vermeld op de voorzijde van het huurcontract.

(...)

6. Het is huurder niet anders dan met schriftelijke toestemming van verhuurder

toegestaan het voertuig weder te verhuren of anderszins aan een ander in gebruik te geven.

(...)

Artikel 8: Aansprakelijkheid van de huurder voor schade

(...)

2. Huurder is aansprakelijk voor alle schade van de verhuurder die is ontstaan ten

gevolge van enige gebeurtenis tijdens de huurperiode of anderszins verband houdende met

de huur van het voertuig, met inachtneming van het navolgende.

3. Indien er een eigen risico in de huurovereenkomst is overeengekomen, is de

aansprakelijkheid van huurder voor schade per schadegeval beperkt tot het bedrag van het

eigen risico, tenzij:

- de schade is ontstaan tijdens of ten gevolge van handelen of nalaten

in strijd met artikel 7;
(...)”

1.5

De Ford is op 22 maart 2014 betrokken geweest bij een verkeersongeval. Deze is in botsing gekomen met een tegemoetkomende auto, waarna ook deze in botsing is gekomen met een tegemoetkomende auto. De bestuurder van laatstgenoemde auto is hierbij om het leven gekomen.

1.6

De Ford werd ten tijde van het ongeval bestuurd door [achterneef] (hierna: [achterneef] ). [achterneef] is een achterneef van [appellant] . Hij was ten tijde van het ongeval niet in het bezit van een geldig rijbewijs.

1.7

[achterneef] was niet (mede) huurder van de Ford en was niet als bestuurder vermeld op de voorzijde van het huurcontract. Evenmin was aan Middelbeek toestemming gevraagd (of door haar verleend) om de Ford in gebruik te geven aan [achterneef] .

1.8

De Ford is door het ongeval total loss geraakt.

1.9

De meervoudige strafkamer van de Rechtbank Den Haag heeft op 26 november 2015

geoordeeld dat [achterneef] zich door het begaan van verkeersfouten en gebruik van de

rijvaardigheid verminderende stoffen zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te

wijten ongeval heeft plaatsgevonden.

1.10

Op 21 maart 2014, de dag voor het ongeval, is [achterneef] bij [appellant] op bezoek geweest.

Het geschil en de vorderingen in eerste aanleg

2.1

Middelbeek heeft in eerste aanleg gevorderd om [appellant] en [achterneef] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 16.769,64, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 maart 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

2.2

Middelbeek heeft haar vordering gebaseerd op het niet nakomen van de overeenkomst door [appellant] en op een onrechtmatige daad van [achterneef] , waardoor zij schade heeft geleden als gevolg van het verlies van de Ford.

2.3

Zowel [appellant] als [achterneef] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. [appellant] heeft erkend dat hij op grond van de overeenkomst en de wet in beginsel gehouden

is de door Middelbeek geleden schade te vergoeden aangezien hij heeft nagelaten het

gehuurde in dezelfde staat aan Middelbeek ter beschikking te stellen. [appellant] stelt echter

onder meer dat hem geen schuld treft nu sprake is van overmacht aangezien, volgens [appellant] , [achterneef] de sleutels van de Ford en de Ford zonder zijn toestemming tot zich

heeft genomen en de schade heeft veroorzaakt.

2.4

Bij het tussenvonnis van 27 september 2017 heeft de kantonrechter [appellant] toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [achterneef] zonder medeweten of toestemming van [appellant] op of omstreeks 21 maart 2014 de sleutels van de Ford tot zich heeft genomen en vervolgens, eveneens zonder wetenschap en instemming van [appellant] , met de Ford is gaan rijden.

