Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1049

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
200.267.923/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hogere advocatenrekening dan overeengekomen doordat opdrachtgever onvolledige informatie verstrekte waardoor meer werkzaamheden dan voorzien noodzakelijk waren. Beroep op art. 6:228 lid 1 jo art. 6:230 lid 2 jo BW gehonoreerd. Art. 7:405 lid 2 toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.267.923/01

Rolnummer rechtbank : 7463799/19-1152

arrest van 30 juni 2020

in de zaak van

Solon Advocaten B.V.,

gevestigd te Den Haag,

appellante,

hierna te noemen: Solon,

advocaat: mr. S.H. van Santen te Den Haag,

tegen

1. RVI Management B.V.,

gevestigd te Hoek van Holland (gemeente Rotterdam),

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats] ([land]),

geïntimeerden,

hierna te noemen: RVI respectievelijk [geïntimeerde sub 2] en gezamenlijk RVI c.s.,

beiden niet verschenen.

Het geding

1. Bij dagvaarding van 7 oktober 2019 met daarin opgenomen vier uitgewerkte grieven, is Solon in beroep gekomen van het door de kantonrechter te Den Haag tussen partijen op

10 juli 2019 gewezen vonnis. Tegen RVI en [geïntimeerde sub 2] is verstek verleend. Solon heeft, onder overlegging van de stukken, arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

2. In deze zaak gaat het om het volgende.

2.1

[geïntimeerde sub 2] is [functienaam 1] en [functienaam 2] van RVI.

2.2

Tussen Solon en [geïntimeerde sub 2] is op 11 februari 2016 gesproken over door Solon tegen betaling te verrichten juridische werkzaamheden in het kader van een vermeende vordering van [geïntimeerde sub 2] op Always Management (hierna: Always) uit een met Always gesloten Managementovereenkomst.

2.3

Bij e-mail van 12 februari 2016 heeft Solon aan [geïntimeerde sub 2] de voorwaarden en condities ter zake van de door haar te verrichten werkzaamheden uiteengezet. Onderdeel van genoemde e-mail is een passage over de kosten. Die passage luidt als volgt:

“Het zou kunnen dat wij na één of twee briefjes al bereiken wat we willen, terwijl hiervoor ook een procedure nodig zou kunnen zijn. Ik zou het traject daarom willen opknippen in verschillende stappen en bijbehorende kosten. Onderstaand een uitwerking, waarbij ik opmerk dat (…) de € 1.000,00 slechts eenmalig verschuldigd zal zijn, waardoor dit traject jou slechts een minimale bijdrage zal kosten (…):

Werkzaamheden Kosten

_________________________ _____________________________

ingebrekestelling & ontbinding € 1.000,00 + 15% van de opbrengst

+ onderhandeling + deal

_________________________ _____________________________

conservatoir beslag + evt. 30% van de opbrengst

onderhandeling + deal

_________________________ _____________________________

dagvaarding rechtbank of 50% van de opbrengst

kantonrechter (afhankelijk van hoogte

vordering ) + zitting

Alle hierboven en hierin genoemde bedragen zijn exclusief BTW, overige (proces)kosten, verschotten, kosten van derden etc.

(…) In bovenstaande tabel heb ik jouw daadwerkelijke kosten zo laag mogelijk proberen te houden en dragen wij dus ook een groot risico als het niet uitpakt zoals we dat nu voorzien.

Voorts zend ik je bijgaand volledigheidshalve onze algemene voorwaarden die op al onze werkzaamheden van toepassing zijn. (…)

In reactie op boven geciteerde e-mail berichtte [geïntimeerde sub 2], eveneens per e-mail, op 25 februari 2016 het volgende aan Solon:

“Hierbij mijn akkoord.

(…). Daarnaast hierbij ook mijn akkoord voor de voorgestelde kostenregeling (…).”

2.4

Bovengenoemd honorarium van € 1.000,-- (€ 1.210,-- inclusief btw) is (uiteindelijk) betaald aan Solon, evenals een bedrag van € 1.034,08 inclusief btw wegens door eiseres betaald griffierecht en deurwaarderskosten.

