Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1192

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
05-10-2020
Zaaknummer
BK-19/00738
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:14410, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1579
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of [de Inspecteur] terecht de door [belanghebbende] in aanmerking genomen partneralimentatie niet in aftrek heeft toegelaten. Voorts is in geschil of het door [belanghebbende] namens zijn ex-partner aan de Rabobank betaalde bedrag van € 5.100 aftrekbaar is als partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 05-10-2020
V-N Vandaag 2020/2345
V-N 2020/55.1.2
NTFR 2020/3612
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-19/00738

Uitspraak van 27 maart 2020

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 15 oktober 2019, nr. SGR 19/3169.

Overwegingen

1. Belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.385 met berekening bij beschikking van € 308 aan belastingrente opgelegd. Bij gezamenlijke uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.213 en de belastingrente tot € 18.

2. Tegen de uitspraak van de Inspecteur heeft belanghebbende beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 47 is geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 128 is geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

4. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 13 maart 2020. Partijen zijn verschenen.

5. Belanghebbende is vanaf 24 mei 2004 geregistreerd partner van mevrouw [A] . Het geregistreerd partnerschap is per 14 augustus 2013 ontbonden.

5.1.

In de "Vaststellingsovereenkomst ontbinding geregistreerd partnerschap" van 6 juni 2013 is opgenomen:

"(…)

Artikel 2: Levensonderhoud

2.1

Partneralimentatie

a. Beide partijen kunnen voorzien in hun eigen kosten voor levensonderhoud en hebben geen behoefte aan een bijdrage van de andere partner in zijn/haar kosten voor levensonderhoud. Partijen doen daarom reeds nu voor alsdan afstand van het recht een bijdrage in de kosten voor levensonderhoud van de andere partner te verlangen.

(…)

Artikel 3: Verdeling bezittingen en schulden

(…)

3.5

Verkoop echtelijke woning

a. De echtelijke woning wordt verkocht en overgedragen aan de eerste belangstellende die naar het oordeel van partijen een acceptabel bod uitbrengt.

b. De opbrengst wordt aangewend om alle kosten van verkoop en overdracht te voldoen en alle gedurende het huwelijk aangegane geldleningen af te lossen.

c. Partijen verplichten zich te houden aan de door Nationale Nederlanden gestelde eisen in verband met het verkopen van de woning met restschuld.

d. Partijen zijn overeengekomen dat de man een regeling zal treffen met Nationale Nederlanden of een door hen ingeschakelde partij, waarbij hij de gezamenlijke restschuld zal inlossen.

(…)

3.13

Schuld aan Rabobank

a. De schuld aan de Rabobank bekend onder Huisvoordeelkrediet met contractnummer [xxxxx] blijft gezamenlijk. Met de schuld is circa € 42.000,- gemoeid.

b. De vrouw betaalt de maandelijkse rente- en aflossing à € 425,- per de eerste van de maand op een door de man aan te wijzen bankrekening.

c. De man zal voor betaling van de maandelijkse termijn à € 425,- aan de Rabobank zorgdragen.

d. Wanneer de man de volledige restschuld van de eigen woning zoals vermeld in artikel 3.5 lid d heeft ingelost, zal de vrouw haar maandelijkse storting zoals vermeld in artikel 3.13 lid b stopzetten.

(…)"

5.2.

Naar zeggen van belanghebbende is de vrouw niet in staat gebleken in haar levensonderhoud te voorzien en heeft hij de rente- en aflossing van de schuld aan de Rabobank van € 5.100 (12 x € 425) voor zijn rekening genomen.

6. Voor 2016 heeft belanghebbende € 705 als aftrekbare partneralimentatie aangegeven wegens het "bijspringen in de kosten voor levensonderhoud omdat het de ex-partner niet lukt met haar verdiensten rond te komen met haar zorg voor de drie kinderen". De Inspecteur heeft de aftrek niet toegestaan.

6.1.

In beroep claimt belanghebbende, naast de € 705, nog de aftrek van de in punt 5.2 vermelde € 5.100 als partneralimentatie. In hoger beroep past hij de € 705 aan naar € 881.

7. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

4. In geschil is of [de Inspecteur] terecht de door [belanghebbende] in aanmerking genomen partneralimentatie niet in aftrek heeft toegelaten. Voorts is in geschil of het door [belanghebbende] namens zijn ex-partner aan de Rabobank betaalde bedrag van € 5.100 aftrekbaar is als partneralimentatie.