2.5

Na bewijsvoering, door het horen van getuigen aan de zijde van [appellant] , heeft de kantonrechter in het eindvonnis van 5 september 2018 geoordeeld dat [appellant] niet is geslaagd in het aan hem opgedragen bewijs en dat [appellant] en [achterneef] in beginsel gehouden zijn de schade van Middelbeek te vergoeden.
Verder heeft de kantonrechter geoordeeld dat niet is niet komen vast te staan dat [appellant] zich op overmacht kan beroepen ten aanzien van de omstandigheid dat een niet in de huurovereenkomst genoemde bestuurder schade heeft veroorzaakt. Het moet er daarom voor worden gehouden dat is gehandeld in strijd met artikel 7 van de algemene verhuurvoorwaarden en dat de schade derhalve niet is beperkt tot een eventueel eigen risico (als bedoeld in artikel 8 van de algemene verhuurvoorwaarden). [appellant] is daarom jegens Middelbeek gehouden de volledige schade te vergoeden, welke, onweersproken door [appellant] en [achterneef] , door Middelbeek is gesteld op € 16.769,64.
De kantonrechter heeft daarom [appellant] en [achterneef] hoofdelijk veroordeeld om aan Middelbeek te betalen een bedrag van € 16.769,64, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 maart 2014 tot aan de dag van algehele voldoening, en met hoofdelijke veroordeling van [appellant] en [achterneef] in de proceskosten.

De vordering in hoger beroep

3.1

In hoger beroep heeft [appellant] gevorderd het tussenvonnis van 27 september 2017 en het eindvonnis van 5 september 2018 van de kantonrechter, voor zover gewezen tussen Middelkoop en [appellant] , te vernietigen en de vordering van Middelkoop in eerste aanleg alsnog af te wijzen, met veroordeling van Middelkoop in de kosten van de procedure in beide instanties.

3.2

Middelkoop heeft hiertegen verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van de grieven van [appellant] en tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

De beoordeling van het hoger beroep

4. In grief 1 komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter in het

tussenvonnis van 27 september 2017 dat de bewijslast van de stelling dat [achterneef]

de Ford zonder medeweten en toestemming van [appellant] heeft meegenomen, op

[appellant] rust. Volgens [appellant] rust, gelet op de formulering van artikel 8 lid 3 en artikel 7 lid 4 van de algemene verhuurvoorwaarden, de bewijslast van de vraag of er is gehandeld in strijd of nalaten met artikel 7 van de algemene verhuurvoorwaarden op de verhuurder, in dit geval Middelbeek: de aansprakelijkheid van de huurder wordt beperkt tot het eigen risico, tenzij de huurder het voertuig ter beschikking heeft gesteld aan een persoon die niet als bestuurder is vermeld op de voorzijde van het huurcontract. Middelbeek heeft geen (voldoende) bewijs geleverd voor de stelling dat [appellant] de Ford ter beschikking heeft gesteld aan [achterneef] .

4.1

Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [appellant] tekort is gekomen in de nakoming van zijn verplichting uit de overeenkomst om de Ford (uiterlijk) aan het einde van de huurperiode in dezelfde staat aan Middelbeek terug te geven. [appellant] heeft immers in eerste aanleg erkend dat hij in beginsel gehouden is de door Middelbeek geleden schade te vergoeden omdat hij het gehuurde niet in dezelfde staat aan Middelbeek heeft teruggegeven, zoals ook volgt uit het bepaalde in artikel 8 lid 2 van de algemene verhuurvoorwaarden, op grond waarvan de huurder aansprakelijk is voor alle schade van de verhuurder die is ontstaan ten gevolge van enige gebeurtenis tijdens de huurperiode of anderszins verband houdende met de huur van het voertuig. Van die erkenning is [appellant] in hoger beroep ook niet teruggekomen. [appellant] heeft echter gesteld dat hem geen verwijt treft omdat volgens hem sprake is van overmacht aangezien [achterneef] de sleutels van de Ford zonder zijn toestemming tot zich heeft genomen en de Ford zonder zijn medeweten heeft bestuurd, waarna hij de schade aan de Ford heeft veroorzaakt.