2.5

Solon heeft RVI een gespecificeerde factuur gestuurd, gedateerd 16 oktober

2018, voor een bedrag van € 9.038,71 (inclusief btw). Deze factuur ziet op het honorarium

voor verrichte werkzaamheden in de periode 27 juni 2016 tot 9 oktober 2018.

2.6.

RVI noch [geïntimeerde sub 2] heeft voormelde factuur van 16 oktober 2018 voldaan.

3. Tegen de achtergrond van voormelde feiten heeft Solon RVI en [geïntimeerde sub 2] op 12 december 2018 gedagvaard, daarbij vorderde Solon - kort weergegeven - [geïntimeerde sub 2] dan wel RVI te veroordelen tot betaling van:

- € 9.038,71 ( inclusief btw) ter zake van de onder 2.5 vermelde factuur,

- € 826,91 aan buitengerechtelijke incassokosten,

- de proceskosten,

alles vermeerderd met de wettelijke handelsrente over genoemde bedragen.

4. Ter adstructie van haar vordering heeft Solon het volgende aangevoerd. Solon is voor [geïntimeerde sub 2] een juridische procedure gestart. In die procedure is door de wederpartij een conclusie van antwoord ingediend. Door de informatie in die conclusie van antwoord zijn de uitgangspunten waaronder eerder de afspraken over het honorarium van Solon zijn gemaakt, gewijzigd. Een redelijke en billijke uitleg brengt met zich mee dat de gemaakte afspraken over het honorarium niet in stand kunnen blijven. Getracht is om hierover nieuwe afspraken te maken. Dit heeft echter tot niets geleid. Uiteindelijk is Solon daarom genoodzaakt geweest om de door haar gewerkte uren bij RVI c.s. in rekening te brengen bij bovengenoemde factuur van 16 oktober 2018. Nu betaling ondanks aanmaning en sommatie is uitgebleven vordert zij thans in rechte betaling van die factuur. Daarnaast maakt zij op grond van artikel 6:96 lid 2 aanhef en sub c BW aanspraak op betaling van buitengerechtelijke incassokosten, berekend conform het Besluit vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. RVI c.s. hebben de vordering van Solon bestreden.

5. De kantonrechter heeft de vordering van Solon afgewezen en daartoe onder meer het volgende overwogen: “Vast staat dat er voor de door eiseres te verrichte werkzaamheden een éénmalig honorarium is overeengekomen, te vermeerderen met een deel van de opbrengst. Aan die betalingsverplichting jegens eiseres is voldaan. Voor betaling van de meer in rekening gebrachte gewerkte uren is geen voldragen en zelfstandige grondslag aangevoerd in de stukken. Een (andere) voldragen grondslag voor toewijzing is voorts niet gebleken.

6. Solon kan zich met het vonnis van de kantonrechter niet verenigen. In hoger beroep vordert zij, onder wijziging van eis, vernietiging van het bestreden vonnis alsmede, verkort weergegeven:

primair

( i) de gevolgen van de tussen [geïntimeerde sub 2] en Solon gesloten overeenkomst van opdracht op grond van de artikelen 6:248 lid 2 j° 6:258 lid 1 BW te wijzigen, in die zin dat de overeengekomen variabele vergoeding zodanig wordt gewijzigd dat Solon gerechtigd is tot een vergoeding gelijk aan de door haar bestede tijd vermenigvuldigd met de door haar gehanteerde uurtarieven, althans dat Solon op grond van art. 7:405 lid 1 en 2 BW voor de door haar verrichte werkzaamheden gerechtigd is tot een op de gebruikelijke wijze te berekenen vergoeding (loon), althans dat Solon gerechtigd is tot een redelijke vergoeding (loon);

