Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1189

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
07-07-2020
Zaaknummer
BK-19/00445
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:5138, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De heffingsambtenaar heeft belanghebbende voor het jaar 2017 een aanslag in het binnenhavengeld van de gemeente Leiden opgelegd naar een tarief van € 11,65 per m2. Op basis van de Verordening op de heffing en invordering van binnenhavengeld 2017 worden schepen die als historisch kwalificeren en als zodanig zijn ingeschreven in een extern register, aangeslagen tegen een verlaagd tarief. Drie van de schepen van belanghebbende zijn in het register ingeschreven. Belanghebbende wenst de overige schepen niet in te schrijven en stelt dat deze schepen op de voor de kwalificatie ”historisch” van belang zijnde punten vergelijkbaar zijn met de ingeschreven schepen en derhalve tevens in aanmerking komen voor het verlaagde tarief. Belanghebbende slaagt in zijn bewijslast. De stelling van de heffingsambtenaar dat de geregistreerde schepen mogelijk ten onrechte zijn ingeschreven in het register is tardief ingebracht en bovendien niet onderbouwd. Het beroep van belanghebbende op schending artikel 8 van de Grondwet en artikel 11, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) behoeft geen behandeling daar dat belanghebbende niet in een gunstigere positie kan brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 08-07-2020
V-N Vandaag 2020/1776
FutD 2020-2088
Belastingblad 2020/344 met annotatie van L.J. Boone
V-N 2020/47.28 met annotatie van Redactie
NTFR 2020/2236
NLF 2020/1685 met annotatie van
NLF 2020/1685 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-19/00445

Uitspraak van 30 juni 2020

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: [A] )

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Leiden, de heffingsambtenaar,

(vertegenwoordigers: [B] en [C] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 20 mei 2019, nummer SGR 18/118.

Procesverloop

1.1. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende voor het jaar 2017 een aanslag in het binnenhavengeld van de gemeente Leiden (de aanslag) opgelegd naar een te betalen bedrag van € 14.108,15.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot een te betalen bedrag van € 13.001,40.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep is een griffierecht geheven van € 338. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot € 10.900,95, de heffingsambtenaar veroordeeld de proceskosten tot een bedrag van € 1.280 aan belanghebbende te voldoen en gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 338 aan haar vergoedt.

1.4. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen. In verband daarmee is een bedrag van € 519 aan griffierecht geheven. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Voorafgaand aan de zittingen heeft het Hof de volgende stukken ontvangen, waarvan de wederpartij kennis heeft genomen:

  • -

    Op 5 december 2019 van de zijde van belanghebbende een nader stuk met zes bijlagen;

  • -

    Op 6 december 2019 van de zijde van belanghebbende een aanvulling op het nader stuk van 4 december 2019 met één bijlage;

  • -

    Op 16 januari 2020 van de zijde van belanghebbende een door [D ] opgesteld deskundigenrapport;

  • -

    Op 28 januari 2020 van de zijde van de heffingsambtenaar een reactie op het deskundigenrapport;

  • -

    Op 31 januari 2020 van de zijde van belanghebbende het verzoek de hoger beroepsprocedure voort te zetten;

  • -

    Op 1 april 2020 van de zijde van de heffingsambtenaar een nader stuk;

  • -

    Op 2 juni 2020 van de zijde van belanghebbende een tweede door [D ] opgesteld deskundigenrapport;

  • -

    Op 4 juni 2020 van de zijde van de heffingsambtenaar een verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling van 16 juni 2020;

  • -

    Op 5 juni 2020 van de zijde van belanghebbende een reactie op het voornoemde verzoek van de heffingsambtenaar met het verzoek aan het Hof het uitstelverzoek niet te honoreren;

  • -

    Op 10 juni 2020 van de zijde van belanghebbende een pleitnota met twee bijlagen;

  • -

    Op 15 juni 2020 van de zijde van de heffingsambtenaar een reactie op het tweede deskundigenrapport.

1.5. De mondelinge behandelingen van de zaak in hoger beroep hebben plaatsgehad ter zitting van 17 december 2019 en 16 juni 2020, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft pleitnota’s overgelegd. Van het verhandelde ter zitting zijn processen-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is eigenaar van een aantal bedrijfsvaartuigen, te weten dekschuiten, beunbakken en sleepboten. Deze bedrijfsvaartuigen verhuurt belanghebbende onder andere aan consumenten, (studenten)verenigingen, stichtingen en bedrijven.