4.2

Uit het bestreden tussenvonnis moet worden afgeleid dat de kantonrechter als tekortkoming van [appellant] ten aanzien van artikel 7 lid 4 van de algemene verhuurvoorwaarden heeft aangemerkt het feit dat [achterneef] de Ford bestuurde ten tijde van het ongeval, terwijl hij geen (mede)huurder was en niet als bestuurder was vermeld op de voorzijde van het huurcontract en om die reden daartoe niet bevoegd was. Het hof onderschrijft de uitleg van de algemene verhuurvoorwaarden die daaraan ten grondslag ligt en die erop neerkomt dat het besturen van het voertuig door een persoon die niet als bestuurder is vermeld op de voorzijde van het huurcontract in strijd is met de verplichtingen van de huurder en daarom een tekortkoming oplevert. Deze uitleg is het meest in overeenstemming met de eerste volzin van artikel 7 lid 4 van de algemene verhuurvoorwaarden. Het hof volgt [appellant] niet in zijn uitleg van artikel 7 lid 4 van de algemene verhuurvoorwaarden dat pas sprake is van een tekortkoming als ook vast staat dat de huurder de auto aan een ander ter beschikking heeft gesteld, en dat de verhuurder, als hij zich beroept op de uitsluiting van de beperking van de aansprakelijkheid van de huurder in artikel 8 lid 3, daarom ook steeds moet bewijzen dat de huurder de auto aan een derde ter beschikking heeft gesteld. Het verbod van artikel 7 lid 4 is blijkens de bewoordingen van die bepaling, met name de eerste zin daarvan, niet beperkt tot de situatie dat de huurder de auto aan een derde ter beschikking stelt, maar geldt voor iedere bestuurder die niet als zodanig en/of als huurder in de overeenkomst is aangeduid. Het hof volgt [appellant] ook niet in zijn betoog dat dat niet de bedoeling kan zijn van het bepaalde in artikel 8 lid 3 in samenhang met artikel 7 lid 4 van de algemene verhuurvoorwaarden, omdat (zoals [appellant] betoogt) daardoor aan de huurder ook geen beperking van zijn aansprakelijkheid zou toekomen als het niet aan hem is te wijten dat de auto door een derde werd bestuurd, bijvoorbeeld in geval van diefstal van de auto. In die situatie, als de huurder (ook in het genoemde voorbeeld van diefstal) geen verwijt treft, komt de huurder een beroep op overmacht toe. [appellant] heeft ook geen andere omstandigheden gesteld die nopen tot een andere uitleg van het bepaalde in artikel 8 lid 3 in samenhang met artikel 7 lid 4 van de algemene verhuurvoorwaarden.

4.3

Het verweer van [appellant] in deze zaak dat [achterneef] de Ford zonder zijn medeweten of toestemming heeft bestuurd, moet dan ook worden gekwalificeerd als een beroep op overmacht. De bewijslast van dat bevrijdende verweer rust op de huurder. Het hof kan zich dan ook verenigen met de opdracht die de kantonrechter aan [appellant] heeft gegeven in het tussenvonnis van 27 september 2017 om te bewijzen dat [achterneef] zonder zijn medeweten of toestemming op of omstreeks 21 maart 2014 de sleutels van de Ford tot zich heeft genomen en vervolgens, eveneens zonder wetenschap en instemming van [appellant] , met de Ford is gaan rijden. Grief 1 faalt daarom.

5. In grief 2 komt [appellant] op tegen de waardering door de kantonrechter van het door hem aangedragen getuigenbewijs en bestrijdt hij het oordeel van de kantonrechter in het eindvonnis van 5 september 2018 dat hij er niet in is geslaagd het bewijs te leveren dat [achterneef] op of omstreeks 21 maart 2014 zonder zijn medeweten of toestemming de sleutels van de Ford tot zich heeft genomen en vervolgens, eveneens zonder wetenschap en instemming van [appellant] met de Ford is gaan rijden. Volgens [appellant] zijn de overeenkomende verklaringen van de getuigen [dochter 1] , [dochter 2] , [ex-partner] en [medewerker] zodanig sterk en betreffen die zodanig essentiële punten dat zij de partijverklaring van hemzelf voldoende geloofwaardig maken.

5.1

In het kader van een eigen waardering van het aangedragen bewijs, overweegt het hof het volgende.