(ii) RVI en/of [geïntimeerde sub 2] (hoofdelijk) te veroordelen om aan Solon te voldoen het bedrag van € 9.038,71, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke (handels)rente;

subsidiair

(iii) de tussen [geïntimeerde sub 2] en Solon gesloten overeenkomst van opdracht op grond van de artikelen 6:228 lid 1 BW j° 6:230 lid 2 BW gedeeltelijk te vernietigen, inhoudende dat de overeengekomen variabele vergoeding komt te vervallen, onder bepaling dat Solon gerechtigd is tot een vergoeding gelijk aan de door haar bestede tijd vermenigvuldigd met de door haar gehanteerde uurtarieven, althans dat Solon op grond van art. 7:405 lid 1 en 2 BW voor de door haar verrichte werkzaamheden gerechtigd is tot een op de gebruikelijke wijze te berekenen vergoeding (loon), althans dat Solon gerechtigd is tot een redelijke vergoeding (loon);

(iv) RVI en/of [geïntimeerde sub 2] (hoofdelijk) te veroordelen om aan Solon te voldoen het bedrag van € 9.038,71, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke (handels)rente;

meer subsidiair

( v) voor recht te verklaren dat [geïntimeerde sub 2] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op hem rustende (betalings)verplichtingen uit hoofde van de met Solon gesloten overeenkomst van opdracht, met bepaling dat Solon op grond van artikel 7:411 leden 1 en 2 BW gerechtigd is tot een vergoeding gelijk aan de door haar bestede tijd vermenigvuldigd met de door haar gehanteerde uurtarieven, althans dat Solon op grond van art. 7:405 lid 1 en 2 BW voor de door haar verrichte werkzaamheden gerechtigd is tot een op de gebruikelijke wijze te berekenen vergoeding (loon), althans dat Solon gerechtigd is tot een redelijke vergoeding (loon);

(vi) RVI en/of [geïntimeerde sub 2] (hoofdelijk) te veroordelen om aan Solon te voldoen het bedrag van € 9.038,71, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke (handels)rente;

meest subsidiair

(vii) de tussen [geïntimeerde sub 2] en Solon gesloten opdrachtovereenkomst op grond van de artikelen 6:265 lid 1 j° 6:267 lid 2 BW partieel te ontbinden, in die zin dat de variabele prijsafspraak in de overeenkomst van opdracht komt te vervallen, met bepaling dat Solon gerechtigd is tot een vergoeding gelijk aan de door haar bestede tijd vermenigvuldigd met de door haar gehanteerde uurtarieven, althans dat Solon op grond van art. 7:405 lid 1 en 2 BW voor de door haar verrichte werkzaamheden gerechtigd is tot een op de gebruikelijke wijze te berekenen vergoeding (loon), althans dat Solon gerechtigd is tot een redelijke vergoeding (loon);

(viii) RVI en/of [geïntimeerde sub 2] (hoofdelijk) te veroordelen om aan Solon te voldoen het bedrag van € 9.038,71, vermeerderd met de verschuldigde wettelijke (handels)rente;

uiterst subsidiair

(ix) de tussen [geïntimeerde sub 2] en Solon gesloten overeenkomst van opdracht op grond van de artikelen 6:265 lid 1 j° 6:267 lid 2 BW partieel te ontbinden, in die zin dat de variabele prijsafspraak in de opdrachtovereenkomst komt te vervallen, met bepaling dat [geïntimeerde sub 2] en/of RVI op grond van artikel 6:277 lid 1 BW aansprakelijk zijn/is voor de door Solon geleden schade;

( x) RVI en/of [geïntimeerde sub 2] (hoofdelijk) te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Solon te voldoen een bedrag aan schadevergoeding groot € 19.662,50 inclusief btw, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente;

zowel primair, subsidiair, meer subsidiair, meest subsidiair als uiterst subsidiair

(xi) RVI en/of [geïntimeerde sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de door Solon gemaakte buitengerechtelijke incassokosten voor een bedrag van € 826,94, vermeerderd met de verschuldigde wettelijke rente;

II. RVI en/of [geïntimeerde sub 2] (hoofdelijk) te veroordelen in de proceskosten van de procedure zowel in eerste aanleg als in appel, te voldoen uiterlijk binnen veertien (14) dagen na dagtekening van het te dezer zake te wijzen arrest, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente over deze kosten;

III. RVI en [geïntimeerde sub 2] hoofdelijk te veroordelen in de na het in deze te wijzen arrest ontstane kosten als bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv.