2.2. Ten behoeve van onder 2.1 genoemde bedrijfsvaartuigen beschikt belanghebbende over een aantal ligplaatsen binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Leiden.

2.3. Op basis van de Verordening op de heffing en invordering van binnenhavengeld 2017 (de Verordening) is van belanghebbende binnenhavengelden geheven. In de Verordening staat, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

m. vaste ligplaats: een, door middel van een vergunning, van gemeentewege aangewezen locatie bestemd voor het afmeren van een vaartuig;

(…)

Artikel 2. Belastbaar feit

Onder de naam binnenhavengeld worden rechten geheven ter zake van het gebruik van het havengebied en ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten in verband met dat gebruik.

Artikel 3. Belastingplicht

Belastingplichtig is de eigenaar van het vaartuig, de reder, de schipper, de kapitein, degene aan wie het schip in gebruik is gegeven, of degene die als vertegenwoordiger voor één van dezen optreedt.

Artikel 4. Maatstaf van heffing

Het binnenhavengeld wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.”

4. In de tarieventabel behorende bij de Verordening (de tarieventabel) is voor zover van belang het volgende opgenomen:

“Het binnenhavengeld bedraagt:

(…)

m. voor dekschuiten, beunbakken, duw- en sleepboten, waarvoor door het college van burgemeester en wethouders een vaste ligplaats is toegestaan, per kalenderjaar of gedeelte daarvan per m² oppervlakte € 11,65

(…)

p. voor historische vaartuigen die niet in categorie n of o vallen, waarvoor door het college van burgemeester en wethouders een vaste ligplaats is toegestaan, die aantoonbaar ingeschreven zijn bij het Nationaal Register Varende Monumenten, per kalenderjaar of gedeelte daarvan per m² oppervlakte € 4,28”

2.4. Drie dekschuiten (nummer [1] (SG1), [2] (SG2) en [4] (SG4)) zijn op 20 maart 2018 geregistreerd in het Register Varend Erfgoed Nederland (RVEN) (het register) als historisch vaartuig als bedoeld onder letter ‘p’ van de tarieventabel behorende bij de Verordening op de heffing en invorderging van binnenhavengeld 2017 (de Verordening).

2.5. Vaststaat dat de voornoemde drie schepen van belanghebbende voor het jaar 2017 dienen te worden aangeslagen conform het bij de Verordening horende tarieventabel onder letter ‘p’ opgenomen bedrag van € 4,28 per m2 (het verlaagde tarief).

2.6.1. Alvorens een schip te kunnen laten registeren dient de eigenaar van het schip lid te zijn van een bij de Federatie Varend Erfgoed Nederland (FVEN) aangesloten behoudsorganisatie. Inzake voornoemde registratie staat op de website van de FVEN, voor zover van belang, het volgende vermeld:

2.6.2. Inzake de registers:

“Het Register Varend Erfgoed Nederland (RVEN (http://rven.info/)) is een onafhankelijk register. Dit wil zeggen dat alle schepen, die aan de toelatingscriteria voldoen, in het register kunnen worden ingeschreven.

De eigenaar van het schip moet lid zijn van een bij de FVEN aangesloten behoudsorganisatie om zijn of haar schip in het register te kunnen laten inschrijven.

Zodra een schip is ingeschreven in het register is het Varend Erfgoed.

Schepen, die aan de algemene en specifieke criteria voor het type voldoen en een referentiejaar kennen van 50 jaar of langer geleden, waarvan het uiterlijk en de relatie met het oorspronkelijke gebruik in voldoende mate is behouden, kunnen de toevoeging “Varend Monument®” krijgen.

Een verzoek hiertoe kan zowel door de eigenaar als de behoudsorganisatie worden gedaan.

Daarvoor zijn er algemene criteria en per behoudsorganisatie specifieke criteria toegespitst op het scheepstype van die behoudsorganisatie. Die kunt u vinden op de websites van de behoudsorganisaties. In de toekomst gaat naast het uiterlijk van een schip ook de cultuurhistorische beschrijving een belangrijke rol spelen.”

