Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1202

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
BK-19/00786
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:9593, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:403
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeervergunning voor twee auto's; wijzigen kenteken; actief kenteken; wisselen van auto

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 15-03-2021
V-N Vandaag 2021/646
FutD 2021-0976
NTFR 2021/1196
V-N 2021/17.1.9
Belastingblad 2021/146 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-19/00786

Uitspraak van 19 juni 2020

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Dordrecht, de Heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 4 december 2019, nr. ROT 19/710.

Overwegingen

1. Belanghebbende beschikt over een door de gemeente Dordrecht verstrekte parkeervergunning, te weten een 1e bewonersvergunning Sector A, met welke vergunning het haar is toegestaan twee auto’s met de door haar opgegeven kentekens [kenteken 1] en [kenteken 2] te parkeren, zij het afwisselend, te weten onder de, haar bekende, voorwaarde dat telkens het kenteken van de desbetreffende auto wordt geactiveerd. Met betrekking tot het op 3 januari 2019 op een door parkeerapparatuur gereguleerde parkeerplaats parkeren van de auto met kenteken [kenteken 1] heeft zij dat kenteken niet geactiveerd; het kenteken [kenteken 2] is dan (nog steeds) geactiveerd.

2. Bij een controle op 3 januari 2019, 13.34 uur, is geconstateerd dat voor het parkeren van de auto met kenteken [kenteken 1] geen parkeerbelasting is betaald. Naar aanleiding van die vaststelling is de naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Dordrecht van € 64,80 (€ 2,80 belasting en € 62 kosten) opgelegd. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.

3. Tegen de uitspraak van de Heffingsambtenaar heeft belanghebbende beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 47 is geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

4. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 128 is geheven. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

5. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 12 juni 2020. De Heffingsambtenaar is verschenen. Van de kant van belanghebbende is niemand verschenen. Zij heeft bij bericht van 3 maart 2020 aangekondigd dat [A] , haar partner, op de zitting het woord voert en dat zij zelf niet op de zitting zal verschijnen. De partner heeft vlak vóór de aanvang van de zitting het Hof telefonisch bericht dat belanghebbende vanwege migraine niet op de zitting komt. Uitstel van de zitting is niet verzocht. Het Hof heeft geen reden gezien de behandeling van het hoger beroep aan te houden dan wel het onderzoek te heropenen.

6. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

2.2.

Het staat vast dat [belanghebbende] niet heeft voldaan aan de aan de parkeervergunning verbonden voorwaarde dat het kenteken van de geparkeerde auto als actief kenteken geregistreerd moet staan. Daarmee was geen sprake van parkeren met de parkeervergunning (als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de verordening). Alleen al daarom kan niet worden gezegd dat [belanghebbende], beschikkende over een geldige parkeervergunning, voor de auto [kenteken 1] (voldoende) parkeerbelasting had betaald. Omdat de betreffende parkeerplaatsen ook waren aangewezen als betaaldparkerenplaats en [belanghebbende] de betaaldparkerenbelasting niet had voldaan, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd met toepassing van artikel 20 van de Awr.

3. [Belanghebbende] betoogt dat [de Heffingsambtenaar] tekort schiet in zijn zorgplicht naar de inwoners van de binnenstad. De door hem gebruikte software is niet consequent en slecht doordacht. Deze beroepsgrond faalt.

3.1.

De rechtbank is niet gebleken dat de door [de Heffingsambtenaar] gehanteerde software onbruikbaar of onnodig omslachtig in gebruik zou zijn. Dat [belanghebbende] wellicht enige moeite heeft (moeten doen) om gebruik te maken van de software (via de ParkApp) is onvermijdelijk. Dat komt niet voor rekening en risico van [de Heffingsambtenaar].

4. Voor zover [belanghebbende] beoogt zich te beroepen op overmacht, faalt dit. De rechtbank wil aannemen dat vergunninghouders wel eens zullen vergeten de procedure voor het wijzigen van het kenteken te volgen, maar de wettelijke bepalingen inzake de heffing van parkeerbelastingen bieden de rechtbank niet de vrijheid de naheffingsaanslagen op grond van de door [belanghebbende] aangevoerde omstandigheid te vernietigen. Daarnaast bieden de Gemeentewet, de verordening en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daarvoor geen aanknopingspunten. Zo staat in artikel 10 van de verordening met zoveel woorden dat bij de invordering van de parkeerbelastingen geen kwijtschelding wordt verleend.

5. Tot slot kan [belanghebbende] geen rechten ontlenen aan de situatie waarin zij door (medewerkers van) [de Heffingsambtenaar] erop gewezen is dat zij, bijvoorbeeld bij een evenement als Big Rivers, fout geparkeerd staat met haar auto en in de gelegenheid wordt gesteld haar auto weg te halen. Dat zij hiervan op de hoogte wordt gesteld is een service uit coulance en dat maakt niet dat [de Heffingsambtenaar] in alle situaties deze service zou moeten verlenen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)"

7. In hoger beroep is, net als voor de Rechtbank, in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

8. De over (de wijze van) het parkeren van de auto beschikbare gegevens, in het licht van de relevante regelgeving, brengen naar 's Hofs oordeel niet anders mee, gelet ook op de in het verweerschrift in hoger beroep gegeven uiteenzetting, dan 1) dat de Rechtbank op goede gronden, begrijpelijk en juist, heeft geoordeeld dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en 2) dat belanghebbende niets, ook niet in hoger beroep, heeft aangevoerd of ingebracht dat een andere conclusie rechtvaardigt. Het Hof neemt in aanmerking dat, reeds omdat belanghebbende in hoger beroep heeft gesteld: "bij het wisselen van een auto heb ik verzuimd om mijn kenteken te ‘activeren’ waardoor de handhaver een parkeerticket uitschreef" - welke uitlating het Hof begrijpt als dat het aan haar aandacht is ontsnapt het andere kenteken te moeten activeren - haar grieven tegen de (werking van) het systeem, wat daar ook van zij, haar niet kunnen helpen. Zo zij al heeft geprobeerd het andere kenteken te activeren en het haar niet is gelukt, had het op haar weg gelegen de gemeente onverwijld te informeren over dat probleem. Dat is niet gebeurd. Opmerking verdient dat het hier om een door de gemeente geboden faciliteit gaat één parkeervergunning voor twee auto’s te gebruiken en dat het belanghebbende is, nu zij van zo’n vergunning gebruik wenst te maken, die verantwoordelijk is voor het nakomen van de aan de faciliteit verbonden voorwaarden. Het gelijk is aan de zijde van de Heffingsambtenaar.

9. Het hoger beroep is ongegrond.

10. Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 19 juni 2020, met de nodige coronabeperkingen, in het openbaar uitgesproken.

wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door raadsheer Visser

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kan zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Wanneer die personen geen gebruik willen maken van digitaal procederen, sturen zij het beroepschrift in cassatie aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2. Alleen bij procederen op papier: het cassatieberoepschrift moet ondertekend zijn;

3. Het cassatieberoepschrift moet ten minste vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. De indiener zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.