5. [ Belanghebbende] stelt dat het door hem in de aangifte opgegeven bedrag van € 705 aftrekbaar is als partneralimentatie, omdat hij heeft bijgedragen in de kosten voor levensonderhoud van zijn ex-partner. Voorts stelt [belanghebbende] dat de door hem voor het jaar 2016 aan de Rabobank betaalde rente en aflossingen van in totaal € 5.100 kwalificeren als partneralimentatie, nu zijn ex-partner dit bedrag niet conform het convenant aan hem heeft voldaan.

6. [ De Inspecteur] heeft de stellingen van [belanghebbende] gemotiveerd weersproken.

7. Uit artikel 6.1, eerste en tweede lid, Wet IB 2001 volgt dat de persoonsgebonden aftrek onder andere bestaat uit uitgaven voor onderhoudsverplichtingen. Deze zijn omschreven in artikel 6.3, eerste lid, van de Wet IB 2001, welke bepaling voor zover hier van belang als volgt luidt:

'1. Onderhoudsverplichtingen zijn:

a. periodieke uitkeringen en verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, tenzij deze worden gedaan aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn;

(…)

f. in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen die berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud.'

8. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich dat [belanghebbende] de feiten en omstandigheden aannemelijk maakt waaruit volgt dat de door hem gedane betalingen kunnen worden aangemerkt als aan zijn ex-partner gedane betalingen in het kader van onderhoudsverplichtingen als bedoeld in artikel 6.3 Wet IB 2001. Met hetgeen door [belanghebbende] is verklaard en overgelegd is hij hierin niet geslaagd. [Belanghebbende] heeft in zijn beroepschrift gesteld dat sprake is van een onderhoudsverplichting aan zijn ex‑partner, omdat zij financieel niet meer rondkwam en hij daarom heeft bijgedragen in haar levensonderhoud. Voorts heeft [belanghebbende] de hypotheeklasten van de voormalige echtelijke woning geheel voor zijn rekening genomen. De afspraak waaruit volgt dat [belanghebbende] verplicht zou zijn om aan zijn ex-partner partneralimentatie te betalen is niet schriftelijk vastgelegd of op een andere wijze onderbouwd. Evenmin heeft [belanghebbende] aannemelijk gemaakt dat de door hem in aftrek gebrachte bedragen waren bedoeld als partneralimentatie. Omdat niet is bewezen dat [belanghebbende] betalingen aan zijn ex-partner heeft verricht ingevolge een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting, komen de door [belanghebbende] bedoelde betalingen niet voor aftrek in aanmerking.

9. Er is evenmin sprake van voldoening aan een dringende morele verplichting in de zin van artikel 6.3, eerste lid, onder f, van de Wet IB 2001. Geen sprake is van een onderhoudsverplichting die in aftrek kan worden gebracht, nu het geen (door de ex-partner) in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen betreft. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van feiten en omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat dit wetsartikel van toepassing zou zijn.

10. [ Belanghebbende] heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de berekening van de belastingrente en ook overigens is niet gebleken dat deze is berekend in strijd met het bepaalde in hoofdstuk VA van de Awr.

11. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding."

8. In hoger beroep zijn dezelfde geschilpunten als bij de Rechtbank aan de orde. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

9. De beschikbare gegevens, in het licht van de aan de orde zijnde regelingen, brengen naar 's Hofs oordeel niet anders mee dan dat de Rechtbank op goede gronden, begrijpelijk en juist, heeft geoordeeld dat met betrekking tot de geschilpunten, ook wat betreft de belastingrente, het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is. In de stellingen van belanghebbende, zoals hij die (met stukken) heeft onderbouwd, uitgelegd en op de zitting heeft toegelicht, ziet het Hof, gelet ook op al wat de Inspecteur in beroep en in hoger beroep heeft gesteld, geen grond anders te beslissen. Integendeel, de tussen partijen vaststaande feiten wijzen nu eenmaal uit, de overwegingen van de Rechtbank volgend, dat de in geding zijnde (beweerdelijke) betalingen naar de aard niet zijn gedaan op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting dan wel anderszins in rechte vorderbaar zijn, een en ander als bedoeld in artikel 6.3, lid 1, aanhef en onderdelen a en f, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Met betrekking tot de in punt 5.2 vermelde € 5.100 verdient opmerking dat de betaling in kwestie als zodanig niet kwalificeert als levensonderhoud (inkomen), maar onderdeel is van de afwikkeling van de goederengemeenschap van het ontbonden geregistreerd partnerschap (vermogen).

10. Het hoger beroep is ongegrond.

11. Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 27 maart 2020 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.