Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:949

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
01-05-2019
Datum publicatie
01-05-2019
Zaaknummer
2200528617
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:240, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich al dan niet samen met een ander op grote schaal schuldig gemaakt aan oplichting, dan wel pogingen daartoe, en aan diefstallen, waarvan een groot aantal hoogbejaarde vrouwen het slachtoffer is geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005286-17

Parketnummers: 09-808407-17, 09-797303-17, 09-819220-17 en 99-0000545-21 (HVI)

Datum uitspraak: 1 mei 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 december 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1978,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost, Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 23 mei 2018, 6 juni 2018, 3 april 2019 en 17 april 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het bij dagvaarding met parketnummer 09/797303-17 onder feit 1 ten aanzien van zaak 2.13 ten laste gelegde en van het bij die dagvaarding onder feit 2 ten aanzien van zaak 2.15 ten laste gelegde vrijgesproken. Ter zake van het bij dagvaarding met parketnummer 09-808407-17 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde, bij dagvaarding met parketnummer 09-797303-17 onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde en bij dagvaarding met parketnummer 09-819220-7 onder 1 en 2 ten laste gelegde is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, het inbeslaggenomen geldbedrag en de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem bij dagvaarding met parketnummer 09/797303-17 onder feit 1 ten aanzien van zaak 2.13 en onder feit 2 ten aanzien van zaak 2.15 ten laste is gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is bij een drietal inleidende dagvaardingen – waarvan de feiten, nu de zaken in eerste aanleg zijn gevoegd, door het hof zijn doorgenummerd en na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - voor zover inhoudelijk in hoger beroep aan de orde ten laste gelegd dat:

1:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 mei 2017 tot en met 8 juni 2017 te 's-Gravenhage en/of Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

a. a) [slachtoffer 1](geboren in 1931) (zaak 2.1) en/of

b) [slachtoffer 2](geboren in 1941) (zaak 2.2.) en/of

c) [slachtoffer 3](geboren in 1924) (zaak 2.6) en/of

heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten

gegevens, te weten (telkens) een pincode, door

a. a) te zeggen dat bij aangeefster was ingebroken en/of genoemde aangeefster te bellen en/of te zeggen dat hij van de bank was en/of om de pincode de vragen en/of

b) tegen genoemde aangeefster te zeggen dat twee mannen in haar woning waren geweest en/of haar een pinpas van iemand anders te tonen en/of om de pincode te vragen en/of

c) te zeggen dat bij aangeefster was ingebroken en/of genoemde aangeefster te bellen en/of te zeggen dat hij van de politie was en/of om de pincode te vragen;

2:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 april 2017 tot en met 8 juni 2017 te 's-Gravenhage en/of Delft en/of Rotterdam, althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

a. a) sieraden en/of een tablet en of een geldbedrag (te weten 3300 euro) (zaak 2.1) en/of

b) sieraden en/of een bankpas (zaak 2.3) en/of

c) sieraden en/of een tas met inhoud (zaak 2.4) en/of

d) een tas en/of een bankpas en/of een geldbedrag (te weten 1230 euro) (zaak 2.6)

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

a. a) [slachtoffer 1] (geboren in 1931) (zaak 2.1) en/of

b) [slachtoffer 4] (geboren in 1932) (zaak 2.3) en/of

c) [slachtoffer 5] (geboren in 1929) (zaak 2.4) en/of

d) [slachtoffer 3] (geboren in 1924) (zaak 2.6.)

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders zulks na de onder a en/of d weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van een pinpas (en pincode) die niet aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorden;

3:
hij op 16 april 2017 te Rotterdam , althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 6] (geboren in 1933) (zaak 2.5)

te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten het afgeven van haar pinpas door die [slachtoffer 6] te bellen en/of te zeggen dat hij van de politie was en/of door te zeggen dat er 1000 euro van haar rekening was afgeschreven en/of door die [slachtoffer 6] te vragen haar pinpas af te geven terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 april 2017 tot en met 23 mei 2017 te Rotterdam en/of Rijswijk en/of Den Haag, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

a. a) [slachtoffer 7] (geboren in 1947) (zaak 2.11), heeft bewogen tot de afgifte van enige goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een inschuld, te weten gegevens, te weten (telkens) een pincode en/of pinpas, door

a. a) te zeggen dat was geprobeerd bij aangeefster in te breken en/of genoemde aangeefster te bellen en/of te zeggen dat hij van de politie was en/of om de pincode

en /of de pinpas te vragen althans, te zeggen dat zij haar pinpas en/of haar pincode af moest geven;


5:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 januari 2017 tot en met 9 juni 2017 te Rotterdam en/of Rijswijk en/of Utrecht en/of Den Haag, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

a. a) een bankpas en/of een bankpas en/of (een) geldbedrag(en) (te weten (totaal) 2850 euro) (zaak 2.11) en/of

b) sieraden (ringen en/of armbanden en/of horloges) en/of pennen en/of schaartjes (zaak 2.12) en/of

c) sieraden (oorbellen en/of kettingen en/of armbanden en/of horloges en/of een dasspeld) (zaak 2.13) en/of (een) geldbedrag(en) (totaal 1250 euro) en/of een bankpas en/of

d) tas (met inhoud: bankpas, geldbedrag en/of andere passen) (zaak 2.14) en/of

f) een tas (met inhoud: sleutels en/of bankpas) (zaak 2.16)