7. Met betrekking tot die vordering en de in dat kader geformuleerde grieven overweegt het hof het volgende.

8. Met grief 1 komt Solon op tegen de overweging van de kantonrechter dat uit de inleidende dagvaarding niet duidelijk blijkt of de overeenkomst die ten grondslag ligt aan het onderhavige geschil, gesloten is met RVI dan wel met [geïntimeerde sub 2].

9. Grief 1 treft doel. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de dagvaarding en de daarbij overgelegde producties genoegzaam dat de overeenkomst van opdracht gesloten is tussen Solon enerzijds en [geïntimeerde sub 2] in persoon anderzijds. Uit niets blijkt dat de besprekingen en akkoordverklaring gevoerd/gegeven zijn/is namens RVI. De e-mailwisseling is gevoerd tussen Solon en [geïntimeerde sub 2] op zijn gmail account, zonder verwijzing naar RVI als betrokken partij. Daar komt bij dat van Solon juridische bijstand is verzocht ter zake van een geschil over de uitvoering van een managementovereenkomst tussen [geïntimeerde sub 2] in privé en Always. Een en ander betekent dat voor een vordering van Solon op RVI geen grondslag is, RVI was bij de overeenkomst van opdracht immers geen partij. Vorenstaande is ook het standpunt van Solon dat zij ter toelichting van grief 1 heeft gegeven. RVI c.s. hebben in de conclusie van antwoord nog wel aangevoerd dat Solon alleen een zakelijke relatie heeft met RVI en dat er nooit iets is uitgevoerd voor [geïntimeerde sub 2] als privé persoon maar onderbouwen dat verder niet. Dat de facturen en betaalbewijzen op naam gesteld zijn van RVI is daartoe onvoldoende. Zoals Solon heeft aangevoerd kan een schuld door een derde worden voldaan. De slotsom is dan ook dat nu de vordering tegen RVI een valide grondslag ontbeert, die vordering dient te worden afgewezen. Het bestreden vonnis zal wat RVI betreft dan ook worden bekrachtigd.

10. Van de resterende drie grieven zal het hof grief 4 als eerste behandelen omdat die grief van de drie de meest verstrekkende is en de kern van de zaak betreft. De vraag die daarbij voorligt is of Solon recht heeft op betaling van een bedrag groot € 9.038,71 ter zake van door haar ten behoeve van [geïntimeerde sub 2] verrichte werkzaamheden.

11. Solon doet in het kader van grief 4 (ondermeer) een beroep op wijziging van de gevolgen van de overeenkomst van opdracht op grond van dwaling ex art. 6:228 lid 1 j° 6:230 lid 2 BW en wel in die zin dat de prijsafspraak die ziet op het variabele honorarium van Solon zodanig gewijzigd wordt dat [geïntimeerde sub 2] in plaats daarvan gehouden is de volledig door Solon bestede tijd te vergoeden overeenkomstig de door Solon gehanteerde uurtarieven, hetgeen resulteert in een bedrag van € 9.038,71 inclusief btw. Ter toelichting op het beroep op de genoemde wetsartikelen, betoogt Solon dat [geïntimeerde sub 2] haar onvolledig heeft geïnformeerd over de beweerde tekortkomingen door Always en zijn eigen tekortkomingen in de nakoming van de met Always gesloten overeenkomst. [geïntimeerde sub 2] heeft Solon voorgehouden dat hij op instructie van Always flinke investeringen heeft gedaan die uiteindelijk “doelloos” bleken te zijn en dat Always niet of nauwelijks werkzaamheden voor hem zou hebben verricht. Gebleken is echter dat [geïntimeerde sub 2] telkens zelf uitdrukkelijk (schriftelijk) akkoord heeft gegeven op door derden gemaakte kosten en zelf tekort is geschoten onder de Managementovereenkomst omdat hij geen of nauwelijks tracks heeft aangeleverd, terwijl hij op grond van de Managementovereenkomst daartoe wel verplicht was. Precies die informatie is door [geïntimeerde sub 2] niet met Solon gedeeld voorafgaand aan het aangaan van de overeenkomst van opdracht. Pas na ontvangst van de conclusie van antwoord die Always heeft ingediend in de procedure, is Solon met die feiten en omstandigheden bekend geworden. Bovendien heeft Solon zich ook voldoende ingespannen om zoveel mogelijk informatie in te winnen. Solon heeft zowel per e-mail als in een persoonlijk gesprek bij [geïntimeerde sub 2] uitgebreid geïnformeerd naar de aanleiding en achtergrond van het geschil met Always. [geïntimeerde sub 2] heeft naar aanleiding daarvan ook correspondentie en (financiële) informatie met Solon gedeeld. Solon mocht er - gelet op de gevraagde inlichtingen - van uitgaan dat [geïntimeerde sub 2] daarin volledig is geweest. Dat laatste blijkt echter niet het geval te zijn, aangezien door Always bij haar conclusie van antwoord allerlei correspondentie is overgelegd waarmee Solon tot dat moment niet bekend was. [geïntimeerde sub 2] heeft echter ondanks herhaalde verzoeken daartoe, nagelaten Solon enige uitleg c.q. toelichting te geven op de door Always ingebrachte stukken en bewijzen.

