Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2020:1020

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
06-07-2020
Zaaknummer
200.217.077/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2019:791
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering van verzekeraar tot vergoeding van kosten van onderzoek naar (gefingeerde) aanrijding. Tegenbewijs. Bewijswaardering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.217.077/01

Zaaknummer rechtbank : 4991996RL EXPL 16-11126

arrest van 23 juni 2020

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. T. Venneman te Den Haag,

tegen

Aegon Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Aegon,

advocaat: mr. P. van Huizen te Arnhem.

Het geding

Het verdere verloop van het geding blijkt uit:

- het tussenarrest van 23 april 2019;

- het proces-verbaal van het getuigenverhoor op 3 juni 2019;

- het proces-verbaal van het getuigenverhoor op 9 september 2019;

- de memorie na enquête van 22 oktober 2019;

- de antwoordmemorie na enquête van 19 november 2019.

Na de antwoordmemorie na enquête hebben partijen arrest gevraagd.

Verdere beoordeling van het hoger beroep

1. In het tussenarrest heeft het hof [appellante] toegelaten tot het tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling van Aegon dat tussen de Audi en de Toyota op 10 februari 2014 geen, althans geen noemenswaardige, aanrijding heeft plaatsgevonden zodat de schade aan de Audi niet, althans niet geheel, is ontstaan door de gestelde aanrijding met de Toyota. Verder heeft het hof [appellante] toegelaten tot bewijs dat de schade aan de Audi op 10 februari 2014 is veroorzaakt op de door haar gestelde wijze.

2. Als getuigen aan de zijde van [appellante] zijn achtereenvolgens gehoord:

- [appellante] (in persoon),

- [dochter] , dochter van [appellante] (hierna: [dochter] ),

- [zoon 1] , zoon van [appellante] (hierna: [zoon 1] ),

- [zoon 2] , zoon van [appellante] (hierna: [zoon 2] ),

- [zoon 3] , zoon van [appellante] (hierna: [zoon 3] ),

- [betrokkene] , de bestuurder van de Toyota (hierna: [betrokkene] ).

Aegon heeft afgezien van het voorbrengen van getuigen aan haar zijde.

3. Het hof is van oordeel dat [appellante] niet is geslaagd het hiervoor bedoelde tegenbewijs en bewijs te leveren. De reden daarvoor is dat er tal van onduidelijkheden in en tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van de getuigen zijn, ook ten opzichte van de eerder overgelegde schriftelijke verklaringen, waardoor de verklaringen niet geloofwaardig zijn. Verder verschaffen de getuigenverklaringen geen duidelijkheid over de omvang van de schade aan de Audi. Ten slotte is onduidelijk gebleven hoe de gestelde schade aan de Audi kan zijn veroorzaakt door de Toyota, die na de aanrijding geen schade van betekenis had en volgens deskundige [deskundige] dan ook de gestelde schade niet kan hebben veroorzaakt.

4. [dochter] verklaart in haar schriftelijke verklaring van 29 oktober 2016 dat zij op 10 februari 2014 om ongeveer 11.30 uur met [appellante] in de Audi stapte om mee te gaan toen [appellante] het zoontje van [zoon 1] van school ging halen, dat zij na het ophalen naar huis in Amsterdam zou worden gebracht en dat zij toen geen schade zag. Als getuige verklaart [dochter] echter dat ze op 10 februari 2014 samen met [appellante] en de vriend van [dochter] in diens auto naar Zoetermeer is gereden om de Audi, die bij de woning van [zoon 1] geparkeerd stond, op te halen en dat ze daar met [appellante] in de Audi is gestapt en teruggereden naar Scheveningen om samen boodschappen te doen. Niet alleen zijn deze verklaringen tegenstrijdig over de plaats waar [dochter] in de Audi is gestapt, maar ook zijn deze verklaringen in strijd met wat [appellante] zelf bij de comparitie en als getuige heeft verklaard, namelijk dat [dochter] op 10 februari 2010 niet in de Audi heeft gezeten.

5. [zoon 1] verklaart in zijn schriftelijke verklaring van 20 oktober 2016 dat hij op 10 februari 2014 in de ochtend naar de Audi is gelopen om de rugzak met zwemkleding van zijn zoon te pakken en dat er toen geen schade aan de rechterkant was. Vlak erna is hij volgens deze verklaring naar school vertrokken om zijn zoon op te halen, maar onderweg kreeg hij een belangrijk telefoongesprek en heeft hij [appellante] gebeld met de vraag of zij zijn zoontje van school wilde halen. Later belde hij [appellante] en hoorde dat zij een aanrijding had gehad en daardoor zijn zoontje niet van school had kunnen halen, zodat hij hem zelf moest ophalen.