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

a. a) [slachtoffer 7] (geboren in 1947) (zaak 2.11) en/of

b) [slachtoffer 8](geboren in 1938) (zaak 2.12) en/of

c) [slachtoffer 9] (geboren in 1929) (zaak 2.13) en/of

d) [slachtoffer 10](geboren in 1940) (zaak 2.14) en/of

f) [slachtoffer 11] (geboren in 1934) (zaak 2.16)

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders zulks na de onder a) en/of c) weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van een pinpas (en pincode) die niet aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde;

6:
hij op één of omstreeks 17 januari 2017 te Utrecht en/of Den Haag, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 10](geboren in 1940) (zaak 2.14)

te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten het afgeven van haar pincode

door te zeggen dat er bij die [slachtoffer 10] was ingebroken en/of die [slachtoffer 10] te bellen en/of te zeggen dat hij van de politie was en/of die [slachtoffer 10] te vragen haar pincode af te geven terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

7:
Zaak 2.10

hij op of omstreeks 29 april 2017 te Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 12] (geboren in 1920) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een pinpas en/of een pincode, door zich voor te doen als iemand van de politie en/of om de pinpas en/of pincode te vragen;

8:
Zaak 2.10

hij op of omstreeks 29 april 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee (met inhoud) en/of een geldbedrag (totaal 1000 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 12] (geboren in 1920), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders zulks na het weg te nemen geldbedrag (telkens) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruikt te maken van een pinpas en/of een pincode die niet aan verdachte en/of zijn mededaders toebehoorde(n).

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Verweren van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, gelet op de volgende punten, die tezamen dienen te worden beschouwd:

1. De beginselen van een goede procesorde, te weten het vertrouwensbeginsel en het beginsel van de zuiverheid van oogmerk, zijn geschonden doordat een op 4 juni 2017 onrechtmatig gemaakte foto van de verdachte in strijd met de afspraken niet is vernietigd. De verdachte mocht erop vertrouwen dat dit wel zou geschieden. De foto is ook voor een ander doel gebruikt dan waarvoor deze diende.

Anders dan bij vormverzuimen, geldt niet de eis dat de belangen van de verdachte doelbewust zijn veronachtzaamd. De schending van de beginselen van een goede procesorde is in dit geval ernstig genoeg voor een niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De verdediging betwijfelt overigens of de betrokken verbalisant niet doelbewust in strijd met de afspraken de foto van de verdachte ter beschikking heeft gesteld aan het rechercheteam. Diverse feiten liggen immers vóór de datum 4 juni 2017. Het ligt voor de hand dat de politie al bezig was met onderzoek. Bovendien is reeds op 3 juni 2017 een proces-verbaal van verdenking opgemaakt.

Subsidiair verzoekt de verdediging de foto’s van het bewijs uit te sluiten dan wel strafkorting toe te passen.

2. In zaak 2.1 is eerst met de juwelier een meervoudige fotoconfrontatie gehouden. Daarna heeft met de hiervoor bedoelde onrechtmatig gemaakte foto’s een enkelvoudige fotoconfrontatie plaatsgevonden. Ook dit is schending van de beginselen van een goede procesorde, met name schending van het recht van de verdachte op een eerlijk proces en de daarin verankerde onschuldpresumptie.

3. In zaak 2.11 ten slotte blijkt uit een brief van de aangeefster [slachtoffer 7] dat de politie voorafgaand aan een meervoudige fotoconfrontatie met foto’s/beelden bij haar is geweest en gezegd heeft: “Wij geloven dat hij het wel is.” Deze gang van zaken is in strijd met artikel 152 van het Wetboek van Strafvordering niet verbaliseerd. Dat had wel gemoeten. Deze gang van zaken bevuilt de meervoudige fotoconfrontatie.

Het oordeel van het hof

Het hof begrijpt het standpunt van de verdediging aldus dat voor de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ten aanzien van het onder 1 gestelde een beroep wordt gedaan op het Karmancriterium en dat de bewijsuitsluiting en de strafkorting bezien moeten worden in het licht van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Ten aanzien van het onder 2 en 3 gestelde vat het hof het standpunt van de verdediging eveneens op als een beroep op artikel 359a Sv.

Het hof is van oordeel dat voor niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie op grond van het Karmancriterium geen plaats is. Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking.

De feiten en omstandigheden door de opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] beschreven vormden voldoende grondslag voor het fotograferen van de verdachte op basis van artikel 3 van de Politiewet 2012. Uit het dossier blijkt voorts dat de foto van de verdachte op 4 juni 2017 is gemaakt en dat er pas vanaf 7 juni 2017 sprake was van een verdenking jegens de verdachte wegens de onderhavige feiten. Dat de opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] doelbewust in strijd met de afspraken de bewuste foto ter beschikking van het rechercheteam heeft gesteld is niet gebleken. De foto had wel moeten worden vernietigd zoals afgesproken was en had niet aan het dossier inzake de verdenking van de verdachte van de onderhavige feiten mogen worden toegevoegd. Deze gang van zaken levert weliswaar een schending van de beginselen van een goede procesorde op, maar deze schending is onvoldoende zwaarwegend om te kunnen concluderen dat het wettelijk systeem in de kern is geraakt.

Ten aanzien van de overige verweren stelt het hof het volgende voorop.

