Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1083

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-04-2020
Datum publicatie
24-06-2020
Zaaknummer
200.264.280/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:4180, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Loon executeur; onvoorziene omstandigheden die moeten leiden tot aanpassing daarvan? Vergoeding van door executeur opgevoerde kostenposten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.264.280/01

Zaaknummer rechtbank : 7346359\VZ VERZ 18-23941

beschikking van de meervoudige kamer van 15 april 2020

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: [verzoekster] ,

advocaat mr. E.B.R. van Griethuysen te Haarlem,

tegen

[geïntimeerde] ,

in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [erflater] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: [verweerder] ,

advocaat mr. D.J. van de Weerdt te [woonplaats 3] .

Als belanghebbende is aangemerkt:

[belanghebbende] ,

wonende te [buitenland] ,

hierna te noemen: [broer van verzoekster] .

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van 21 mei 2019 van de rechtbank Rotterdam uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

[verzoekster] is op 12 augustus 2019 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.

2.2

[verweerder] heeft op 18 september 2019 een verweerschrift ingediend.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 29 januari 2020 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

[broer van verzoekster] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Op 12 februari 2015 is [erflater] (hierna: erflater) overleden.

3.3

Erflater heeft bij testament van 13 november 2014 beschikt over zijn nalatenschap en heeft [verzoekster] (zijn zus) en [belanghebbende] (zijn broer) tot enig erfgenamen benoemd, onder de gehoudenheid een drietal legaten uit te keren.

3.4

[verweerder] is in het testament van erflater tot executeur benoemd. [verweerder] heeft deze benoeming aanvaard in februari 2015.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is het loon van [verweerder] als executeur tot heden (21 mei 2019) vastgesteld op € 6.000,-. De proceskosten tussen partijen zijn gecompenseerd. Het meer of anders verzochte is afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.2

[verzoekster] is het niet eens met deze beslissing en verzoekt (naar het hof begrijpt) de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het inleidend verzoek van [verweerder] alsnog af te wijzen met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding in eerste aanleg en hoger beroep.

4.3

[verweerder] verzoekt het hof primair [verzoekster] niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair, voor het geval zij ontvankelijk is in haar hoger beroep, het hoger beroep ongegrond te verklaren althans haar verzoek(en) af te wijzen, zowel primair als subsidiair met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van beide instanties.

5 De motivering van de beslissing

5.1

[verweerder] heeft de kantonrechter verzocht om op grond van het bepaalde in artikel 4:144 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn loon als executeur vast te stellen. [verweerder] heeft daarbij gesteld dat zijn loon moet worden vastgesteld op € 9.292,92. Hij heeft dit bedrag uitgesplitst in vier posten:

- kosten werkzaamheden [naam] (€ 2.592,92);

- kosten kat (€ 3.500,-);

- kosten afvoeren inboedel en vervoer lichaam (€ 500,-);

- loon executeur.

5.2

De kantonrechter heeft het verzoek van [verweerder] toegewezen tot een bedrag van totaal

€ 6.000,-.

5.3

[verzoekster] komt met drie grieven op tegen de bestreden beschikking.

Ontvankelijkheid

5.4

[verweerder] stelt, onder verwijzing naar artikel 3:303 BW, voorop dat [verzoekster] geen enkel belang heeft bij haar hoger beroep. Hij voert daartoe aan dat de nalatenschap reeds is verdeeld, waarbij - slechts - rekening is gehouden met een executeursloon ten behoeve van [verzoekster] van

€ 900,-. [verzoekster] heeft volgens [verweerder] dan ook meer uit de nalatenschap verkregen dan waarop zij recht heeft.

5.5

Het hof is van oordeel dat [verzoekster] belang heeft bij haar hoger beroep, omdat [verweerder] de executeurskosten ten laste van de nalatenschap mag brengen en [verzoekster] (en haar broer) daarvoor aansprakelijk is. Het hof zal [verzoekster] daarom ontvangen in haar hoger beroep.

Inhoudelijk

5.6

Het hof overweegt als volgt. De grieven van [verzoekster] richten zich op de door de kantonrechter vastgestelde vergoeding ter zake van:

- de kosten van de kat;

- de kosten van het afvoeren van de inboedel en vervoer lichaam;

- het loon van de executeur.