2.6.3. Inzake de toelatingseisen:

“Voor aanmelding en opname in het Register gelden de volgende toelatingseisen:

 De aanmelding betreft een schip oorspronkelijk ontworpen en gebouwd om mee te varen.

 Het schip is meer dan 50 jaar geleden te water gelaten

 Het heeft ligplaats in Nederland of vaart onder Nederlandse vlag

 Het scheepstype was meer dan vijftig jaar geleden beeldbepalend op de Nederlandse wateren of was typerend binnen de ontwikkeling van de Nederlandse scheepsbouw.

Hierbij wordt het vaartuig op de volgende punten beoordeeld:

 Romp

 Opbouw

 Voortstuwing

 Interieur

Bij elk van deze punten wordt gekeken naar de vorm, het materiaal en de gebruikte techniek.

Omdat de algemene criteria niet alle specifieke eigenschappen van elk scheepstype dekken, zijn er per scheepstype aanvullingen op deze criteria.

Criteria voor opname in het Register Varend Erfgoed Nederland kunt u hier (https://www.fven.nl/wp-content/uploads/2018/08/7.1-algemene-criteria-RVEN-33242.pdf) lezen of downloaden.”

2.6.4. Inzake de procedure:

“De procedure bestaat uit een aantal stappen

1 Aanmelding

Wilt u uw schip aanmelden voor het Register Varend Erfgoed Nederland (RVEN), download HIER (https://www.fven.nl/wp-content/uploads/2019/03/RVEN-aanmelding-formulier2017-0133187.docx) het aanmeldingsformulier.

Wilt u een her-aanmelding doen van een schip dat al bekend is in het register, download HIER (https://www.fven.nl/wp-content/uploads/2018/08/RVEN-HER-aanmelding-formulier2017-0133188.docx) het her-aanmeldings-formulier.

Vul in dit formulier de gegevens van het vaartuig in en stuur het per e-mail aan de schouwcommissie van de behoudsorganisatie waarbij u bent aangesloten.

Na ontvangst van het (her-)aanmeldingsformulier, de vier gevraagde foto’s en een scan van de betaling van de kosten wordt de aanmelding in behandeling genomen.

Met het versturen van de aanmelding gaat de eigenaar akkoord met de reglementen, procedures en criteria van het RVEN.

2 Verlenging bewijs van inschrijving

Inschrijving in het RVEN heeft een geldigheidsduur van vijf jaar en kan door de eigenaar steeds met vijf jaar worden verlengd. Download HIER (https://www.fven.nl/rven-verlenging-formulier-2017-0133189/)het verlengingsformulier.

Na ontvangst van het verlengingsformulier, de vier gevraagde foto’s en een scan van de betaling van de kosten wordt de verlenging in behandeling genomen.

Algemeen

Zend de gedownloade formulieren altijd als WORD-document aan uw Behoudsorganisatie.
Vermeld in de benaming van de digitale foto’s de datum van de opname.

Met het versturen van de aanmelding gaat de eigenaar akkoord met de reglementen, procedures en criteria van het RVEN.”

2.6.5.

Inzake de Register Commissie:

“Register Commissie

De Register Commissie van de FVEN beheert en bevordert het gebruik van een landelijke registratie van varend erfgoed – waaronder Varende Monumenten® -, om vanuit een nationale optiek een bijdrage te leveren aan het behoud van de cultuur-historische waarde van varend Erfgoed Nederland.

De Register Commissie bestaat uit deskundigen van de verschillende scheepstypen die Nederland rijk is.

Elk bij de FVEN aangesloten behoudsorganisatie heeft het recht een deskundige aan te wijzen voor hun eigen scheepstype, daarnaast heeft de Register Commissie de mogelijkheid om ook andere deskundigen als lid te benoemen.

Naast de verschillende scheepsdeskundigen heeft de Register Commissie ook adviseurs op het gebied van varend en cultureel erfgoed, een vertegenwoordiger vanuit de FVEN en vanuit de Mobiele Collectie Nederland.

De Register Commissie ontwikkelt en onderhoudt de algemene criteria waarmee Varend Erfgoed kan worden gedefinieerd.”

2.7.1.