5.2

[appellant] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard:

“(…). De sleutels van de door mij gehuurde Ford zaten in mijn jaszak, die over een stoel bij de keukentafel hing. Ik heb met de heer [achterneef] die avond [van 21 maart 2014, het hof] niet gesproken over de gehuurde auto en hem op geen enkele wijze toestemming gegeven om de auto of de sleutels mee te nemen. Hij wist wel dat ik een auto had gehuurd, omdat hij met mij was meegereden naar de autoverhuurder Middelbeek. Een derde heeft ons beide bij Middelbeek toen afgezet. Ik wist dat de heer [achterneef] geen rijbewijs had. Dat was voor mij dus ook een reden om de auto nooit aan hem mee te geven. De volgende dag heb ik van de vrouw van de heer [achterneef] gehoord dat hij een ongeluk had gehad met een auto. Na enige tijd heb ik me bedacht of dat niet misschien met de auto zou kunnen zijn geweest die ik van Middelbeek had gehuurd. Ik weet echt niet meer na hoeveel tijd dat is geweest en waarom ik dat op een gegeven moment ben gaan denken. Ik ben op een gegeven moment naar buiten gelopen en zag dat de gehuurde auto was verdwenen en ook merkte ik op een gegeven moment dat de sleutels van de auto waren verdwenen. Ik kan het me echt niet herinneren in welke volgorde zich dat allemaal heeft afgespeeld. Ik kan me wel herinneren dat ik erg kwaad op de heer [achterneef] was toen ik hoorde dat hij een ongeluk had gehad met de door mij gehuurde auto, die hij zonder mijn toestemming had meegenomen.
(…)”

5.3

Uit de verklaring van [appellant] volgt dat [achterneef] tussen 21 maart 2014 ’s avonds en de volgende dag toen het ongeval met de Ford heeft plaatsgevonden, de sleutels van de Ford en de Ford zonder zijn toestemming en zonder dat hij dat wist heeft meegenomen. Nu op [appellant] als partij de bewijslast rust, kan zijn verklaring ingevolge artikel 164 lid 2 Rv slechts strekken ter aanvulling van onvolledig bewijs, waarvan alleen sprake is als er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken (HR 31 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1688).

5.4

Als aanvullend bewijs heeft [appellant] zijn voormalige partner [ex-partner] en haar twee dochters [dochter 1] en [dochter 2] als getuigen laten horen. Verder is voor het bewijs een verklaring voorhanden van [medewerker] , medewerker van Middelbeek, die in contra-enquête als getuige is gehoord.

5.5

[ex-partner] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard.


“(…). Ik kan mij herinneren dat geruime tijd geleden door de heer [achterneef] een ongeluk is veroorzaakt met de auto die door de heer [appellant] was gehuurd. Dat deze auto was gehuurd heeft de heer [appellant] mij verteld. Ik weet nog dat de avond voor dat ongeluk de heer [achterneef] bij ons op visite is geweest. Dat wil zeggen dat hij bij mij in de woonwagen is geweest waar mijn twee dochters, de heer [appellant] en ikzelf ook aanwezig waren. Mijn twee dochters en ikzelf hebben die avond naar de televisie gekeken. De heer [appellant] en [achterneef] zaten aan de keukentafel, die in dezelfde ruimte staat als waar de bank en televisie staan, met elkaar te praten. Ik weet niet meer hoelang en heb hun gesprek ook niet gevolgd. Ik zat televisie te kijken. Op een gegeven moment zei de heer [achterneef] : ‘doei’, en was toen vertrokken. Ook op dat moment zat ik televisie te kijken. (…).
Toen de heer [appellant] hoorde van het ongeluk dat de heer [achterneef] had veroorzaakt was

hij erg kwaad. Dat was naar hij zei omdat de heer [achterneef] de desbetreffende auto had

meegenomen terwijl hij dat niet wist.
(…).
Ik heb niet gehoord of tijdens het gesprek tussen de heer [appellant] en [achterneef] al dan niet de huurauto ter sprake is geweest. Ik heb ook niet gezien dat de heer [achterneef]

sleutels van de auto heeft meegenomen. Zoals ik al eerder heb verklaard keek ik televisie en

heb ik me daarop geconcentreerd. Ik weet wel dat de heer [appellant] nooit zijn auto aan een

ander uitleent. Ook niet aan mij of mijn dochters. (…)”

5.6

[dochter 2] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard.