12. Naar het oordeel van het hof gaat het beroep op dwaling op. Tussen partijen is niet in discussie dat bij het maken van de inschatting door Solon van de proceskansen van [geïntimeerde sub 2] bij het aangaan van de overeenkomst van opdracht, Solon buiten haar toedoen niet beschikte over alle relevante informatie, nodig voor het bepalen van het verschuldigde loon. [geïntimeerde sub 2] heeft het standpunt van Solon op dit punt in eerste aanleg niet voldoende gemotiveerd weersproken en ook de in hoger beroep nader uitgewerkte stellingen van Solon dienaangaande zijn onbestreden gebleven. Als niet dan wel onvoldoende weersproken moet daarom worden aangenomen dat Solon de gemaakte prijsafspraak niet zou hebben gemaakt als [geïntimeerde sub 2] haar bij het maken van die afspraak naar behoren zou hebben geïnformeerd en Solon niet van een onjuiste voorstelling van zaken zou zijn uitgegaan. Het hof zal de gevolgen van de overeenkomst van opdracht dan ook wijzigen, zoals door Solon gevorderd, ter opheffing van het nadeel dat Solon bij instandhouding daarvan lijdt.

13. Waar Solon recht heeft op loon voor het door haar verrichte werk, is vervolgens de vraag welk loon [geïntimeerde sub 2] dan aan Solon verschuldigd is. Gelet op de artikelen 6:228 lid 1 j° 6:230 lid 2 j° 7:405 lid 2 BW zal het hof, nu de hoogte van het loon niet door partijen is bepaald en andere aanknopingspunten ontbreken, aansluiten bij het op de gebruikelijke wijze berekende loon.

14. Het hof zal voor de bepaling daarvan de urenspecificatie die Solon in eerste aanleg als producties 18 en 19 heeft overgelegd tot uitgangspunt nemen. Wel brengt het hof daarop reeds naar aanleiding van de eigen stellingen van Solon een aantal correcties aan. De eerste is dat de werkzaamheden van Solon voor [geïntimeerde sub 2] tot en met 2 maart 2017 op grond van de inhoud van de e-mail van Solon van die datum moeten worden geacht te zijn betaald met de betalingen van € 1.000,-- en € 1.500,-- door [geïntimeerde sub 2]. De e-mail maakt gewag van tot dan toe gemaakte extra kosten en daarbij geeft Solon aan voor die extra kosten betaling van een bedrag van € 1.500,-- redelijk te vinden. Uit niets blijkt dat het om een deelbetaling gaat. Dat de factuur naar aanleiding waarvan de betaling van € 1.500,-- is gevolgd een andere periode aangeeft, doet daaraan niet af, ook niet nu [geïntimeerde sub 2] tegen die op de factuur aangegeven periode niet heeft geprotesteerd. De door Solon nog in rekening te brengen werkzaamheden beginnen daarom met het “Opstellen concept dagvaarding” op 2 maart 2017. De tweede correctie is dat de werkzaamheden die op de specificatie zijn vermeld vanaf 4 september 2018 niet meer betrekking hebben op de behandeling van de zaak waarop de betalingsafspraak betrekking had, maar op, kort gezegd, het incasseren van de vordering die Solon in de onderhavige zaak heeft ingesteld. Met inachtneming van deze correcties komt het hof op een totaal aantal uren van 22,7. Berekend op basis van het door Solon gehanteerde uurtarief (€ 225,-- respectievelijk € 250,--) resulteert een bedrag van € 5.190,-- (€ 6.279,90 inclusief btw). In zoverre treft grief 4 doel.