Ter zitting van 17 december 2019 zijn partijen bij wijze van compromis overeengekomen dat, nu drie schepen van belanghebbende reeds op basis van de daarvoor geldende criteria als historisch kwalificeren en zijn opgenomen in het register, belanghebbende een deskundigenrapport van de overige schepen zal laten opstellen door [D ] , een maritiem expertise bureau, ten einde te onderbouwen dat deze schepen - wat de criteria voor de kwalificatie historisch betreft - gelijkwaardig zijn aan de voornoemde drie schepen. De heffingsambtenaar zal het rapport extern laten toetsen door een expert. Indien deze expert op basis van het deskundigenrapport ook tot de conclusie komt dat deze overige schepen, wat de voornoemde criteria betreft, gelijkwaardig zijn aan de drie reeds als historisch gekwalificeerde schepen, zullen deze overige schepen voor het in geschil zijnde jaar - alsmede volgende jaren - in aanmerking komen voor het lage tarief en zal het hoger beroep worden ingetrokken.

2.7.2.

Belanghebbende heeft op 16 januari 2020 het deskundigenrapport ingediend waarin de deskundige tot het oordeel komt dat de overige schepen volledig vergelijkbaar zijn met de drie in het register opgenomen schepen en derhalve kwalificeren als historisch in de zin van de Verordening. De heffingsambtenaar heeft op 28 januari 2020 teruggekoppeld het rapport niet voor te leggen aan een expert nu uit het rapport niet valt op te maken op welke gronden de schepen zijn beoordeeld, zo heeft de deskundige bijvoorbeeld de schepen niet zelf bezichtigd. Naar aanleiding van de reactie van de heffingsambtenaar is verzocht de procedure voor het Hof voort te zetten.

2.7.3.

Op 2 juni 2020 heeft belanghebbende een tweede deskundigenrapport ingediend. In dit rapport zijn door de deskundige de kritiekpunten van de heffingsambtenaar, zoals gemeld in zijn reactie van 28 januari 2020, meegenomen, zo heeft de deskundige de schepen ditmaal wel bezocht. De deskundige komt tot het volgende oordeel:

“SLOTCONCLUSIE:

Naar aanleiding van de rondgang langs alle objecten SG 1 t/m SG 16, komt ondergetekende tot de conclusie dat, behoudens de ponton SG 8, er geen tot nagenoeg geen onderlinge verschillen in uitvoering zijn tussen de objecten. Het zijn allen authentieke vaartuigen met nagenoeg eenzelfde rompvorm, bouwwijze en constructie-aard. Alle objecten zijn van het type dekschuit, al dan niet in een later stadium verbouwd, aangepast en/of gerepareerd, zijn alle geklonken en van een bouwjaar van vóór 1960.

De SG 8 (ponton) is weliswaar niet te categoriseren als dekschuit maar kan, gezien de bouwwijze (geklonken), ons inziens wel als historisch vaartuig worden aangemerkt.

Betreft: 16 drijvende objecten van [X]

Gezien het feit dat de objecten SG 1, SG 2 en SG 4 al zijn geregistreerd EN geaccepteerd door

de Gemeente Leiden, kan ondergetekende geen enkele reden bedenken waarom de andere

objecten niet zouden kunnen worden geregistreerd EN worden geaccepteerd door de Gemeente Leiden.

Kortom:

Op basis van onze bevindingen zijn wij van oordeel dat de objecten allen voldoen aan de navolgende criteria:

• Het betreft een vaartuig oorspronkelijk ontworpen en gebouwd om mee te varen;

• Het vaartuig is meer dan 50 jaar geleden te water gelaten;

• Het vaartuig heeft ligplaats in Nederland;

• Het scheepstype was meer dan vijftig jaar geleden beeldbepalend op de Nederlandse

wateren of was typerend binnen de ontwikkeling van de Nederlandse scheepsbouw.

Voorts is ondergetekende van mening dat het uiterlijk van de vaartuigen (op de SG 8 na) en de relatie met het oorspronkelijke gebruik van de vaartuigen in voldoende mate is behouden.

Hierbij is gekeken naar de volgende elementen per object:

• Romp;

• Opbouw;

• Voorstuwing;

• Interieur.

Ondergetekende is opgevallen dat in de stukken ergens wordt gerefereerd aan foto's van de

onderwaterschepen, hetgeen overigens in een e-mail van 06 maart 2019 van [E]

aan [F] , met cc aan [G] weer wordt tegengesproken. Hierin

staan namelijk vermeld dat sowieso de foto niet recent hoeft te zijn, maar als er überhaupt geen foto van is dat dat dan als extra informatie vermeld kan worden.