“(…) Ik kan mij herinneren dat de heer [achterneef] op de avond voordat hij een ongeluk heeft gekregen met een auto, bij ons op visite is geweest in de woonwagen van mijn moeder. Daar waren ook aanwezig: mijn moeder, mijn zusje en de heer [appellant] . De heer [achterneef] en de heer [appellant] zijn die avond aan de tafel in de woonkamer gaan zitten en hebben met elkaar gesproken, terwijl mijn moeder, mijn zusje en ik in dezelfde ruimte iets verderop naar de televisie keken. Ik was ook regelmatig met mijn mobiel bezig. Ik heb dus niet gelet op het gesprek wat de heer [achterneef] en de heer [appellant] met elkaar voerden. Ik weet ook niet hoelang dat gesprek heeft geduurd. Wat ik me nog wel kan herinneren is dat ik

tussendoor op mijn slaapkamer ben geweest. Op een gegeven moment is de heer

[achterneef] weggegaan. Ook daar heb ik niet zo op gelet. Of hij en de heer [appellant] hebben

gesproken over de auto dan wel de sleutels weet ik niet, daar heb ik ook geen aandacht aan

besteed. De volgende ochtend bleek de onderhavige auto weg te zijn, dat hoorde ik van de

heer [appellant] . Die was behoorlijk in paniek. Ik heb niet meegekregen wat de heer [appellant]

vervolgens heeft gedaan. Wel weet ik nog dat in de loop van de ochtend hij werd gebeld

door de vrouw van de heer [achterneef] . Zij vertelde dat de heer [achterneef] een ongeluk

had gehad. Uiteindelijk bleek dat te zijn geweest met de auto die die ochtend weg was. De

heer [appellant] was daar kwaad over en behoorlijk over zijn toeren. Hij was kwaad/boos

omdat de heer [achterneef] de auto had meegenomen zonder zijn medeweten.
(…)

Ik heb die avond waar ik over heb verklaard niet de indruk gekregen dat de heer

[achterneef] met de auto zou vertrekken. De heer [appellant] leent naar ik weet ook nooit

auto’s uit. Ik heb de heer [achterneef] ook niet die avond met de desbetreffende auto zien

wegrijden. (…)”

5.7

[dochter 1] heeft als getuige het volgende verklaard.

“(…). Ik heb eigenlijk weinig meegekregen van de avond waar we het hier over hebben. Ik weet nog wel dat ik thuis was en naar de televisie heb gekeken, en dat de heren [appellant] en [achterneef] in dezelfde ruimte aan de eetkamertafel met elkaar in gesprek waren. De heer [achterneef] kwam in die tijd met enige regelmaat langs. Ik heb niet gelet op wat zij deden. Ik weet ook niet meer hoelang de heer [achterneef] langs is geweest, dat kan zo’n half uur tot een uur zijn geweest. Ik heb ook niet meegekregen wanneer die is vertrokken, zoals gezegd ik heb daar gewoon niet zo op gelet. Of de heren [appellant] en [achterneef] hebben gesproken over de onderhavige auto weet ik dus ook niet. Wat ik wel weet is dat de volgende ochtend voordat ik naar mijn werk ging waar ik om 9 uur moet zijn de heer [appellant] heel kwaad was. Het kwam erop neer dat ik uit telefoongesprekken die hij met anderen voerde opmaakte dat de heer [achterneef] zonder zijn medeweten de onderhavige auto en sleutels had meegenomen. Dat heeft hij na mijn werk later op de dag ook zelf nog eens verteld. Mijn vader leent nooit zijn auto uit en was daarom ook zo boos. Hij heeft gezegd dat de sleutels van de auto op tafel lagen en zonder zijn toestemming door de heer [achterneef] waren meegenomen. Ik heb vaag nog iets meegekregen van een ongeluk dat de heer [achterneef] heeft gehad, maar ik weet niet meer wanneer.
(…)

Ik heb niet gezien dat de heer [achterneef] die avond de auto van de heer [appellant] heeft

meegenomen. Ik heb daar ook niet op gelet.
(…)

Ik kan me nog wel herinneren dat de dag nadat de heer [achterneef] op bezoek is geweest

de heer [appellant] tegen mij heeft gezegd dat de heer [achterneef] de auto en de sleutels had

weggenomen zonder zijn toestemming, maar ik weet niet meer wanneer: ’s ochtends of ’s

avonds. Hij was wel ’s ochtends erg boos. (…)”

5.8

[medewerker] heeft als getuige in contra-enquête onder meer het volgende verklaard.

