Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1108

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-06-2020
Datum publicatie
28-01-2021
Zaaknummer
2200279419
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens poging tot doodslag (uiterlijke verschijningsvorm). Straf gelijk aan voorarrest, agressieregulatie, transgender in detentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002794-19

Parketnummer: 10-700426-17

Datum uitspraak: 29 juni 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 juni 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

[adres][.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 15 juni 2020.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Tevens is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

zij/hij op of omstreeks 10 september 2017 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk een persoon genaamd [aangeefster 1] van het leven te beroven,

althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet (met kracht)

- die [aangeefster 1] van een fiets (waar die [aangeefster 1] achterop zat) heeft getrokken en/of (vervolgens) aan de haren (over straat) heeft gesleurd / getrokken en/of

- die [aangeefster 1] meermalen, althans éénmaal (met kracht) in en/of op en/of tegen het gezicht heeft gestompt en/of geslagen en/of

- die [aangeefster 1] meermalen, althans éénmaal (met geschoeide voet(en)) (met kracht) op en/of tegen de buik althans het lichaam heeft getrapt en/of geschopt en/of

- die [aangeefster 1] meermalen, althans éénnmaal, (terwijl zij op de grond lag), (met geschoeide voet(en)) (met kracht) op en/of tegen het hoofd en/of het gezicht en/of de nek heeft getrapt en/of geschopt en/of

- ( daarbij) met één of beide voeten op en/of tegen het hoofd van die [aangeefster 1] is gesprongen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

zij/hij op of omstreeks 11 maart 2017 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

opzettelijk en wederrechtelijk een spiegel en/of (een) geluidsbox(en) en/of een muur en/of muurbekleding in de woonkamer van een woning ([adres]), in elk geval enig(e) goed(eren),

geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 130 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van - kort gezegd - reclasseringstoezicht en verplichte agressieregulatie bij GGZ De Waag als bijzondere voorwaarden, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Verweer en bewijsoverweging feit 1

Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte vrijspraak bepleit van het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde, nu het opzet van de verdachte niet was gericht op de dood van het slachtoffer.

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.

Op grond van de aangifte in samenhang met de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] (zoals opgenomen in de bewijsmiddelen) stelt het hof vast dat de verdachte aangeefster [aangeefster 1] een aantal keer hard tegen het hoofd heeft geschopt. De verdachte heeft de aangeefster met beide voeten, met kracht, tegen het hoofd geschopt terwijl de aangeefster op de grond lag. Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] blijkt dat de verdachte daarbij ook een aanloop heeft genomen, in de lucht is gesprongen en met zijn voeten op het hoofd van de aangeefster terechtkwam.

Het hof bezigt de genoemde verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] voor het bewijs. Dit zijn verklaringen van onafhankelijke getuigen.

Naar het oordeel van het hof, dat zich daarbij aansluit bij de jurisprudentie met betrekking tot voorwaardelijk opzet, levert het met kracht met geschoeide voet schoppen tegen en springen op een zo kwetsbaar lichaamsdeel als het hoofd reeds in zijn algemeenheid een aanmerkelijke kans op de dood van de getroffene op. In dit specifieke geval zijn er geen contra-indicaties, integendeel. Uit de manier waarop de verdachte tegen het hoofd van de aangeefster heeft getrapt, kan de conclusie worden getrokken dat met het trappen dermate krachtig botsend geweld op het hoofd van de aangeefster is uitgeoefend, dat er een aanmerkelijke kans was dat de aangeefster dodelijk letsel op zou lopen. Die aanmerkelijke kans heeft de verdachte willens en wetens aanvaard nu uit de uiterlijke verschijningsvorm – het met een sprong trappen op het hoofd van de aangeefster terwijl deze op de grond ligt – blijkt dat dit een geëigende manier is om iemand dood te trappen.

Het hof is dan ook – anders dan de raadsman – van oordeel dat dit handelen van de verdachte dient te worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag. Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij/hij op of omstreeks 10 september 2017 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk een persoon genaamd [aangeefster 1] van het leven te beroven,

althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet (met kracht)

- die [aangeefster 1] van een fiets (waar die [aangeefster 1] achterop zat) heeft getrokken en/of (vervolgens) aan de haren (over straat) heeft gesleurd / getrokken en/of

- die [aangeefster 1] meermalen, althans éénmaal (met kracht) in en/of op en/of tegen het gezicht heeft gestompt en/of geslagen en/of

- die [aangeefster 1] meermalen, althans éénmaal (met geschoeide voet(en)) (met kracht) op en/of tegen de buik althans het lichaam heeft getrapt en/of geschopt en/of

- die [aangeefster 1] meermalen, althans éénnmaal, (terwijl zij op de grond lag), (met geschoeide voet(en)) (met kracht) op en/of tegen het hoofd en/of het gezicht en/of de nek heeft getrapt en/of geschopt en/of

- ( daarbij) met één of beide voeten op en/of tegen het hoofd van die [aangeefster 1] is gesprongen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

zij/hij op of omstreeks 11 maart 2017 te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,

opzettelijk en wederrechtelijk een spiegel en/of (een) geluidsbox(en) en/of een muur en/of muurbekleding in de woonkamer van een woning ([adres]), in elk geval enig(e) goed(eren),

geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en / of beschadigd en / of onbruikbaar gemaakt.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 impliciet primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen of beschadigen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Feiten