Een beslissing tot toepassing van een rechtsgevolg als bedoeld in artikel 359a Sv. dient te worden genomen en gemotiveerd aan de hand van de factoren die in het tweede lid van die bepaling worden genoemd. Met het oog daarop mag van de verdediging die een beroep doet op een vormverzuim, als bedoeld in artikel 359a Sv, worden verlangd dat zij haar standpunt duidelijk en gemotiveerd aan de hand van die factoren onderbouwt.

Het hof stelt vast dat hetgeen de verdediging heeft aangevoerd niet aan deze motiveringseis voldoet. Gelet hierop gaat het hof aan het verweer voor zover dit betrekking heeft op vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a Sv voorbij.

Het hof zal de op 4 juni 2017 gemaakte foto evenwel niet gebruiken voor het bewijs.

Hetzelfde geldt voor de enkelvoudige fotoconfrontatie bij de juwelier in zaak 2.1 en de meervoudige fotoconfrontatie met de aangeefster in de zaak 2.11.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Het ondervragingsrecht

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het ondervragingsrecht in de zaken 2.2, 2.5, 2.11 en 2.13 niet kunnen uitoefenen. Er is onvoldoende onderbouwd dat een verhoor van de aangeefsters in de zaken 2.2, 2.5 en 2.11 niet mogelijk was omdat hun gezondheid/welzijn dat niet toeliet. Niet is gebleken van de vereiste belangenafweging.

De verklaringen van de betrokken aangeefsters kunnen niet worden gebruikt voor het bewijs omdat steunbewijs op de onderdelen die de verdachte betwist ontbreekt.

De verdediging is niet voldoende gecompenseerd voor het niet kunnen ondervragen van de aangeefsters.

Het oordeel van het hof

De raadsheer-commissaris heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de aangeefsters in de zaken 2.2, 2.5 en 2.11 niet konden worden gehoord omdat het gegronde vermoeden was ontstaan dat hun gezondheid en/of welzijn door het afleggen van een verklaring in gevaar werd gebracht.

Ten aanzien van de redenen waarom zij niet konden worden gehoord blijkt uit de stukken het volgende:

2.2 De getuige [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedag] 1941) heeft meerdere malen telefonisch aan (het kabinet van) de raadsheer-commissaris aangegeven dat zij erg angstig is en geen verklaring wil en durft af te leggen.

2.5 In de zaak van de getuige [slachtoffer 6] (geboren op [geboortedag] 1933) heeft haar casemanager telefonisch contact opgenomen met het kabinet van de raadsheer-commissaris om mee te delen dat [slachtoffer 6] zwaar belast is met de zorg van haar dementerende man, dat zij reeds enkel door de aankondiging van het getuigenverhoor zichtbaar achteruit gaat en dat een verhoor haar psychisch te zeer belast.

2.11 De getuige [slachtoffer 7] (geboren op [geboortedag] 1947) heeft een uitgebreide brief geschreven waarin zij haar herinneringen aan deze zaak omschrijft en waarin zij – kort samengevat - aangeeft dat zij psychisch niet in staat is een verhoor te ondergaan. Zij wil geen mensen meer binnen hebben over deze zaak. Zij zegt dat zij niet open zal doen als er iemand komt om haar te horen omdat ze stikt van de zenuwen als zij over het gebeurde moet praten en niet uit haar woorden kan komen.

In alle gevallen gaat het om vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van een ernstig strafbaar feit waardoor zij, naar uit hun verklaringen blijkt, geschokt zijn. Het is algemeen bekend dat ouderen van de leeftijd van de aangeefsters kwetsbaar zijn. Aan hun verklaring dat ze angstig zijn en/of psychisch niet in staat zijn als getuige op te treden moet daarom extra betekenis worden toegekend.

Onder deze omstandigheden weegt het voorkomen van gevaar voor de gezondheid en/of het welzijn van de getuigen zwaarder dan het belang de getuigen te kunnen ondervragen.

Het hof stelt ten slotte vast dat de verdediging het ondervragingsrecht in de zaak 2.13 niet heeft kunnen uitoefenen, doordat de getuige [slachtoffer 9] op [datum overlijden] 2018 is overleden.

Het bewijs dat de verdachte de in de zaken 2.2, 2.5, 2.11 en 2.13 ten laste gelegde feiten heeft begaan baseert het hof niet alleen op de verklaringen van de aangeefsters. Naar het oordeel van het hof is er op essentiële onderdelen voldoende steunbewijs, waaronder schakelbewijs. Gelet hierop is er geen noodzaak voor het bieden van compenserende maatregelen. Alles afwegende is het hof van oordeel dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces niet geschonden is door het niet kunnen ondervragen van de aangeefsters in voornoemde zaken.

Bewijsoverweging

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, voor zover in hoger beroep aan de orde, heeft begaan.

Hierna zal per feit op het bewijs worden ingegaan.

In een aantal zaken betrekt het hof een modus operandi bij het bewijs.

Deze modus operandi bestaat in alle gevallen uit meerdere van de volgende onderdelen:

I.

Het slachtoffer is een oudere vrouw. Zij woont in een appartementencomplex. Een man legt contact met de vrouw en wijst haar erop dat in haar woning is ingebroken of dat mensen in haar woning zijn geweest. De man die dat zegt stelt zich behulpzaam op.

II.

De man die bij de vrouw aan de deur komt gaat ongevraagd de woning in en/of maakt ongevraagd kasten en/of lades open.

III.

De vrouw wordt gebeld door een man die zegt dat hij van de politie is en/of zich [“naam 1”] of [“naam 2”] noemt.