(…). Ik kan mij nog herinneren dat enige tijd daarna [nadat [appellant] de Ford bij [medewerker] had gehuurd, het hof], ik weet niet meer hoelang, de heer [appellant] op een maandagochtend om circa 9.30 uur naar ons belde. Ik kreeg hem aan de lijn. Hij vertelde dat de zaterdag daarvoor een ongeluk was gebeurd met de door hem gehuurde auto. Het ging om een ernstig ongeluk. Hij vertelde ook dat dat was gebeurd nadat iemand de sleutels van de tafel had gegrist. (…)

5.9

Het hof is van oordeel dat de getuigenverklaringen van [ex-partner] , [dochter 2] , [dochter 1] en [medewerker] als bewijs niet zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring van [appellant] , dat [achterneef] de sleutels van de Ford en de Ford zonder zijn toestemming en medeweten op de avond van 21 maart 2014 heeft meegenomen, voldoende geloofwaardig maken. De getuigen Lorsé kunnen immers niet uit eigen wetenschap verklaren over hetgeen [appellant] en [achterneef] die avond met elkaar hebben besproken en of [achterneef] de sleutels van de Ford en/of de Ford al dan niet heeft meegenomen. Uit hun verklaringen volgt dat zij geen aandacht hadden voor het gesprek tussen [appellant] en [achterneef] en hun gedragingen, omdat zij televisie zaten te kijken en [dochter 2] ook regelmatig met haar mobiele telefoon bezig was en tussendoor op haar slaapkamer is geweest. Uit de omstandigheden dat de getuigen Lorsé allen hebben verklaard niet te hebben gezien of gehoord dat [appellant] de sleutel van de Ford heeft meegegeven aan [achterneef] , en dat [dochter 2] heeft verklaard dat zij niet de indruk kreeg dat [achterneef] met de auto zou vertrekken, kan dan ook niet worden geconcludeerd dat dat niet is gebeurd. Uit de verklaringen van Lorsé volgt dat zij daar eenvoudig niet op hebben gelet, dan wel daarvoor geen aandacht hebben gehad. Dat zij alledrie hebben verklaard dat [appellant] nooit een auto uitleent, is daarnaast geen sterke aanwijzing dat dat in dit geval ook niet is of kan zijn gebeurd.

5.10

Ook de verklaringen van Lorsé dat [appellant] de volgende dag, 22 maart 2014, erg boos was toen hij hoorde dat [achterneef] met de Ford een ongeval had veroorzaakt en dat zij hem hoorde zeggen dat [achterneef] de sleutel en de Ford zonder zijn medeweten had meegenomen, bieden geen concrete en directe aanwijzing dat [achterneef] de Ford zonder medeweten van [appellant] had meegenomen. De verklaringen van Lorsé in dat verband zijn uitsluitend gebaseerd op hetgeen zij van [appellant] zelf hebben gehoord. Dat [appellant] al in de ochtend van 22 maart 2014, voordat hij wist dat [achterneef] een ongeval had veroorzaakt, boos was omdat hij had gemerkt dat [achterneef] zonder zijn instemming de Ford bleek te hebben meegenomen, zoals volgt uit de verklaringen van de dochters Lorsé, kan niet zonder meer worden gevolgd, nu die verklaringen niet overeenstemmen met hetgeen [ex-partner] en [appellant] zelf daarover hebben verklaard. [ex-partner] en [appellant] hebben verklaard dat [appellant] pas nadat hij had gehoord dat [achterneef] een auto-ongeval had gehad, had gemerkt dat [achterneef] de Ford had meegenomen. Die verklaringen zijn eerder een aanwijzing dat de boosheid (en paniek) van [appellant] werd(en) veroorzaakt door het feit dat [achterneef] met de Ford bij een (zeer ernstig) ongeval was betrokken, dan dat [achterneef] de Ford zonder zijn instemming en medeweten had meegenomen, zoals [appellant] stelt.

