Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1190

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-06-2020
Datum publicatie
01-11-2021
Zaaknummer
BK-19/00671
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:11205, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2022:743
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesgang, vertragingstechniek, procedurele beslissingen, niet uitstellen mondelinge behandeling verzuimboete

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 1-11-2021
FutD 2021-3425
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-19/00671

Uitspraak van 22 juni 2020

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 19 september 2019, nr. SGR 18/6063.

Overwegingen

1. Het beroep van belanghebbende tegen de afwijzende uitspraak op het bezwaar tegen de met betrekking tot de aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor 2015 bij beschikking wegens het na uitnodiging, herinnering en aanmaning niet indienen van de aangifte opgelegde verzuimboete van € 369 is door de Rechtbank, zonder heffing van griffierecht, ongegrond verklaard.

2. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Heffing van griffierecht is achterwege gebleven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft gereageerd bij diverse geschriften (faxberichten en e-mails), laatstelijk een, klacht inhoudend, faxbericht van 19 juni 2020, 09.44 uur, en telefoontjes met medewerkers van de griffie.

3. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 19 juni 2020, aangevangen 09.40 uur. De Inspecteur is verschenen. Van de kant van belanghebbende is niemand verschenen.

3.1.

Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld en toen het Hof heeft geconstateerd dat de bij de procedure betrokken partijen in de stukken ruimschoots voldoende aan het woord zijn geweest, zijn partijen op de gebruikelijke wijze opgeroepen voor de mondelinge behandeling. Belanghebbende maakt een gewoonte van het regelmatig schriftelijk (per fax, per e-mail) of per telefoon contact te zoeken met (medewerkers van) de griffie van het Hof. Die wijze van communiceren heeft naar het oordeel van het Hof - ter illustratie ook wijzend op de niet voor tweeërlei uitleg vatbare passages in de uitspraak van de Rechtbank en het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank op 18 september 2019 - in feite geen ander doel dan de voortgang van een reguliere, dat wel zeggen behoorlijke en voortvarende, procesgang in negatieve zin te beïnvloeden of zelfs geheel te verstoren. Zij schroomt niet de griffiemedewerkers telkens woorden in de mond te leggen die in een specifieke situatie haar goed uitkomen. Zij is herhaaldelijk bezig procedurele beslissingen, die alleen zijn voorbehouden aan de bevoegdheid van het Hof, naar haar hand te zetten op een wijze die volstrekt niet past. Uit haar veelal volstrekt ongefundeerde, subjectief ingestoken en zo nu en dan niet te volgen beweringen en uitingen heeft het Hof opgemaakt dat, hoewel zij te pas en te onpas aangeeft geen antwoord te krijgen op vragen of stelt correspondentie niet te hebben ontvangen, bijvoorbeeld de aangetekend aan haar verzonden uitnodiging voor de mondelinge behandeling van haar zaak, verkeerd te worden begrepen, te worden benadeeld en dat het Hof geen oog heeft voor haar procesbelangen en zij schermt met beweringen dat het Hof haar niet wil begrijpen, niet wil luisteren en haar tegenwerkt, dat zij in elk geval op de hoogte is geweest van de mondelinge behandeling op het in de oproep aangegeven tijdstip. Het Hof heeft, gelet ook op haar in de gehele procedure tentoongespreide gedrag, dat, zoals gezegd, niet anders is uit te leggen dan als een aanhoudend in het kader van een vertragingstactiek ondernomen poging een passende voortgang van de behandeling van haar zaak in hoger beroep te verstoren, besloten de voortgang van de zaak belangrijker te vinden en de mondelinge behandeling van de zaak voort te zetten en daaraan voorrang te geven ter voorkoming van het verworden van de procedure tot een als slepend te karakteriseren procedure. Al met al heeft het Hof geen reden gezien de behandeling van het hoger beroep aan te houden dan wel het onderzoek te heropenen.

4.1.