Ondertekende merkt op dat een foto van het onderwaterschip naar mening van ondergetekende absoluut niets toevoegt aan de beoordeling of het een authentiek geklonken vaartuig betreft.”

2.7.4.

De heffingsambtenaar heeft het deskundigenrapport voorgelegd aan de heer [H]

, voorzitter van de [I] en hem verzocht om een review. In zijn reactie, door het Hof ontvangen op 15 juni 2020, concludeert de heer [H] dat op basis van de in de deskundigenrapporten opgenomen informatie niet kan worden geoordeeld dat de schepen individueel voldoen aan de vereisten voor de kwalificatie historisch. In de review wordt niet inhoudelijk ingegaan op de vraag of de schepen vergelijkbaar zijn met de drie reeds in het register opgenomen schepen.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, het volgende overwogen:

“(…)

9. [ Belanghebbende] heeft haar grieven ter zitting beperkt in die zin dat zij thans in het bijzonder stelt dat de zinssnede in de tarieventabel ‘aantoonbaar ingeschreven zijn bij het Nationaal Register Varende Monumenten (NRVM)’ haar verplicht om lid te worden van een behoudsorganisatie. Het verplichte lidmaatschap van een vereniging acht [belanghebbende] in strijd met artikel 8 van de Grondwet en artikel 11 EVRM.

10. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.

In artikel 8 van de Grondwet wordt het recht op vereniging erkend.

De rechtbank overweegt dat het recht op vrijheid van vereniging, zoals opgenomen in artikel 11 van het EVRM, mede het recht om zich niet te hoeven verenigen omvat.

11. De rechtbank stelt voorop dat het vaststellen van de tarieven voor door de gemeente geheven rechten op basis van artikel 229 van de Gemeentewet een autonome bevoegdheid is, die [de Heffingsambtenaar] toekomt. Dit heeft naar het oordeel van de rechtbank ook te gelden voor het stellen van voorwaarden om voor een bepaald tarief in aanmerking te komen, met dien verstande dat de heffing niet mag leiden tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing die de wetgever bij het geven van de bevoegdheid tot het instellen van de desbetreffende heffing niet voor ogen kan hebben gehad.

12. Uit de tekst van de tarieventabel volgt dat het lage tarief bij wijze van uitzondering van toepassing is op vaartuigen die ingeschreven staan in het Register. Het NRVM is geen vereniging, maar een register waarin historische vaartuigen zijn opgenomen. [Belanghebbende] dient om in aanmerking te komen voor het lage tarief aan te tonen dat haar vaartuig(en) ingeschreven staan in dit Register. Van een (door [de Heffingsambtenaar]) verplicht gesteld lidmaatschap van een vereniging is in die zin dan ook geen sprake. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet gezegd kan worden dat [belanghebbende] door [de Heffingsambtenaar] wordt gedwongen om lid te worden van een vereniging en in die zin in haar recht tot vrijheid van vereniging wordt beperkt. Van strijd met artikel 11, eerste lid, van het EVRM dan wel artikel 8 van de Grondwet is in zoverre dan ook geen sprake.

13. Dat [belanghebbende] haar vaartuigen, alvorens zij kunnen worden ingeschreven in het Register, ter keuring dient aan te melden bij een behoudsorganisatie, is een voorwaarde die kennelijk door de beheerder van het register wordt gesteld. Het is niet [de Heffingsambtenaar] die [belanghebbende] in zoverre verplicht om lid te worden van een behoudsorganisatie.

De grief van [belanghebbende] dat er geen gestroomlijnde en gewaarborgde procedure is voor de afhandeling voor registratie in het Register slaagt niet.

[Belanghebbende] wenst in aanmerking te komen voor het lagere tarief voor historische vaartuigen zoals opgenomen in de tarieventabel. Dat daarvoor een procedure moet worden doorlopen teneinde vast te stellen of een vaartuig als historisch kan worden aangemerkt acht de rechtbank alleszins redelijk en niet in strijd met het verbod van willekeur. [De Heffingsambtenaar] kan zulks immers bij gebrek aan de daartoe noodzakelijke expertise moeilijk zelf ter hand nemen. Daarbij komt dat vast staat dat inmiddels drie vaartuigen van [belanghebbende] zijn opgenomen in het register. Dus enig beletsel om ingeschreven te geraken is er in feite niet.