5.7

Het hof zal deze drie posten hierna afzonderlijk bespreken.

Kosten kat: door [verweerder] begroot op € 3.500,-

5.8

Vast staat dat [verweerder] na het overlijden van erflater de zorg voor de kat van erflater op zich heeft genomen. Het hof stelt voorop dat dit niet tot de taak van [verweerder] als executeur behoort. Het hof is anders dan [verweerder] van oordeel dat er ook geen sprake is van een onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 6:258 BW. [verweerder] had er immers ook voor kunnen kiezen om de kat elders onder te brengen, bijvoorbeeld in een asiel. Niettemin acht het hof het wel redelijk om de kosten van het verzorgen van de kat in de eerste periode, kort na het overlijden van erflater, te vergoeden. Het hof begroot die kosten in redelijkheid op € 100,-.

Kosten afvoeren inboedel en vervoer lichaam: door [verweerder] begroot op € 500,-

5.9

Het hof is op basis van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat de rechtbank terecht en op de juiste gronden heeft geoordeeld en beslist dat [verweerder] de kosten van het huren van een aanhangwagen en een bestelbusje vergoed krijgt tot een bedrag van € 400,-. Het hof neemt deze gronden over en maakt die tot de zijne. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden, die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Het hof overweegt daarbij nog dat [verzoekster] niet heeft weersproken dat [verweerder] de woning van erflater heeft ontruimd. Het hof acht het aannemelijk dat hij daarvoor een aanhangwagen heeft gehuurd, hetgeen kosten met zich heeft gebracht. Dat een van de legatarissen zou hebben aangeboden om [verzoekster] te helpen bij het leeghalen van de woning, hetgeen [verweerder] heeft betwist, doet daar niet aan af. Het hof is van oordeel dat de door de kantonrechter vastgestelde vergoeding van totaal € 400,- niet bovenmatig is.

Loon executeur

5.10

Een executeur heeft op grond van de wet in beginsel recht op eenmalig 1% van de waarde van het vermogen van de erflater op diens sterfdag, tenzij sprake is van onvoorziene omstandigheden. Het begrip onvoorziene omstandigheden dient te worden begrepen in de zin van artikel 6:258 BW. Het hof is anders dan de kantonrechter van oordeel dat er in casu geen sprake is van onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 6:258 BW. Naar het oordeel van het hof vallen de door de executeur verrichte werkzaamheden (niettegenstaande de inspanningen die hij heeft geleverd) niet zodanig buiten de normale werkzaamheden van een executeur-testamentair dat een hogere vergoeding, gelijk aan die van een testamentair bewindvoerder, in dezen gerechtvaardigd is. Het hof zal daarom de beloning van de executeur bepalen op basis van het wettelijk loon, derhalve € 900,- (zijnde 1% van het vermogen van de nalatenschap op 12 februari 2015), hetgeen tussen partijen niet in geschil is.

Conclusie

5.11

Het hof zal gelet op het voorgaande het loon van [verweerder] als executeur tot op heden vaststellen op € 1.400,- (€ 100,- + € 400,- + € 900,-). Het hof zal de bestreden beschikking in zoverre vernietigen.

Proceskosten

5.12

Het hof ziet geen aanleiding om [verweerder] of [verzoekster] , zoals zij ieder voor zich met betrekking tot de andere partij in hoger beroep hebben verzocht, te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren en de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover daarin de proceskosten van de eerste aanleg zijn gecompenseerd.

5.13

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking met betrekking tot het loon en de vergoeding voor gemaakte kosten van [verweerder] als executeur en, opnieuw beschikkende:

stelt het loon en de vergoeding voor gemaakte kosten van [verweerder] als executeur tot heden vast op in totaal € 1.400,-;

bekrachtigt de bestreden beschikking ten aanzien van de proceskosten;

compenseert de proceskosten van de procedure in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Deze beschikking is gegeven door mrs. K.M. Braun, E.A. Mink en F.A.M. Schoenmaker, bijgestaan door mr. A. Wijtzes als griffier, en is op 15 april 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.