5.11

De verklaring van [medewerker] dat [appellant] in een telefoongesprek met hem op de maandagochtend na het ongeval (maandag 24 maart 2014) tegen hem heeft gezegd dat “iemand de sleutels van tafel had gegrist”, is eveneens uitsluitend gebaseerd op een verklaring van [appellant] zelf, en biedt daarom evenmin een sterke ondersteuning van de partijgetuigenverklaring van [appellant] . Bovendien heeft [appellant] ook die uitspraak gedaan nadat hij wist dat [achterneef] met de Ford bij een (zeer ernstig) ongeval was betrokken en dus niet meer in staat was de Ford in dezelfde staat bij Middelbeek in te leveren. Daarbij komt dat de verklaring van [appellant] tegenover [medewerker] dat iemand de sleutels van tafel had gegrist ook niet overeenstemt met hetgeen [appellant] als getuige heeft verklaard. In zijn getuigenverklaring heeft hij immers verklaard dat de sleutels van de Ford in de zak zaten van zijn jas, die over een stoel bij de keukentafel hing. In eerste aanleg heeft [appellant] gesteld dat [achterneef] op enig moment de sleutels uit zijn jaszak heeft gepakt (conclusie van antwoord, onder punt 8).

5.12

Uit het voorgaande volgt dat [appellant] niet is geslaagd in het aan hem opgedragen bewijs. Dat betekent dat grief 2 faalt.

6. In grief 3 bestrijdt [appellant] het oordeel van de kantonrechter in het eindvonnis van 5 september 2018 dat is gehandeld in strijd met artikel 7 van de algemene verhuurvoorwaarden, dat de schade (het hof begrijpt: de verplichting tot schadevergoeding) daarom niet is beperkt tot het eigen risico en dat [appellant] daarom jegens Middelbeek gehouden is de volledige schade te vergoeden. [appellant] voert daarvoor aan dat hij erop mocht vertrouwen dat de Ford all risk verzekerd was, dan wel dat Middelbeek hem er uitdrukkelijk op had moeten wijzen dat de Ford slechts WA-verzekerd was. [appellant] wijst erop dat in de overeenkomst staat vermeld dat de tarieven inclusief verzekering zijn en dat ook op de website van Middelbeek staat vermeld dat een all risk-verzekering is inbegrepen.
vernietigt daarom de overeenkomst op grond van dwaling. Voorts doet [appellant] een beroep op buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst wegens een tekortkoming in de nakoming van Middelbeek, namelijk het niet all risk verzekeren van de Ford. Volgens [appellant] is er daardoor geen grondslag (meer) voor de vordering van Middelbeek op hem. Verder stelt [appellant] zich (naar het hof begrijpt: subsidiair) op het standpunt dat de schade wegens eigen schuld – het niet verzekerd zijn van de Ford – op grond van artikel 6:101 lid 1 BW voor rekening van Middelbeek komt.

6.1

Niet in geschil is dat de schade is ontstaan toen de Ford werd bestuurd door [achterneef] , terwijl hij in de overeenkomst niet als bestuurder en/of huurder is aangeduid. Op grond van artikel 7 lid 4 van de algemene verhuurvoorwaarden was dat niet toegestaan. Het hof is van oordeel dat al daarom sprake is van een handelen in strijd met artikel 7 van de algemene verhuurvoorwaarden, zoals bedoeld in artikel 8 lid 3 van de algemene verhuurvoorwaarden. Dat artikel 8 lid 3 in samenhang met artikel 7 lid 4 van de algemene verhuurvoorwaarden zo moeten worden uitgelegd, zoals [appellant] in zijn toelichting op grief 1 heeft betoogd, dat vast moet staan dat de huurder de auto aan een ander ter beschikking heeft gesteld, kan niet worden gevolgd, zoals volgt uit de bespreking hierboven van grief 1 (onder 4.2).

6.2

Gelet op het voorgaande, en nu [appellant] geen beroep op overmacht toekomt, volgt uit artikel 8 lid 3 van de algemene verhuurvoorwaarden dat de aansprakelijkheid van [appellant] niet is beperkt tot het in de overeenkomst afgesproken eigen risico van € 300,-, maar dat hij in beginsel volledig aansprakelijk is voor de schade van Middelbeek.