IV.

Het telefoonnummer van de vrouw wordt gevraagd.

V.

De pinpas en/of de pincode van de vrouw wordt gevraagd.

Het hof heeft geconstateerd dat er in de modus operandi van de feiten waarbij deze in het bewijs wordt meegewogen kleine verschillen aanwezig zijn. Deze doen naar het oordeel van het hof niet af aan de waarde van de modus operandi als onderdeel van het bewijs.

Het gaat bij alle onderdelen van de modus operandi om omstandigheden die zich hebben voorgedaan rond het tijdstip waarop de bewezen verklaarde feiten hebben plaatsgevonden. De omstandigheden zijn in combinatie met elkaar voldoende specifiek om te kunnen worden aangemerkt als modus operandi.

Het hof constateert met de raadsman dat in een aantal gevallen het door een aangeefster opgegeven signalement van de man die haar thuis aansprak niet (geheel) overeenkomt met dat van de verdachte. Het hof verbindt daaraan geen consequenties nu de verschillen kunnen worden verklaard door onvolkomen waarnemingen of herinneringen, dan wel doordat niet de verdachte maar de mededader met de aangeefster heeft gesproken.

Zaak 2.1 [slachtoffer 1]

Het hof verwijst naar de gehanteerde bewijsmiddelen. Daaruit is af te leiden dat de man die in de woning van aangeefster was om 14.45 uur uit de woning is vertrokken en dat er vóór 15.00 uur is geprobeerd te pinnen met de pinpas van de aangeefster. Het hof neemt voorts in aanmerking dat om 15.11 uur met de weggenomen pinpas is gepind bij een juwelier. De verdachte heeft verklaard wel eens bij deze juwelier te zijn geweest. Daarnaast draagt de pinner bij de juwelier een opvallende bodywarmer, die lijkt op een soortgelijk kledingstuk dat in de woning van de verdachte in beslag is genomen en die ook in de zaken 2.2 en 2.3 voorkomt. De modus operandi omschreven onder I, II, III en V is aanwezig. Deze modus operandi komt ook voor in zaak 2.3.

Gelet op het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien is het hof van oordeel dat het de verdachte moet zijn geweest die bij de juwelier heeft gepind en dus kort na de diefstal in het bezit was van de weggenomen pinpas. Voor het bezit daarvan heeft de verdachte geen verklaring gegeven. Het hof betrekt dat bij het bewijs.

Gelet op de aangifte gaat het hof ervan uit dat er twee mannen bij de bewezen verklaarde feiten betrokken waren.

Zaak 2.2 [slachtoffer 2]

Het hof verwijst naar de gehanteerde bewijsmiddelen. Daaruit is af te leiden dat de verdachte bij dezelfde halte in dezelfde tram stapt als de aangeefster, bij dezelfde halte als de aangeefster uitstapt en dezelfde kant oploopt als de aangeefster. De aangeefster heeft verklaard dat ze in de supermarkt [supermarkt 1] door een man is geholpen bij het inpakken van een plantje, waarna zij met de tram naar huis is gegaan. Zij denkt dat het dezelfde man is als die bij haar in de woning was.

Bij het bewijs betrekt het hof dat in de portemonnee van de aangeefster niet haar eigen pinpas zat, die ze kort daarvoor nog had gebruikt, maar de pinpas van de aangeefster in zaak 2.3. die eerder die dag gestolen was.

De man draagt een soortgelijke bodywarmer als die voorkomt in de zaken 2.1 en 2.3.

Ook neemt het hof de modus operandi zoals hiervoor omschreven onder I, II en V in aanmerking. Deze onderdelen komen ook voor bij zaak 2.1.

Dat de verdachte op weg naar zijn zus was, zoals door de raadsman als alternatief scenario naar voren is gebracht, acht het hof in het licht van de bewijsmiddelen niet aannemelijk.

Zaak 2.3 [slachtoffer 4]

Het hof verwijst naar de gehanteerde bewijsmiddelen. Daaruit is af te leiden dat de verdachte in het winkelcentrum waar de aangeefster boodschappen heeft gedaan achter de aangeefster aan loopt.

Bij het bewijs betrekt het hof dat de pinpas van de aangeefster zich enkele uren later in de portemonnee van de aangeefster in zaak 2.2. bevond.

De verdachte draagt een soortgelijke bodywarmer als in de zaken 2.1 en 2.2. en herkent zichzelf op de camerabeelden van het winkelcentrum. De verdachte draagt een trui die lijkt op een trui die in zijn woning is aangetroffen.

De aangeefster merkt bij de meervoudige fotoconfrontatie bij de foto van de verdachte op dat hij lijkt op de man die bij haar in de woning was.

De modus operandi in deze zaak komt overeen met die in zaak 2.1.

Zaak 2.4 [slachtoffer 5]

Het hof verwijst naar de gehanteerde bewijsmiddelen. Daaruit is af te leiden dat de verdachte vlak voor het tijdstip van de diefstal achter de aangeefster aan de lift instapt in de hal van het appartementencomplex waar de aangeefster woont. Op de beelden is te zien dat de man een jas draagt met oranje strepen op de mouwen. Volgens de aangeefster had de man die in haar woning was een soortgelijke jas aan.