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op [aangeefster 1]. De verdachte heeft zich zo agressief gedragen dat de aangeefster hierdoor het leven had kunnen verliezen. Hij heeft haar bovendien pijn gedaan en letsel veroorzaakt. Hoewel de aangeefster in enige mate debet is geweest aan de woede die bij de verdachte is ontstaan – zij heeft hem samen met een ander geprovoceerd – rechtvaardigt dat geenszins de geweldsexplosie die uiteindelijk heeft plaatsgevonden. Algemene ervaringsregels leren dat slachtoffers van een dergelijk feit nog een lange tijd de psychische gevolgen daarvan ondervinden. Ook buren werden ongewild met het agressieve gedrag van de verdachte geconfronteerd en moesten daardoor als getuige zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris een verklaring afleggen. Omdat dit soort geweld in het openbaar plaats vindt, wakkert dat in het algemeen gevoelens van angst en onveiligheid aan bij mensen die hiervan vernemen.

De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het stuk maken van een aantal goederen in de woning van zijn ex-vriendin. Dat was voor haar een vervelende ervaring.

Justitiële documentatie

Het hof neemt in aanmerking dat de verdachte blijkens een uittreksel uit de Justitiële documentatie d.d. 4 juni 2020 eerder agressieproblemen had.

Rapportage

Het hof heeft verder acht geslagen op het Pro Justitia rapport d.d. 18 december 2017 van de gz-psycholoog drs. B.Y. van Toorn. Het hof neemt de conclusies van de deskundige over voor zover de conclusie is getrokken dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Hij heeft persoonlijkheidskenmerken van een borderliner, er is sprake van lage intellectuele vaardigheden en mogelijk ook van problematisch alcoholgebruik. Dit was ook zo ten tijde van het tenlastegelegde. De gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde. Het is volgens de psycholoog aannemelijk dat de verdachte daarbij in verminderde mate in staat is geweest om de gevolgen van zijn gedrag en de risico’s daarvan in te schatten. Aannemelijk wordt geacht dat de woede als gevolg van emotieregulatieproblemen zeer hoog is opgelopen en dat de verdachte verder ontremd is geraakt door overmatig alcoholgebruik.

Met de psycholoog is het hof dan ook van oordeel dat het onder 1 bewezenverklaarde de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

De psycholoog adviseert verder om de verdachte onder begeleiding van de reclassering te stellen teneinde te streven naar abstinentie van alcohol. Daarnaast is een agressieregulatietraining aan te bevelen.

Conclusie

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat in beginsel een langere onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf het uitgangspunt dient te zijn, dan de straf die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het heeft voor het hof echter zwaar gewogen dat het voor de verdachte – hij is transgender – psychisch zwaar geweest is om te verblijven in een vrouweninrichting. Het opnieuw gedetineerd raken onder soortgelijke omstandigheden zou teveel afbreuk kunnen doen aan de huidige stabiliteit van de verdachte. Het hof heeft in het voordeel van de verdachte meegewogen dat hij bereid is om aan het slachtoffer een schadevergoeding te betalen en dat hij open staat voor begeleiding vanwege nog steeds ervaren (agressie)problematiek. Gelet op deze houding en op de conclusies van de psycholoog zal aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd die gelijk is aan het voorarrest. Daarnaast zal een voorwaardelijk deel worden opgelegd waaraan bijzondere voorwaarden worden verbonden in de vorm van verplicht contact met de reclassering en het volgen van een agressieregulatietraining bij GGZ De Waag, of een soortgelijke instelling.

Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer J.J. [aangeefster 1]

In het onderhavige strafproces heeft J.J. [aangeefster 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 3.067,86. In eerste aanleg is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaard (omdat de bewindvoerder van de verdachte niet was opgeroepen), maar is wel een maatregel tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.067,86 aan de verdachte opgelegd. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van

€ 1.067,86.

De oplegging van een schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij is door en namens de verdachte in hoger beroep niet betwist. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard bereid te zijn om het schadebedrag te betalen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat door het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer is toegebracht tot een bedrag van € 1.067,86. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 impliciet primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 130 (honderddertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van

3 ( drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen te melden bij de Stichting Reclassering Nederland, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de volledige proeftijd onder behandeling zal stellen bij GGZ De Waag, of een vergelijkbare instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling vast te stellen, teneinde zich te laten behandelen in het kader van agressieregulatie.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd J.J. [aangeefster 1], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.067,86 (duizend zevenenzestig euro en zesentachtig cent) bestaande uit € 67,86 (zevenenzestig euro en zesentachtig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste

20 (twintig) dagenToepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 10 september 2017.

Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Wiersinga,

mr. R.J. de Bruijn en mr. F.P. Geelhoed, in bijzijn van de griffier mr. C.M.A. Ellens-Veenhof.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 juni 2020.

Mr. R.J. de Bruijn, mr. F.P. Geelhoed en de griffier zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.