14. Het in de tarieventabel opgenomen bedrag aan binnenhavengeld bedraagt voor dekschuiten, beunbakken, duw- en sleepboten, waarvoor door het college van burgemeester en wethouders een vaste ligplaats is toegestaan, per kalenderjaar of gedeelte daarvan per m² oppervlakte € 11,65.

Voor historische vaartuigen waarvoor door het college van burgemeester en wethouders een vaste ligplaats is toegestaan en die aantoonbaar ingeschreven zijn bij het Register, bedraagt het binnenhavengeld per kalenderjaar of gedeelte daarvan per m² oppervlakte € 4,28. De in de aanslag opgenomen dekschuiten nrs. [1] (SG1), [2] (SG2) en [4] (SG4), zijn inmiddels geregistreerd in het Register en vallen daarom onder het in de tarieventabel onder p. genoemde tarief van € 4,28 per m² oppervlakte. De aanslag is in die zin te hoog vastgesteld. De rechtbank zal de aanslag daarom verminderen met 3 keer 95 m² x € 7,37 (€ 11,65 -/- € 4,28) = € 2.100,45. Het totaal van de (herziene) aanslag binnenhavengeld 2017 komt daardoor uit op € 10.900,95.

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard en zal de aanslag worden verminderd overeenkomstig hetgeen hierboven is weergegeven.

(…)”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In geschil is of de aanslag terecht en naar een juist bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de schepen die niet in het register zijn ingeschreven als historisch kwalificeren en op basis daarvan in het onderhavige jaar voor het verlaagde tarief dienen te worden aangeslagen. Voorts is in geschil of de verplichting om lid te zijn van een bij de FVEN aangesloten behoudsorganisatie alvorens een eigenaar van het schip deze in het register kan laten opnemen, in strijd is met hetgeen is opgenomen in artikel 8 van de Grondwet en artikel 11, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag, inhoudende dat de aanslag voor het totaal aan daarin opgenomen m2 wordt verlaagd tot een bedrag van € 4,28 per m2.

4.3.

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.1.

Nu partijen niet onderling tot een oplossing van het geschil zijn gekomen, zal het Hof het geschil beslechten. Daarbij dient te worden opgemerkt dat het Hof in het onderhavige geval enkel bevoegd is uitspraak te doen over het jaar 2017, nu de procedure alleen de aanslag 2017 betreft.

5.1.2.

Drie schepen van belanghebbende zijn per 20 maart 2018 ingeschreven in het register en kwalificeren derhalve voor het verlaagde tarief. Niet in geschil is dat belanghebbende voor deze schepen (met een totaal van 285 m2) voor het jaar 2017 op basis van het voornoemde tarief dient te worden aangeslagen, conform hetgeen de Rechtbank heeft geoordeeld.

5.2.1.

De heffingsambtenaar heeft ter zitting van 17 december 2019 het volgende aangegeven:

“ Ik zie geen obstakel om lid te worden van een behoudsorganisatie. Mocht dit om wat voor reden dan ook problematisch zijn voor een belastingplichtige, dan zijn wij als gemeente bereid naar andere mogelijkheden te kijken. Zolang er maar een onderbouwd rapport - getoetst door een door de gemeente aangewezen externe partij - voorhanden is waaruit blijkt dat aan de criteria voor de kwalificatie historisch wordt voldaan. Voor de gemeente is het van belang te weten om welk schip het gaat, of dit schip meer dan 50 jaar geleden te water is gelaten, of alles er netjes uitziet en dergelijke.”

en

“Desgevraagd merk ik op dat een deskundigenrapport - na beoordeling door een door de gemeente aangewezen externe partij - voldoende kan zijn voor de kwalificatie historisch op basis waarvan het lage tarief van toepassing is.”

Aangezien de heffingsambtenaar niet is teruggekomen van de toezegging dat inschrijving in het register in beginsel niet vereist is om in aanmerking te komen voor het verlaagde tarief en dat een door belanghebbende ingebracht – en een door de gemeente aangewezen externe partij getoetst – onderbouwd rapport tevens voldoet, zal het Hof bij haar beoordeling tot uitgangspunt nemen dat het belanghebbende vrij staat om middels een zodanig rapport aannemelijk te maken ook voor de overige schepen voor het verlaagde tarief in aanmerking te komen, met dien verstande dat de door de gemeente aangewezen externe partij de conclusies van het rapport onderschrijft. En afwijzing van de conclusies van het rapport door deze externe partij dient inhoudelijk en toetsbaar te worden onderbouwd.