Als getuige verklaart [zoon 1] dat hij op 10 februari 2014 al op zijn werk was, waar hij meestal rond 7.00 uur naartoe vertrok, toen [appellante] de Audi in Zoetermeer kwam ophalen. Verder verklaart hij als getuige dat het de bedoeling was dat [appellante] zijn zoontje naar diens moeder zou brengen maar dat [appellante] het zoontje door de toestand met de aanrijding heeft meegenomen naar haar eigen huis, waar [zoon 1] hem in de loop van de middag heeft opgehaald, en dat hij toen de Audi met schade heeft gezien.

Deze verklaringen zijn in elk geval tegenstrijdig op het punt van het ophalen van het zoontje van school, maar wijken ook overigens van elkaar af. [appellante] zelf heeft ter comparitie en als getuige verklaard dat zij het zoontje van [zoon 1] niet van school heeft gehaald en dus ook niet mee naar huis heeft genomen, wat de vraag oproept of het wel klopt dat [zoon 1] zijn zoontje bij haar heeft opgehaald en toen de Audi met schade heeft gezien. Overigens had [appellante] eerder, in het interview met onderzoeker [onderzoeker] van Aegon, wèl verklaard dat zij het zoontje van [zoon 1] nog heeft opgehaald en mee naar huis genomen. Een andere tegenstrijdigheid tussen de verklaring van [zoon 1] en [appellante] is dat eerstgenoemde verklaart niet op de plek van de aanrijding te zijn geweest, terwijl [appellante] als getuige verklaart dat dit wel het geval is geweest. Verder is tegenstrijdig dat [zoon 1] verklaart dat hij het aanrijdingsformulier niet heeft ingevuld en dat het handschrift in de linker kolom van de eerste pagina en op de tweede pagina niet van hem is, terwijl [appellante] als getuige weliswaar eerst verklaart dat zij de linker kolom op de eerste bladzijde heeft ingevuld maar na enig nadenken verklaart dat ze denkt dat dit toch door [zoon 1] is gedaan en verder verklaart dat ook de tweede pagina door [zoon 1] is ingevuld.

6. De schriftelijke verklaring van [zoon 2] van 22 oktober 2016 houdt onder meer in dat hij heeft gezien dat de Audi geen schade had toen [appellante] op 10 februari 2014 haar woning aan de [adres] te [plaats] verliet. Dit heeft hij gezien omdat toen [zoon 1] belde met het verzoek of [appellante] zijn zoontje wilde halen, [appellante] meteen weg moest en toen haar mobiele telefoon vergat, en [zoon 2] die naar haar toebracht en toen zag dat er zowel aan de bestuurderszijde en bij het wegrijden ook de achterzijde en rechterzijde geen schade was. Deze verklaring is opmerkelijk in zijn gedetailleerdheid, maar ook omdat uit de verklaringen van [appellante] (en [dochter] ) niet blijkt dat [appellante] nadat zij de Audi in Zoetermeer had opgehaald nog thuis is geweest voordat zij vertrok om het zoontje van [zoon 1] te halen.

7. [zoon 3] heeft in zijn schriftelijke verklaring van 27 oktober 2016 verklaard dat hij wat materiaal dat bestemd was voor zijn woning in de Audi heeft gelegd. Als getuige heeft hij gepreciseerd dat het ging om bouwmateriaal. Volgens de getuigenverklaring van [appellante] ging het echter om een ipad en een telefoon van [zoon 2] . Over in de Audi aanwezig bouwmateriaal van [zoon 2] heeft [appellante] het niet, wel over (eerst een en later twee) hoeveelheden bakstenen die zij zelf zou hebben gekocht en die bestemd waren voor haar dochter [dochter] .

8. [betrokkene] heeft in zijn schriftelijke verklaring van 18 juni 2014 tegenover onderzoeker [onderzoeker] van Aegon verklaard dat hij de Toyota had gehuurd in verband met een verhuizing van een vriend. In zijn verklaring als getuige verklaart [betrokkene] daarentegen dat hij de Toyota heeft gehuurd in verband met zijn eigen verhuizing. Uit de schriftelijke verklaring van [betrokkene] maakt het hof op dat deze niet met spullen geladen was op het moment van de aanrijding. Als getuige daarentegen verklaart [betrokkene] dat de Toyota al geladen was met spullen die hij die ochtend in Den Haag had geladen. Over het tijdstip van de aanrijding verklaart [betrokkene] in zijn schriftelijke verklaring dat dit tussen 14.00 uur en 15.00 uur is geweest. Dit komt niet overeen met de vermelding op het aanrijdingsformulier (11.30 uur) en de daarmee overeenstemmende verklaring van [appellante] . Met betrekking tot het aanrijdingsformulier verklaart [betrokkene] in zijn schriftelijke verklaring dat hij de tekening daarop heeft gemaakt. Dit wijkt af van de verklaring van [appellante] als getuige, die verklaart dat zij de situatieschets heeft op het aanrijdingsformulier heeft gemaakt. In zijn schriftelijke verklaring verklaart [betrokkene] dat hij [appellante] heeft verzocht om een kopie van het aanrijdingsformulier bij hem in de brievenbus te doen maar dat hij dit niet heeft ontvangen. Als getuige verklaart [betrokkene] echter dat het formulier volgens hem in de bus is bezorgd en dat hij dit heeft afgegeven bij Bo-rent. Dit sluit op zichzelf aan bij de verklaring van [zoon 1] als getuige dat hij het formulier bij [betrokkene] heeft bezorgd. In zijn schriftelijke verklaring verklaart [betrokkene] dat de Toyota na de aanrijding volgens hem geen schade vertoonde en dat hij aan Bo-rent wel heeft doorgegeven dat hij een aanrijding had gehad maar dat ze met hem om de Toyota zijn gelopen en ook geen schade hebben geconstateerd. Dit sluit aan bij de omstandigheid dat op het aanrijdingsformulier bij “Zichtbare schade aan voertuig B” (de Toyota) niets is ingevuld. Als getuige verklaart [betrokkene] daarentegen dat er schade aan de Toyota was bij de klep en het achterlicht, dat “erbij hing”.