Zaak 2.5 [slachtoffer 6]

Het hof verwijst naar de gehanteerde bewijsmiddelen. Daaruit is af te leiden dat de verdachte vlak voor de poging tot oplichting op camerabeelden te zien is in het appartementencomplex waar de aangeefster woont en haar aanspreekt. Het hof gaat er op basis van de aangifte van uit dat een andere man dan de verdachte de aangeefster heeft gebeld.

De man op de camerabeelden draagt een jas die overeenkomt met een jas die in de woning van de verdachte is aangetroffen.

Het hof betrekt bij het bewijs dat de verdachte voor zijn aanwezigheid in het appartementencomplex geen aannemelijke verklaring heeft gegeven.

De modus operandi in deze zaak bestaat uit de onderdelen I en III, die ook deel uitmaken van de modus operandi in de zaken 2.1 en 2.3.

Zaak 2.6 [slachtoffer 3]

Het hof verwijst naar de gehanteerde bewijsmiddelen. Daaruit is af te leiden dat de verdachte kort voor de diefstal van de tas van de aangeefster samen met de aangeefster in de lift staat van het appartementencomplex waar de aangeefster woont. De kleding en de tas van de verdachte lijken op die van de man die kort na de feiten pint met de pinpas van de aangeefster. Uit de aangifte blijkt de betrokkenheid van een tweede man.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de beelden, gelet op de afdrukken die zich in het dossier bevinden, voldoende duidelijk zijn om de verdachte daarop te herkennen.

2.10 [

slachtoffer 12]

Het hof verwijst naar de gehanteerde bewijsmiddelen. Daaruit is af te leiden dat de verdachte kort na de diefstal van de pinpas te zien is op camerabeelden van een pintransactie met de pinpas van de aangeefster. Dezelfde man, derhalve de verdachte, is op camerabeelden kort voor de diefstal te zien in de hal van het appartementencomplex waar de aangeefster woont. Het hof gaat er, gelet op de aangifte, van uit dat er twee personen betrokken zijn bij de feiten.

Bij het bewijs betrekt het hof dat de verdachte geen verklaring heeft gegeven voor zijn aanwezigheid in het appartementencomplex en voor het bezit van de pinpas van de aangeefster kort na de ten laste gelegde feiten.

Het hof heeft, anders dan de raadsman, in het licht van de bewijsmiddelen geen reden te twijfelen aan de herkenning van de verdachte op de camerabeelden door opsporingsambtenaren.

2.11 [

slachtoffer 7]

Het hof verwijst naar de gehanteerde bewijsmiddelen. Daaruit is af te leiden dat kort voor de afgifte van de pinpas en de pincode door de aangeefster een man bij de supermarkt [supermarkt 2] achter de aangeefster een zakje met broodjes lijkt af te rekenen. Daarna komt dezelfde man achter de aangeefster binnen in de hal van het appartementencomplex waar zij woont, met iets in zijn hand. Een zakje met een deel van een croissant en een donut is in de woning van de aangeefster aangetroffen. Met de pinpas van de aangeefster is kort na de diefstal onder meer gepind bij een winkel aan [straat 1]. Voorts is eveneens kort na de ten laste gelegde feiten met de pinpas van de aangeefster gepind bij een geldautomaat aan de [straat 2]. Van het voorgaande bevinden zich camerabeelden in het dossier. Op al die beelden wordt de verdachte herkend.

De modus operandi in deze zaak bestaat onder meer uit de onderdelen I, III en IV, die ook deel uitmaken van de modus operandi in de zaken 2.13 en 2.16.

2.12 [

slachtoffer 8]

Het hof verwijst naar de gehanteerde bewijsmiddelen. Daaruit is af te leiden dat de verdachte kort voor de diefstal te zien is op camerabeelden van het appartementencomplex waar de aangeefster woont. Hij kijkt in de richting van de entree waar op dat moment door de aangeefster de post uit de brievenbus wordt gehaald. Er is interactie tussen de verdachte en de aangeefster. Ze gaan dezelfde lift in. De verdachte draagt een soortgelijke jas als bij zaak 2.4 en een soortgelijke trui als bij zaak 2.3. De aangeefster heeft de verdachte herkend op de zitting in eerste aanleg.

2.13 [

slachtoffer 9]

Het hof verwijst naar de gehanteerde bewijsmiddelen. Daaruit is af te leiden dat op een telefoon die achtergebleven is in de woning van de aangeefster DNA is aangetroffen dat overeenkomt met het DNA van de verdachte. De verdachte heeft daarvoor geen aannemelijke verklaring gegeven.

Het hof neemt bij het bewijs de modus operandi omschreven onder I, II, III en IV in aanmerking, die overeenkomt met de modus operandi van feit 2.16.

Gelet op de aangifte gaat het hof uit van de betrokkenheid van twee mannen.

Het namens de verdachte aangevoerde alternatieve scenario met betrekking tot het DNA op de achtergebleven telefoon acht het hof zonder nadere onderbouwing niet aannemelijk.

2.14 [

slachtoffer 10]

Het hof verwijst naar de gehanteerde bewijsmiddelen. Daaruit is af te leiden dat een man met de aangeefster mee het portiek inloopt van het appartementencomplex waar zij woont. De aangeefster wordt gebeld door een man die zegt dat ze haar tas hebben en die vraagt om de pincode. De politie neemt het gesprek over.

Een opsporingsambtenaar heeft het gesprek beluisterd en daarin de stem van de verdachte herkend. Het hof heeft geen reden om aan de betrouwbaarheid van die herkenning te twijfelen gelet op de wijze waarop de herkenning tot stand is gekomen. De verdachte heeft geen aannemelijke verklaring gegeven voor dit telefoongesprek en derhalve geen uitleg gegeven over zijn betrokkenheid bij de ten laste gelegde feiten.