De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

[Belanghebbende] heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan [de Inspecteur]. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2019. [Belanghebbende] is verschenen. [De Inspecteur] heeft zich laten vertegenwoordigen door (…) en (…). De rechtbank heeft bij beslissing van 6 mei 2019 het onderzoek heropend en bepaald dat het onderzoek ter zitting op een nader te bepalen datum zal worden voortgezet. [Belanghebbende] heeft nog diverse brieven ingediend. De voortzetting van het onderzoek heeft plaatsgevonden op 8 juli 2019. [Belanghebbende] is verschenen, bijgestaan door haar dochter [A] . Tot bijstand als tolk in de Engelse taal is verschenen (…). Namens [de Inspecteur] zijn verschenen (…) en (…). Ter zitting heeft [belanghebbende] een verzoek ingediend tot wraking van de rechter. De rechtbank heeft hierop het onderzoek ter zitting geschorst. De wrakingskamer van de rechtbank Den Haag heeft het verzoek tot wraking bij beslissing van 8 augustus 2019 afgewezen en heeft bepaald dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek. Voorts is daarbij bepaald dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling zal worden genomen. [Belanghebbende] heeft op kort vóór de zitting wederom een brief ingediend en daarbij, naar de rechtbank begrijpt, een verzoek om uitstel van de zitting gedaan. De rechtbank heeft, gelet op de inhoud van deze brief, geen aanleiding gezien om dit verzoek in te willigen. De voortzetting van het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2019. [Belanghebbende] is verschenen, bijgestaan door haar dochter [A] . Tot bijstand als tolk in de Engelse taal is verschenen (…). Tevens was aanwezig (…), griffier bij deze rechtbank. Namens [de Inspecteur] zijn verschenen (…) en (…). Voordat de feitelijke behandeling van de zaak een aanvang kon nemen heeft de rechtbank zich genoodzaakt gezien [belanghebbende] en haar dochter, wegens wangedrag, uit de zaal van de zitting te laten verwijderen. Het onderzoek is vervolgens buiten aanwezigheid van [belanghebbende] en haar dochter voortgezet. [Belanghebbende] heeft na de sluiting van het onderzoek schriftelijk een verzoek tot wraking ingediend. Gelet op de uitspraak van de wrakingskamer van 8 augustus 2019 zal de rechtbank hieraan voorbijgaan.

(…)

Geschil

6. In geschil is of de verzuimboete terecht is opgelegd.

Beoordeling van het geschil

7. [ De Inspecteur] heeft de verzuimboete op grond van artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) opgelegd. Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat de inspecteur een bestuurlijke boete van ten hoogste € 5.278 (tekst 2015) kan opleggen indien de belastingplichtige de aangifte voor een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven niet, dan wel niet binnen de ingevolge artikel 9, derde lid, van de AWR gestelde termijn heeft gedaan. Dit vormt een verzuim ter zake waarvan de inspecteur uiterlijk bij de vaststelling van de aanslag een boete kan opleggen.

8. Vast staat dat [belanghebbende] voor het jaar 2015, nadat zij daartoe was uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangifte niet de vereiste aangifte heeft ingediend. In beginsel is dan aan de voorwaarden van artikel 67a, eerste lid, van de AWR voldaan om een verzuimboete op te leggen. Slechts bij afwezigheid van alle schuld (avas) dient oplegging van een boete achterwege te blijven. Avas doet zich voor als een belanghebbende geen enkel verwijt kan worden gemaakt van het niet tijdig indienen van de aangifte. Daarvoor is vereist dat de belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden van hem/haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat de aangifte tijdig wordt gedaan. De bewijslast ter zake van feiten en omstandigheden waaruit avas volgt, rust op belanghebbende.

9. [ Belanghebbende] heeft in dit verband aangevoerd dat zij niet voldoende informatie kreeg van de belastingdienst. [Belanghebbende] is tot de dood van haar man in 2015 altijd huisvrouw geweest en had geen inkomsten van enige betekenis. Als gevolg van het overlijden van haar echtgenoot moest zij een gezamenlijke aangifte inkomstenbelasting indienen. Vanwege onvoldoende informatie kon zij de aangifte van haar echtgenoot niet invullen en daarom heeft zij de Belastingdienst om informatie en hulp verzocht. [Belanghebbende] stelt dat zij deze informatie niet heeft gekregen. [Belanghebbende] heeft bij een nader stuk een uitspraak op bezwaar van 1 oktober 2018 overgelegd met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2016, waarin gezien de bijzondere omstandigheden besloten is de boete te laten vervallen.

10. Naar het oordeel van de rechtbank leveren de door [belanghebbende] gestelde omstandigheden geen avas op in bovenbedoelde zin. Door [de Inspecteur] is weersproken dat [belanghebbende] voor het invullen van haar eigen aangifte gegevens van wijlen haar man nodig had. [Belanghebbende] kon alle gegevens die zij nodig had, voor zover zij die zelf al niet had in de vorm van jaaropgaven etc, verkrijgen via de vooraf ingevulde aangifte van de belastingdienst. Zo [belanghebbende] al niet in staat was om op deze wijze aangifte te doen, dan had zij daarbij de hulp van derden kunnen en moeten inroepen. Daarbij komt dat [belanghebbende] diverse malen door [de Inspecteur] is uitgenodigd tot een hoorgesprek waar zij de problemen met het doen van aangifte aan had kunnen geven. [Belanghebbende] is niet ingegaan op deze uitnodigingen.