9. Gelet op deze vele tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van verschillende getuigen en met eerder door de getuigen afgelegde schriftelijke verklaringen, acht het hof deze verklaringen niet geloofwaardig. Daar komt bij dat de verklaringen geen duidelijke en consistente gegevens bevatten over de schade aan de Audi direct na de aanrijding met de Toyota, zodat zij ook om die reden niet kunnen bijdragen aan het te leveren (tegen)bewijs. De verklaring van [dochter] en [zoon 3] dat [appellante] tegenwoordig lijdt aan (lichte) dementie, doet niet af aan de inconsistentie en ongeloofwaardigheid van de getuigenverklaringen, terwijl die omstandigheid ook niet is gestaafd met enig objectief gegeven zoals een medische verklaring.

10. Ten slotte hebben de getuigenverklaringen, waaronder in het bijzonder de toelichting van getuige [zoon 2] op de door hem van de Toyota gemaakte foto’s, het hof er niet van overtuigd dat mogelijk de Toyota door de aanrijding wel is beschadigd maar deze schade reeds gerepareerd was toen deskundige [deskundige] van OAN de Toyota inspecteerde. [zoon 2] verklaart als getuige dat hij heeft gezien dat er sprake was van herstelwerkzaamheden aan de Toyota en vervolgt dan: “Op deze foto’s die u nu voor u heeft, kun je het inderdaad niet zien, maar digitaal en in het echt wel”. [appellante] heeft evenwel bij memorie na enquête geen gebruik gemaakt van de (door de raadsheer-commissaris bij het getuigenverhoor geopperde) mogelijkheid om de desbetreffende foto’s in digitale vorm in het geding te brengen. Het hof neemt hierbij ook in aanmerking dat de bedrijfsleider van Bo-Rent te Den Haag in reactie op een verklaring van [zoon 2] schriftelijk heeft verklaard dat aan de Toyota absoluut geen reparatie heeft plaatsgevonden van onder meer een balhoofd en wieltje van de laadklep (productie 4 bij MvA).

11. Het voorgaande brengt mee dat [appellante] er niet in geslaagd is tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling van Aegon dat tussen de Audi en de Toyota op 10 februari 2014 geen, althans geen noemenswaardige, aanrijding heeft plaatsgevonden zodat de schade aan de Audi niet, althans niet geheel, is ontstaan door de gestelde aanrijding met de Toyota. De grieven II en III falen daarom. Evenmin is [appellante] erin geslaagd het bewijs te leveren dat de schade aan de Audi op 10 februari 2014 is veroorzaakt op de door haar gestelde wijze. Daarom heeft de rechtbank terecht de vordering in reconventie tot schadevergoeding afgewezen. Voorts staat daarmee thans vast dat [appellante] heeft gefraudeerd door van Aegon vergoeding van haar schade aan de Audi te vorderen hoewel zij wist dat deze geheel of gedeeltelijk op andere wijze dan door de gestelde aanrijding is veroorzaakt. Ook de vierde grief van [appellante] wordt derhalve verworpen.

12. Nu alle grieven falen, zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen. Daarbij past dat [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij zal worden veroordeeld – uitvoerbaar bij voorraad, zoals door Aegon gevorderd – in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden begroot op € 716,- voor verschotten (griffierecht) en op € 2.277,- voor salaris voor de advocaat (3 punten, tarief I), met nakosten en wettelijke rente als hierna vermeld.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis, op 22 april 2017 door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden begroot op € 716,- voor verschotten en op € 2.277,- voor salaris voor de advocaat en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat het bedrag van € 82,- betreft, na de datum van betekening moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van veertien dagen;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.R. Salomons, P.M. Verbeek en D.A. Schreuder en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer, op 23 juni 2020 in aanwezigheid van de griffier.