Gelet op de aangifte gaat het hof ervan uit dat bij de feiten twee mannen betrokken zijn geweest.

2.16 [

slachtoffer 11]

Het hof verwijst naar de gehanteerde bewijsmiddelen. Voorts neemt het hof de modus operandi omschreven onder I, II, III en IV in aanmerking, die ook voorkomt bij de zaak 2.13.

Verbetering misslag in de tenlastelegging

In het onder 5 ten laste gelegde is als pleegdatum 17 januari 2017 vermeld. Het hof zal deze datum verbeteren in 17 april 2017. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de raadsman geen blijk heeft gegeven van enige verwarring bij hem of bij de verdachte omtrent het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt. Ter terechtzitting in hoger beroep is ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde uitgebreid verweer gevoerd met verwijzing naar gegevens die uit het dossier naar voren komen met betrekking tot een feit gepleegd op 17 april 2017. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte door een verbeterde lezing van de tenlastelegging niet in zijn verdediging is geschaad.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 mei 2017 tot en met 8 juni 2017 te 's-Gravenhage en/of Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

a. a) te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 1] (geboren in 1931) (zaak 2.1) heeft bewogen tot het ter beschikking stellen van gegevens, te weten een pincode, en/of door tezamen en in vereniging met zijn mededader te zeggen dat bij aangeefster was ingebroken en genoemde aangeefster te bellen en te zeggen dat hij van de bank was en om de pincode te vragen

en/of

b) te ’s-Gravenhage [slachtoffer 2] (geboren in 1941) (zaak 2.2.) en/of

heeft bewogen tot het ter beschikking stellen van gegevens, te weten een pincode,

door tegen genoemde aangeefster te zeggen dat twee mannen in haar woning waren geweest en haar een pinpas van iemand anders te tonen en om de pincode te vragen

en/of
c) te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 3] (geboren in 1924) (zaak 2.6) heeft bewogen tot het ter beschikking stellen van gegevens, te weten een pincode,

door tezamen en in vereniging met een of meer van zijn mededader (s) en/of

heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten gegevens, te weten (telkens) een pincode, door

a. a) te zeggen dat bij aangeefster was ingebroken en/of genoemde aangeefster te bellen en/of te zeggen dat hij van de bank was en/of om de pincode te vragen en/of

b) tegen genoemde aangeefster te zeggen dat twee mannen in haar woning waren geweest en/of haar een pinpas van iemand anders te tonen en/of om de pincode te vragen en/of

c) te zeggen dat bij aangeefster was ingebroken en/of genoemde aangeefster te bellen en/of te zeggen dat hij van de politie was en/of om de pincode te vragen;


2:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 april 2017 tot en met 8 juni 2017 te 's-Gravenhage en/of Delft en/of Rotterdam, althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

a. a) te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, sieraden en/of een tablet en of een geldbedrag (te weten in totaal 3300 euro) (zaak 2.1)

toebehorende aan [slachtoffer 1] (geboren in 1931)

zulks na de weg te nemen geldbedragen onder hun bereik te hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van een pinpas en pincode die niet aan verdachte en/of zijn mededader toebehoorden;

en/of

b) te Delft sieraden en/of een bankpas (zaak 2.3)

toebehorende aan [slachtoffer 4] (geboren in 1932)

en/of

c) te Rotterdam sieraden en/of een tas met inhoud (zaak 2.4) toebehorende aan [slachtoffer 5] (geboren in 1929)

en/of

d) te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander,

een tas en/of een bankpas en/of een geldbedrag (te weten in totaal 1230 euro) (zaak 2.6)

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

a. a) [slachtoffer 1] (geboren in 1931) (zaak 2.1) en/of

b) [slachtoffer 4] (geboren in 1932) (zaak 2.3) en/of

c) [slachtoffer 5] (geboren in 1929) (zaak 2.4) en/of

d)slachtoffer 3] (geboren in 1924) (zaak 2.6.)

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders zulks na de het onder a en d weg te nemen geldbedrag(en) tot een bedrag van 1130 euro onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van een pinpas (en pincode) die niet aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorden;

3:
hij op 16 april 2017 te Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 6] (geboren in 1933) (zaak 2.5)

te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten het afgeven van haar pinpas, tezamen en in vereniging met zijn mededader door die [slachtoffer 6] heeft gebeld en gezegd te bellen en/of te zeggen dat hij van de politie was en/of door te zeggen dat er 1000 euro van haar rekening was afgeschreven en/of door die [slachtoffer 6] heeft gevraagd om te vragen haar pinpas af te geven,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 april 2017 tot en met 23 mei 2017 te Rotterdam en/of Rijswijk en/of Den Haag, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

a. a) [slachtoffer 7] (geboren in 1947) (zaak 2.11) heeft bewogen tot de afgifte van enige goed, het verlenen van een dienst, en het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een inschuld, te weten gegevens, te weten (telkens) een pincode en/of pinpas, door tezamen en in vereniging met zijn mededader a) te zeggen dat was geprobeerd bij aangeefster in te breken en/of genoemde aangeefster te bellen en/of te zeggen dat hij van de politie was en/of om de pincode en/of de pinpas te vragen althans, te zeggen dat zij haar pinpas en/of haar pincode af moest geven;
5:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 januari april 2017 tot en met 9 juni 2017 te Rotterdam en/of Rijswijk en/of Utrecht en/of Den Haag, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

