Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1134

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
2200125619
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging diefstal in een zorgcentrum gelet op het ontbreken van een aannemelijke verklaring van de verdachte.

Verdachte is gebukt in de open linnenkast in de slaapkamer van het slachtoffer aangetroffen, terwijl het slachtoffer op dat moment deelnam aan de ‘’Open Tafel’’.

De verdachte heeft met het bewezenverklaarde misbruik gemaakt van het vertrouwen dat noodzakelijkerwijs wordt gegund aan ieder die werkzaam is in woonvoorzieningen voor ouderenzorg.

Taakstraf van 100 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001256-19

Parketnummer: 10-018607-19

Datum uitspraak: 17 juni 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van

19 maart 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op

3 juni 2020.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 11 juli 2018 te Alblasserdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer], weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder haar bereik te brengen door middel van een valse sleutel, middels een valse sleutel, te weten een moedersleutel wederrechtelijk de woning van die [slachtoffer] is binnengegaan en aldaar in een kast heeft gekeken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, met aftrek van voorarrest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 11 juli 2018 te Alblasserdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer], weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen wederrechtelijk de woning van die [slachtoffer] is binnengegaan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

Zij heeft hiertoe naar voren gebracht dat er geen sprake was van een begin van uitvoering van diefstal en dat het oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening van goederen uit de woning ontbrak.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de in de tenlastelegging bedoelde woning een zogeheten aanleunwoning is, gelegen bij het zorgcentrum [zorgcentrum]. Een van de diensten van dit zorgcentrum is de “Open Tafel”, een restaurantvoorziening, waarvan mevrouw [slachtoffer], de bewoonster van de in de tenlastelegging bedoelde woning, regelmatig gebruik maakte. Verdachte was -in dienst van een zorgverleningsinstelling- voor bepaalde bewoners op het complex van het zorgcentrum werkzaam als huishoudelijke hulp, maar niet voor [slachtoffer].

Voorts volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat verdachte op 11 juli 2018 door de dochter van [slachtoffer] werd aangetroffen “gebukt in de open linnenkast” in de slaapkamer van de desbetreffende woning, terwijl [slachtoffer] op dat moment deelnam aan de Open Tafel.

In aanmerking genomen dat de verdachte, zonder dat haar door de rechthebbende tot die woning toegang was verleend, zich daar toen onder deze omstandigheden bevond, is het hof van oordeel dat daarmee sprake is van een situatie die dringend om een aannemelijke verklaring van de verdachte vraagt.

Het hof is van oordeel dat zodanige verklaring ontbreekt. De verklaring dat de verdachte bezig was om op verzoek van een medewerker aan de Open Tafel [slachtoffer] voor de maaltijd op te halen is naar het oordeel van het hof onaannemelijk. [slachtoffer] was immers reeds door haar dochter naar de Open Tafel begeleid. Dat de verdachte als gevolg van een misverstand daarover toch is verzocht [slachtoffer] op te halen acht het hof onaannemelijk, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verdachte niet behoorde tot de in het zorgcentrum werkzame personen aan wie een dergelijke taak placht te worden opgedragen. Dat een dergelijk verzoek desondanks toch tot verdachte is gericht is niet aannemelijk omdat de verklaring van verdachte daarover op geen enkele wijze toelaat te verifiëren van welke persoon zo’n verzoek dan zou zijn uitgegaan.

Los daarvan is niet in te zien dat verdachte niet bij eerste oogopslag had kunnen begrijpen dat zij [slachtoffer] vergeefs in de slaapkamer zocht. Het is dan ook niet aannemelijk dat de verdachte door de dochter van [slachtoffer] “in de linnenkast” werd aangetroffen om dat zij papieren aan het oprapen was die zij enkel bij het zoeken naar [slachtoffer] per ongeluk had laten vallen.

Het hof heeft daarom uit de gebezigde bewijsmiddelen de overtuiging dat het betreden van de slaapkamer van [slachtoffer] door de verdachte een begin is van uitvoering van een diefstal.

Het hof gaat dan ook aan deze verklaring van de verdachte voorbij en verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal uit een woning. De woning is een plek waar de rechthebbende zich, ook wat betreft have en goed, bij uitstek veilig moet kunnen voelen. De verdachte heeft door haar handelen blijk gegeven van gebrek aan respect voor de persoonlijke eigendommen en de persoonlijke levenssfeer van anderen.

Het hof is uit oogpunt van zowel speciale als generale preventie -anders dan de advocaat-generaal- van oordeel dat met enkel een onvoorwaardelijke taakstraf niet kan worden volstaan.

De verdachte heeft met het bewezenverklaarde immers misbruik gemaakt van het vertrouwen dat noodzakelijkerwijs wordt gegund aan ieder die werkzaam is in woonvoorzieningen voor ouderenzorg. In dergelijke voorzieningen zijn doorgaans weinig weerbare en kwetsbare ouderen in sterke mate afhankelijk van de zorg en het besef van mijn en dijn van binnen de organisatie werkzamen.

Om die reden zal het hof tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 mei 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder wegens misdrijf is veroordeeld.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf een passende en geboden reactie vormen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor overwogen heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. L.A. Pit, mr. R.M. Bouritius en mr. A.M. Hol, in bijzijn van de griffier mr. R. van Eekeres.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 juni 2020.

Mr. A.M. Hol is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.