5.2.2.

Belanghebbende stelt door middel van het overleggen van de deskundigenrapporten aan zijn bewijslast te hebben voldaan. Blijkens de rapporten zijn de overige schepen, met betrekking tot de relevante punten om te kwalificeren als historisch, vergelijkbaar met de drie reeds in het register opgenomen schepen, daarbij verwijst hij naar de onder 2.7.3. opgenomen conclusie. Voorts stelt belanghebbende dat de heffingsambtenaar de conclusies van het rapport onvoldoende gemotiveerd heeft weerlegd nu de door de heffingsambtenaar aangestelde deskundige de overige schepen niet heeft vergeleken met de reeds geregistreerde schepen, maar per schip apart heeft getracht te beoordelen of aan de vereisten voor de kwalificatie historisch is voldaan. Nu drie schepen van belanghebbende reeds kwalificeren en zijn opgenomen in het register, en de overige schepen op basis van het rapport op de relevante onderdelen volgens de reeds aangehaalde conclusie gelijkwaardig zijn aan de geregistreerde schepen, dienen de overige schepen in het onderhavige jaar conform de geregistreerde schepen te worden aangeslagen naar het verlaagde tarief.

5.2.3.

De heffingsambtenaar weerspreekt dat belanghebbende middels het deskundigenrapport aannemelijk heeft gemaakt dat de overige schepen in aanmerking komen voor het verlaagde tarief en stelt dat hem recent ter ore is gekomen dat de drie in het register opgenomen schepen mogelijkerwijs onterecht in het register staan opgenomen en derhalve niet als vergelijkingsschepen kunnen dienen nu deze schepen wellicht niet kwalificeren als historisch. Belanghebbende dient derhalve per schip aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden passende bij de kwalificatie historisch wordt voldaan, zodat een vergelijking met de drie geregistreerde schepen onvoldoende is. Hier wordt middels hetgeen opgenomen in de deskundigenrapporten niet aan voldaan. Ter motivering van zijn stelling dat de drie schepen mogelijk ten onrechte zijn opgenomen in het register draagt de heffingsambtenaar aan dat de inschrijvingsprocedure van de drie geregistreerde schepen onjuist is verlopen en dat de schepen op basis van onvolledige informatie in het register zijn opgenomen. De heffingsambtenaar stelt dat het hoger beroep derhalve ongegrond dient te worden verklaard, dan wel dat het Hof een deskundige dient aan te wijzen die per schip beoordeelt of aan de voor de kwalificatie historisch vereiste kenmerken wordt voldaan.

5.3.

De heffingsambtenaar heeft de voornoemde stelling inzake de mogelijk ten onrechte geregistreerde schepen pas ter zitting van 16 juni 2020 ingenomen en daarmee belanghebbende de mogelijkheid ontnomen zich voor de zitting te vergewissen van de stelling en hierop te kunnen reageren. Belanghebbende is hiermee geschaad in zijn procespositie. Een verdere verdaging van de mondelinge behandeling acht het Hof, gezien het feit dat de schepen al meer dan twee jaar in het register zijn opgenomen en de procedure tegen de aanslag inmiddels meer dan twee jaar loopt, in strijd met de goede procesorde. Het Hof zal dan ook geen acht slaan op deze stelling van de heffingsambtenaar. Daar komt voorts bij dat de heffingsambtenaar de stelling geenszins heeft onderbouwd. De heffingsambtenaar heeft niet inzichtelijk gemaakt wat schortte aan de inschrijvingsprocedure, zo blijkt niet welke informatie ontbrak, of op welke punten de drie schepen mogelijk niet voldoen voor de kwalificatie historisch. Het Hof gaat dan ook uit van het feit dat de drie schepen terecht in het register zijn opgenomen en derhalve voldoen aan de vereisten om als historisch te kwalificeren in de zin van de Verordening.

5.4.