15. Het hof komt tot deze beslissing op basis van de door Solon subsidiair ingestelde vordering. De primaire vordering laat het hof verder onbesproken omdat deze niet tot een voor Solon gunstigere uitkomst zou kunnen leiden.

16. Waar de grieven 1 en 4 al (gedeeltelijk) doel treffen behoeven de grieven 2 en 3 geen bespreking meer.

17. De slotsom van al het voorgaande is dat het bestreden vonnis voor zover het [geïntimeerde sub 2] betreft, zal worden vernietigd en dat de subsidiair door Solon ingestelde vordering zal worden toegewezen.

18. Naar het hof de grieven leest, zijn deze eveneens gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, nu deze afwijzing geheel voortbouwt op de (door de grieven bestreden) afwijzing door de rechtbank van de hoofdvordering van Solon in eerste aanleg. Het (gedeeltelijk) slagen van grief 4 brengt dus mee dat het hof de vordering ter zake van buitengerechtelijke incassokosten opnieuw moet beoordelen. Deze vordering, waartegen geen afzonderlijk verweer is gevoerd, komt voor toewijzing in aanmerking

19. Solon zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure voor zover betrekking hebbend op RVI, welke kosten echter worden begroot op nihil. Als de in het ongelijk te stellen partij zal [geïntimeerde sub 2] de proceskosten dienen te dragen van zowel de eerste aanleg als van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

ten aanzien van RVI:

  • -

    bekrachtigt het bestreden vonnis van de kantonrechter te Den Haag van 10 juli 2019 en

  • -

    veroordeelt Solon in de kosten van beide instanties, tot op heden aan de zijde van RVI begroot op nihil;

ten aanzien van [geïntimeerde sub 2]:

- vernietigt het bestreden vonnis van de kantonrechter te Den Haag van 10 juli 2019 en

opnieuw rechtdoende:

- wijzigt de gevolgen van de tussen Solon en [geïntimeerde sub 2] gesloten overeenkomst van opdracht in die zin dat de (in februari 2016) overeengekomen variabele vergoeding voor de door Solon verrichte werkzaamheden komt te vervallen, onder bepaling dat Solon gerechtigd is tot een gebruikelijk loon, uitkomende op een bedrag groot

€ 5.190,-- (€ 6.279,90 incl. btw) en veroordeelt [geïntimeerde sub 2] om dat bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Solon te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vijftien dagen na 19 oktober 2018;

- veroordeelt [geïntimeerde sub 2] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van Solon tot op 10 juli 2019 begroot op de kosten zoals hieronder nader gespecificeerd:

exploot : € 84,21;

vastrecht : € 486,--;

salaris gemachtigde : € 300,--;

- veroordeelt [geïntimeerde sub 2] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Solon tot op heden begroot op de kosten zoals hieronder gespecificeerd:

exploot : € 86,40;

vastrecht : € 741,--;

salaris advocaat : € 759,--;

  • -

    veroordeelt [geïntimeerde sub 2] de proceskosten tot de voldoening waartoe hij is veroordeeld, te voldoen uiterlijk binnen veertien (14) dagen na heden, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente over die kosten vanaf de datum waarop de termijn voor voldoening is verstreken tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.R. Mellema, R.J.F. Thiessen en G.C. de Heer en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2020 in aanwezigheid van de griffier.