11. De omstandigheid dat de verzuimboete wegens het niet (tijdig) doen van aangifte over het jaar 2016, naar de rechtbank uit de ter zitting door [de Inspecteur] gegeven toelichting begrijpt, uit coulance, is verminderd naar nihil, maakt niet dat de verzuimboete voor het onderhavige jaar eveneens verminderd of vernietigd zou moeten worden.

12. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)"

4.2.

Uit het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank op 18 september 2019:

"(…)

Aanwezig: [Belanghebbende] in persoon, bijgestaan door haar dochter [A] . Als tolk in de Engelse taal is verschenen (…). Tevens was aanwezig (…), griffier bij deze rechtbank. Namens [de Inspecteur] zijn verschenen: (…) en (…).

Alle in dit proces-verbaal opgenomen verklaringen zijn zakelijk weergegeven.

Partijen komen de zaal van de zitting binnen. [Belanghebbende] en haar dochter gaan niet zitten achter de hen toegewezen tafel, maar blijven staan. [Belanghebbende] begint direct te praten in het Engels; het Engels van [belanghebbende] is moeilijk verstaanbaar. [Belanghebbende] en haar dochter worden door de rechter meermalen verzocht, in het Engels en ook in het Nederlands, om te gaan zitten en hun mond te houden. Tevergeefs. Kort daarop komt de tolk binnen. Uiteindelijk gaan [belanghebbende] en haar dochter zitten. [Belanghebbende] blijft maar praten, nu tegen de tolk. De dochter praat rechtstreeks tot de griffier. De rechter sommeert [belanghebbende] en haar dochter, via de tolk, om stil te zijn en naar hem te luisteren. Dit heeft geen effect. De rechter waarschuwt [belanghebbende] en haar dochter vervolgens een aantal keer dat als zij nu niet stil zijn en luisteren, zij uit de zaal zullen worden verwijderd. De rechtbank deelt daarbij mee dat in dat geval het onderzoek zonder hun aanwezigheid zal worden voortgezet. [Belanghebbende] en haar dochter blijven doorpraten. Via de bode wordt de beveiliging ontboden en de rechter gelast dat [belanghebbende] en haar dochter uit de zittingszaal en het gebouw van de rechtbank zullen worden verwijderd. De medewerker van de beveiliging zorgt voor de verwijdering van [belanghebbende] en haar dochter. Daarna verlaat ook de tolk de zaal van de zitting.

De rechtbank zet vervolgens het onderzoek voort zonder dat [belanghebbende] en haar dochter daarbij aanwezig zijn.

(…)"

5. Het Hof neemt aan dat in hoger beroep, net als voor de Rechtbank, in geschil is of de boete terecht is opgelegd. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

6. De beschikbare gegevens, in het licht van de relevante boeteregelgeving, brengen naar 's Hofs oordeel niet anders mee, gelet ook op de in het verweerschrift in eerste aanleg en het verweerschrift in hoger beroep gegeven uiteenzettingen, dan 1) dat de Rechtbank op goede gronden, begrijpelijk en juist, heeft geoordeeld dat de boete terecht is opgelegd en ook passend en geboden is en 2) dat al wat belanghebbende in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd en ingebracht, zo al relevant en te volgen, geenszins een andere conclusie rechtvaardigt. Opmerking verdient dat belanghebbende niets heeft gesteld waaruit een formeel of inhoudelijk beletsel is te putten voor het bevestigen van de uitspraak van de Rechtbank of het handhaven van de uitspraak van de Inspecteur en dat uit niets blijkt dat de Rechtbank of de Inspecteur op enig moment of op enigerlei wijze zich (rechtens) onbehoorlijk jegens belanghebbende heeft gedragen.

7. Het hoger beroep is ongegrond.

8. Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 22 juni 2020, met de nodige coronabeperkingen, in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kan zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Wanneer die personen geen gebruik willen maken van digitaal procederen, sturen zij het beroepschrift in cassatie aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2. Alleen bij procederen op papier: het cassatieberoepschrift moet ondertekend zijn;

3. Het cassatieberoepschrift moet ten minste vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. De indiener zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.