Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1073

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
2200148419
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is aan te merken als bestuurder in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 omdat de verdachte de bromfiets – al dan niet met zijn voet – deed voortbewegen en zodoende de rijrichting van de bromfiets beïnvloedde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001484-19

Parketnummers: 96-001495-19 en 96-050906-19,

96-248407-17 (TUL), 09-000141-17 (TUL)

Datum uitspraak: 16 juni 2020

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 4 april 2019 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op

2 juni 2020.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg zijn de zaken onder de parketnummers

96-001495-19 en 96-050906-19 gevoegd. De verdachte is ter zake van de bij dagvaarding onder deze parketnummers ten laste gelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, alsmede ter zake van het onder parketnummer 96-001495-19 ten laste gelegde tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 maanden en ter zake van het onder parketnummer 96-050906-19 ten laste gelegde tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straffen zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de inleidende dagvaardingen onder voornoemde parketnummers, waarvan de tekst hieronder is weergegeven. Het hof heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien. Het hof zal die nummering in dit arrest aanhouden.


Zaak met parketnummer 96-001495-19:

1.

hij op of omstreeks 28 december 2018 te Zevenhuizen, gemeente Zuidplas, als bestuurder van een motorrijtuig, (tweewielige bromfiets), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 600 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

Zaak met parketnummer 96-050906-19:

2.

hij op of omstreeks 3 maart 2019 te Zevenhuizen, gemeente Zuidplas, als bestuurder van een motorrijtuig, (tweewielige bromfiets), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 515 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 dagen, waarvan 17 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 28 december 2018 te Zevenhuizen, gemeente Zuidplas, als bestuurder van een motorrijtuig, (tweewielige bromfiets), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 600 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2.
hij op 3 maart 2019 te Zevenhuizen, gemeente Zuidplas, als bestuurder van een motorrijtuig, (tweewielige bromfiets), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 515 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere overweging

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit. De verdediging heeft hiertoe – kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de verdachte geen bestuurder was in de zin van de Wegenverkeerswet 1994, omdat vanwege een gestelde kapotte V-snaar het onmogelijk was om met de bromfiets te rijden. De verdachte zou – wellicht onder invloed van alcohol – slechts met de voet hebben ‘gestept’ waardoor de bromfiets voortbewoog en ook wel na steppend vaart te hebben gemaakt erop zijn gaan zitten.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

De bestuurder van een motorrijtuig, is diegene die de bedieningsorganen van een motorrijtuig hanteert en door middel daarvan de voortbeweging en rijrichting van de motorrijtuig beïnvloedt. Deze beïnvloeding hoeft niet noodzakelijkerwijs via het gebruik van het motorvermogen te gaan.1 Als besturen van een motorrijtuig kan onder andere worden aangemerkt het duwen of aan de hand meevoeren van een motorrijtuig.2

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de V-snaar van zijn bromfiets was gebroken en dat hij daarom op zijn bromfiets ‘stepte’. Op het moment dat hij vaart maakte sprong hij ook op de bromfiets, aldus de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij de motor van de bromfiets aan had staan zodat hij verlichting kon voeren.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte de bromfiets - al dan niet met zijn voet - deed voortbewegen en zodoende de rijrichting van de bromfiets beïnvloedde. Aldus is de verdachte aan te merken als bestuurder in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (600 microgram).

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (515 microgram).

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft onder invloed van een bovenmatige hoeveelheid alcohol tweemaal een brommer bestuurd. Door aldus te handelen heeft de verdachte zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer miskend en de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 15 mei 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Dit heeft de verdachte er niet van weerhouden onderhavige feiten te plegen.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof rekening gehouden met de ter terechtzitting in hoger beroep besproken persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij al geruime tijd geen alcohol meer heeft genuttigd en dat hij voor zijn verslaving onder behandeling is bij Fivoor. Dit laatste is in het kader van een bijzondere voorwaarde die is opgelegd in een andere, inmiddels onherroepelijk geworden strafzaak (rolnummer: 22-004103-19). De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij stellig van plan is zijn behandeling positief af te ronden en geen alcohol meer te nuttigen.

Gelet op deze gunstige ontwikkeling die de verdachte heeft doorgemaakt – en nog steeds doormaakt – acht het hof een grotendeels onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet op zijn plaats. Daarmee zou immers het door de verdachte ingeslagen positieve pad op onaanvaardbare wijze worden doorkruist.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 96-248407-17

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 12 maart 2018 onder parketnummer 96-248407-17 is de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep, in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf, gevorderd dat in plaats van tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf deze zal worden omgezet in een taakstraf.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal – gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken en hiervoor reeds genoemd – de omzetting van de gevangenisstraf in een taakstraf voor de duur van 28 uren, subsidiair 14 dagen hechtenis gelasten.

Vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 09-000141-17

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 22 maart 2017 onder parketnummer 09-000141-17 is de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep, in afwijking van de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf, gevorderd dat in plaats van tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf deze zal worden omgezet in een taakstraf.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal – gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken en hiervoor reeds genoemd – de omzetting van de gevangenisstraf in een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 17 (zeventien) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 (negen) maanden.

Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 12 maart 2018 met parketnummer 96-248407-17, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, een taakstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis.

Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 22 maart 2017 met parketnummer 09-000141-17, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten,

mr. H.C. Plugge en mr. K. Versteeg, in bijzijn van de griffier mr. A.F. Bijl.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 juni 2020.

Mr. H.C. Plugge, mr. K. Versteeg en mr. A.F. Bijl zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Hof Leeuwarden 25 januari 2011, VR 2012/15.

2 Hoge Raad 12 juni 1990, NJ 1991, 29.