a. a) te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander,

een bankpas en/of een bankpas en/of (een) geldbedrag(en) (te weten (totaal) 2850 euro) (zaak 2.11)

toebehorende aan [slachtoffer 7] (geboren in 1947)

zulks na de weg te nemen geldbedragen onder hun bereik te hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van een pinpas en pincode die niet aan verdachte en/of zijn mededader toebehoorden en/of

b) te Rotterdam sieraden (ringen en/of armbanden en/of horloges) en/of pennen en/of schaartjes (zaak 2.12)

toebehorende aan [slachtoffer 8] (geboren in 1938)

en/of

c) te Rijswijk, tezamen en in vereniging met een ander, sieraden (oorbellen en/of kettingen en/of armbanden en/of horloges en/of een dasspeld) (zaak 2.13)

en/of (een) geldbedrag(en) (totaal 1250 euro) en/of een bankpas,

toebehorende aan [slachtoffer 9] (geboren in 1929)

zulks na de weg te nemen geldbedragen (totaal 1250) onder hun bereik te hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van een pinpas en pincode die niet aan verdachte en/of zijn mededader toebehoorden
en/of

d) te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander,

een tas (met inhoud: bankpas, geldbedrag en/of andere passen) (zaak 2.14)

toebehorende aan [slachtoffer 10](geboren in 1940)

en/of

f) te ’s-Gravenhage een tas (met inhoud: sleutels en/of bankpas) (zaak 2.16)

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

a. a) [slachtoffer 7] (geboren in 1947) (zaak 2.11) en/of

b) [slachtoffer 8] (geboren in 1938) (zaak 2.12) en/of

c) [slachtoffer 9] (geboren in 1929) (zaak 2.13) en/of

d) [slachtoffer 10](geboren in 1940) (zaak 2.14) en/of

f)slachtoffer 11] (geboren in 1934) (zaak 2.16)

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders zulks na de het onder a) en/of c) weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruik te maken van een pinpas (en pincode) die niet aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde n ;


6:
hij op één of omstreeks 17 apriljanuari 2017 te Utrecht en/of Den Haag, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 10](geboren in 1940) (zaak 2.14)

te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten het afgeven van haar pincode,

heeft gezegd door te zeggen dat er bij die [slachtoffer 10] was ingebroken en/of die [slachtoffer 10] heeft gebeld en gezegd te bellen en/of te zeggen dat hij van de politie was en/of die [slachtoffer 10] heeft gevraagd te vragen haar pincode af te geven,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

7:
Zaak 2.10

hij op of omstreeks 29 april 2017 te Rotterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 12] (geboren in 1920) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, en het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten een pinpas en/of een pincode, door tezamen en in vereniging met een of meer van zijn mededader(s) zich voor te doen als iemand van de politie en/of om de pinpas en/of pincode te vragen;

8:

Zaak 2.10
hij op of omstreeks 29 april 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee (met inhoud) en/of een geldbedragen (totaal 1000 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 12] (geboren in 1920), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders zulks na het de weg te nemen geldbedragen (totaal 1000 euro) (telkens) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gebruikt te maken van een pinpas en/of een pincode die niet aan verdachte en/of zijn mededaders toebehoorde(n).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd

en

oplichting.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, meermalen gepleegd

en

medeplegen van diefstal

en

medeplegen van diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Het onder 3 en 6 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van poging tot oplichting, meermalen gepleegd.

Het onder 4 en 7 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, meermalen gepleegd

en

medeplegen van diefstal

en

medeplegen van diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Het onder 8 bewezen verklaarde levert op:

diefstal

en

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich al dan niet samen met een ander op grote schaal schuldig gemaakt aan oplichting, dan wel pogingen daartoe, en aan diefstallen, waarvan een groot aantal hoogbejaarde vrouwen het slachtoffer is geworden. Hij heeft dat, in een aantal gevallen met een mededader, op doordachte en doortrapte wijze gedaan, veelal door in een winkelcentrum vrouwelijke slachtoffers met een hogere leeftijd uit te kiezen, hen naar hun eigen huis te volgen, hen daar bij hun woning aan te spreken en hen wijs te maken dat er bij hen was ingebroken. De slachtoffers werd hulp aangeboden. Veelal werd gevraagd om de bankpas van de slachtoffers en de bijbehorende pincode. Om de slachtoffers te overtuigen van de noodzaak de bankpas en de pincode af te geven werden zij in een aantal gevallen gebeld door een man die zich voordeed als iemand van de politie. Vervolgens heeft de verdachte al dan niet samen met zijn mededader grote bedragen gepind van de diverse bankrekeningen van de slachtoffers.