Nu de heffingsambtenaar wat de vergelijking van de overige schepen met de drie reeds geregistreerde schepen betreft verder geen feiten en omstandigheden heeft gesteld ter weerlegging van de conclusie opgenomen in het op 2 juni 2020 ingediende deskundigenrapport - waarin de eerdere kritiekpunten van de heffingsambtenaar zijn meegenomen - , komt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende aan zijn bewijslast heeft voldaan. Middels de rapporten heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat de overige schepen op voor de kwalificatie historisch relevante punten vergelijkbaar zijn met de drie reeds geregistreerde schepen, zodat voor het jaar 2017 ook voor de overige schepen het verlaagde tarief dient te gelden.

5.5.

Aangezien belanghebbende ter zitting van 16 juli 2020 expliciet heeft gesteld dat, indien hij in het gelijk wordt gesteld, dit tot gevolg dient te hebben dat de aanslag wordt verminderd, inhoudende dat belanghebbende voor het totaal in de aanslag opgenomen aantal m2 dient te worden aangeslagen conform het verlaagde tarief van € 4,28 per m2, en het Hof reeds tot het oordeel is gekomen dat de aanslag inderdaad dienovereenkomstig dient te worden verminderd, behoeft de stelling van belanghebbende inzake schending van artikel 8 van de Grondwet en artikel 11, eerste lid, van het EVRM geen behandeling gezien het feit dat de beoordeling van deze punten belanghebbende - wat het in geschil zijnde jaar betreft - niet in een gunstigere positie kan brengen. Daar komt voorts bij dat blijkens de toezegging van de heffingsambtenaar op de zitting van 17 december 2019 een lidmaatschap van een behoudsorganisatie, dan wel het opnemen van een schip in het register, niet is vereist om voor het verlaagde tarief in aanmerking te komen nu het een belastingplichtige vrij staat met een deskundigenrapport aannemelijk te maken dat sprake is van een historisch schip, met in achtneming van de voorwaarden die gelden voor een zodanige kwalificatie.

5.6.

Tot slot heeft belanghebbende verzocht de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten van het opstellen van de deskundigenrapport. Echter, het is belanghebbende die niet via de weg van het registeren van de schepen in het register, maar via het anderszins aannemelijk maken dat de schepen als historisch kwalificeren, in aanmerking wenst te komen voor het verlaagde tarief. Het is daarbij aan belanghebbende om feiten en omstandigheden te stellen ter onderbouwing van zijn stelling. De hieruit voortvloeiende kosten dienen in beginsel dan ook voor zijn rekening te blijven. Er zijn in het onderhavige geval geen bijzondere feiten en omstandigheden gesteld die aanleiding vormen om van dit uitgangspunt af te wijken. De heffingsambtenaar zal dan ook niet worden veroordeeld in de kosten van de deskundigenrapporten.

Slotsom

5.7.

Het hoger beroep is gegrond. De aanslag dient derhalve als volgt te worden verminderd. Belanghebbende is voor een totaal van 1.211m2 aan binnenhavengelden aangeslagen met een heffing per m2 van € 11,65, zijnde een totale heffing van € 14.108. De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar het aantal m2 van de aanslag verminderd met 95m2, zijnde een vermindering van de aanslag met € 1.106 (= 95m2 maal € 11,65), resulterende in een geheven bedrag aan binnenhavengelden van € 13.001. Nu belanghebbende in het gelijk wordt gesteld, dient belanghebbende voor het resterend aantal van 1.116m2, in de heffing te worden betrokken naar het verlaagde tarief van € 4,28 per m2, resulterende in een heffing aan binnenhavengelden over het jaar 2017 van € 4.776.

Proceskosten en griffierecht

6.1.

Het Hof acht termen aanwezig de heffingsambtenaar te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. Deze kosten worden, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vastgesteld op € 2.625 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van de Rechtbank en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting van de Rechtbank; 1 punt voor het indienen van een hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van het Hof en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting van het Hof, met een bedrag per punt van € 525 en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1).

6.2.

Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in eerste aanleg gestorte griffierecht van € 338 alsmede het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 519 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar, behoudens de beslissing inzake de proceskostenvergoeding;

- vermindert de aanslag binnenhavengeld tot een bedrag van € 4.776;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.625;

- gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende een bedrag van € 857 aan griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door W.M.G. Visser, P.J.J. Vonk en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier J. de Vormer. De beslissing is op 30 juni 2020 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl .

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.