6.3

Het feit dat Middelbeek de Ford niet all-risk (bij een externe verzekeraar) had verzekerd, maakt het voorgaande niet anders. Middelbeek heeft toegelicht dat met de vermelding op de overeenkomst dat de tarieven ‘inclusief verzekering’ zijn en de vermelding op haar website dat sprake is van een ‘all risk verzekering’, nog daargelaten dat [appellant] niet heeft aangetoond dat ook bij de door hem gehuurde Ford die vermelding voorafgaande aan het sluiten van de overeenkomst op de website stond, wordt gedoeld op de hiervoor bedoelde regeling van artikel 8 lid 3 van de algemene verhuurvoorwaarden. Op grond van die bepaling is de auto immers in beginsel verzekerd tegen alle schade die tijdens de huurperiode ontstaat, voor zover die schade het bedrag van het overeengekomen eigen risico te boven gaat (behoudens de in die bepaling genoemde uitsluitingen). Er is in die zin sprake van een verzekering in eigen beheer van de verhuurder (een zogenoemde Collision Damage Waiver (CDW)).

6.4

Nu nergens staat vermeld dat Middelbeek voor de Ford een all risk-verzekering heeft afgesloten bij een externe verzekeraar, en niet is gesteld of gebleken dat Middelbeek mededelingen in die zin aan [appellant] heeft gedaan, en [appellant] bovendien niet heeft gesteld dat hij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan Middelbeek kenbaar heeft gemaakt dat het voor hem van belang was dat de auto was verzekerd bij een externe verzekeraar (nog daargelaten de vraag waarom een verzekering in de vorm van een CDW voor hem niet voldoende zou zijn), is er geen grond voor het oordeel dat de overeenkomst tot stand is gekomen onder invloed van dwaling. Al daarom is er evenmin grond voor het oordeel dat [appellant] de overeenkomst met succes heeft vernietigd.

6.5

Uit het voorgaande volgt verder dat er evenmin grond is voor het oordeel dat Middelbeek tekort is gekomen in de nakoming van haar verplichting uit de overeenkomst om de Ford tegen schade te verzekeren. Met de bepaling van artikel 8 lid 3 in de algemene verhuurvoorwaarden is immers voorzien in een verzekering. Dat Middelbeek de verplichting op zich heeft genomen de Ford all risk te verzekeren bij een externe verzekeraar, blijkt nergens uit. Al daarom heeft [appellant] evenmin met succes de overeenkomst ontbonden.

6.6

Tot slot is er geen grond voor het oordeel dat de schade op grond van artikel 6:101 BW wegens eigen schuld voor rekening van Middelbeek moet blijven omdat zij voor de Ford geen all risk verzekering bij een externe verzekeraar heeft afgesloten. Uit het voorgaande volgt dat op grond van de overeenkomst er geen verplichting was voor Middelbeek om een dergelijke verzekering af te sluiten. Ook anderszins heeft [appellant] niet toegelicht op grond waarvan Middelbeek die verplichting zou hebben. Daarbij komt dat [appellant] ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat het gebruikelijk is in de autoverhuurbranche om een all risk-verzekering af te sluiten voor een huurauto bij een externe verzekeraar.

6.7

Uit het voorgaande volgt dat er geen grond is voor het oordeel dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat, gelet op het bepaalde in artikel 8 lid 3 van de algemene verhuurvoorwaarden, [appellant] gehouden is de volledige schade van Middelkoop te vergoeden. Grief 3 faalt.

7. Het hof passeert het bewijsaanbod van [appellant] in hoger beroep, omdat het te vaag (nu het onvoldoende duidelijk is betrokken op voldoende geconcretiseerde stellingen) dan wel niet ter zake dienend is (nu geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot andere oordelen aanleiding kunnen geven).

8. Nu geen van de grieven slaagt, is er geen grond voor het oordeel dat de kantonrechter de vordering van Middelbeek tegen [appellant] ten onrechte heeft toegewezen. Daarom faalt het hoger beroep. Het hof zal de bestreden vonnissen bekrachtigen en [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten die Middelbeek in het hoger beroep heeft gemaakt.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de kantonrechter van 27 september 2017 en 5 september 2018;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Middelbeek tot op heden begroot op € 2.020,- voor griffierecht en € 2.148,- aan salaris voor de advocaat (2 punten x tarief II).

Dit arrest is gewezen door mrs. J. van der Kluit, P.M. Verbeek en R.J.F. Thiessen, en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, op 23 juni 2020 in aanwezigheid van de griffier..