De verdachte heeft op bovengenoemde wijze de slachtoffers ernstig benadeeld, zonder zich te bekommeren om het effect dat zijn handelen juist op deze oudere en daardoor meer kwetsbare slachtoffers zou hebben. Het zijn buitengewoon ernstige feiten omdat welbewust personen die tegen de oplichtingsmiddelen van de verdachte geen verweer hadden tot slachtoffer zijn gemaakt. Verdachte heeft daarbij slechts uit financieel gewin gehandeld. Hij heeft met zijn optreden ook het vertrouwen van de slachtoffers in de medemens en in autoriteiten, van wie oudere mensen in toenemende mate afhankelijk zijn, in ernstige mate geschaad. Tevens neemt het hof in aanmerking dat een deel van de bewezen verklaarde feiten bij de slachtoffers thuis heeft plaatsgevonden, waardoor bij de slachtoffers het gevoel van veiligheid in en rond hun huis ernstig is beschadigd. Feiten als deze leiden bovendien tot grote onrust onder ouderen in het algemeen.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 27 maart 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder vele malen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Integendeel, de verdachte heeft korte tijd nadat hij vrij kwam na een lange detentie weer een nieuw slachtoffer gemaakt. Daarna volgden – tot het moment dat hij voor de onderhavige ten laste gelegde feiten werd aangehouden – in een periode van minder dan drie maanden nog elf slachtoffers.

Uit het reclasseringsadvies d.d. 19 september 2017 van GGZ Palier blijkt dat de kans op recidive bij de verdachte onverminderd hoog wordt ingeschat.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de bijna beroepsmatige wijze waarop de verdachte heeft gehandeld, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 3]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 507,50, bestaande uit een bedrag van € 257,50 aan materiële schade en

€ 250,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 507,50.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 507,50 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3].

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 9]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 9] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 5 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 650,-, bestaande uit een bedrag van

€ 150,- aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag € 650,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte gedeeltelijk betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 5 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 5 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor hoofdelijke toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof ziet geen aanleiding het bedrag te matigen, zoals de raadsman heeft verzocht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 9]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 650,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 9].

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 8]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 8] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 5 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 23.574,68, bestaande uit een bedrag van € 23.074,68 aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 23.574,68.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 7.615,68, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat materiële schade is geleden tot een bedrag van € 7.115,68. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 5 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 5 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag van € 500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 8]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 7.615,68 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 8].

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 12]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 12] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 7 en 8 ten laste gelegde, tot een bedrag van € 1.028,- aan materiële schade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag € 1.028,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 7 en 8 bewezen verklaarde. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat niet blijkt dat het gepinde geld door de bank is vergoed. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 april 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 12]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 1.028,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 12].

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

De veroordeelde is bij arrest van dit gerechtshof van

9 september 2014 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest.

De veroordeelde is in die zaak op 2 april 2016 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de op 365 dagen gestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De officier van justitie heeft op 20 juni 2017 een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling ingediend bij de Rechtbank Den Haag. Deze vordering strekt tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in verband met de onder 1, 2, en 3 tenlastegelegde feiten.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het Openbaar Ministerie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling is derhalve gegrond.

Het hof zal deze vordering daarom toewijzen en gelasten dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, te weten 117 dagen vrijheidsstraf, alsnog geheel moet worden ondergaan.

Beslag

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 3 april 2019 gevorderd dat het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 1.775,-verbeurd zal worden verklaard.

Het na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 1.775,-, volgens opgave van de verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het naar het oordeel van het hof niet anders kan dan dat dit geldbedrag geheel of grotendeels door middel van de bewezenverklaarde strafbare feiten is verkregen. Het hof zal daarom dit geldbedrag verbeurd verklaren. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 33, 33a, 36f, 45, 47, 57, 310, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dit is gericht tegen de vrijspraken van het onder feit 4 ten aanzien van zaak 2.13 en het onder feit 5 ten aanzien van zaak 2.15 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover in hoger beroep aan de orde en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 507,50 (vijfhonderdzeven euro en vijftig cent) bestaande uit € 257,50 (tweehonderdzevenenvijftig euro en vijftig cent) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3], ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 507,50 (vijfhonderdzeven euro en vijftig cent) bestaande uit € 257,50 (tweehonderdzevenenvijftig euro en vijftig cent) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 17 mei 2017.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 9] ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 650,00 (zeshonderdvijftig euro) bestaande uit € 150,00 (honderdvijftig euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 9], ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 650,00 (zeshonderdvijftig euro) bestaande uit € 150,00 (honderdvijftig euro) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 13 (dertien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 20 mei 2017.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij G.A. [slachtoffer 8] ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 7.615,68 (zevenduizend zeshonderdvijftien euro en achtenzestig cent) bestaande uit € 7.115,68 (zevenduizend honderdvijftien euro en achtenzestig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 8], ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 7.615,68 (zevenduizend zeshonderdvijftien euro en achtenzestig cent) bestaande uit € 7.115,68 (zevenduizend honderdvijftien euro en achtenzestig cent) materiële schade en € 500,00 (vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 73 (drieënzeventig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 9 juni 2017.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 12]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 12] ter zake van het onder 7 en 8 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.028,00 (duizend achtentwintig euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 12], ter zake van het onder 7 en 8 bewezen verklaarde hoofdelijk een bedrag te betalen van € 1.028,00 (duizend achtentwintig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 29 april 2017.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: het op de beslaglijst onder 1 genoemde geldbedrag, te weten € 1.775,00.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling onder nummer 99-000545-21 toe en gelast dat het gedeelte van de bij vonnis opgelegde vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, te weten 117 dagen vrijheidsstraf, alsnog geheel wordt ondergaan.

Dit arrest is gewezen door mr. M.J. de Haan-Boerdijk,

mr. M.J.J. van den Honert en mr. A.L. Frenkel,

in bijzijn van de griffier mr. C.M.A. Ellens-Veenhof.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 mei 2019.

Mr. M.J.J. van den Honert is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.