Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:948

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
07-05-2019
Datum publicatie
08-05-2019
Zaaknummer
200.230.130/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Letselschade, opgelopen tijdens vaartocht met RIB. Aansprakelijkheid eigenaar boot. Sport- en spelsituatie. Waarschuwingsplicht voor risico's. Omkeringsregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0708
JA 2019/111
S&S 2019/69
RAV 2019/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.230.130/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/516188/HA ZA 16-1363

arrest van 7 mei 2019

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. E.J. Dennekamp te Utrecht,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

gevestigd te Rotterdam,

2. Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

geïntimeerden,

hierna te noemen: [geïntimeerde 1], Achmea en - gezamenlijk - [geïntimeerden],

advocaat: mr. L. van den Ham-Leerkes te Apeldoorn.

Het geding

Voor het verloop van het geding tot 23 januari 2018 verwijst het hof naar zijn arrest van die datum. Bij dat arrest is een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 13 maart 2018. Van de comparitie is proces-verbaal gemaakt.

Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] zes grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord (met producties) hebben [geïntimeerden] de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten zijn geen grieven gericht. Het hof gaat derhalve van die feiten uit. Het gaat in deze zaak om het volgende:

2.1

[appellant], geboren op [geboortedatum], heeft op 21 juli 2013 in het kader van een bedrijfsuitje van zijn toenmalige werkgever, FG Restaurant, een boottocht gemaakt met een zogenoemde RIB (Rigid Inflatable Boat), genaamd "[naam]". De tocht ging van de Sint- Jobshaven te Rotterdam naar Scheveningen.

2.2

De [naam] werd op 21 juli 2013 bestuurd door de heer [bestuurder RIB] (hierna [bestuurder RIB]). [geïntimeerde 1] maakte vaker gebruik van de diensten van [bestuurder RIB] (via zijn eenmanszaak) wanneer zij iemand nodig had om de [naam] te besturen. De heer [bestuurder geïntimeerde 1] (hierna: [bestuurder geïntimeerde 1]), bestuurder van [geïntimeerde 1], was tijdens de boottocht eveneens op de [naam] aanwezig.

2.3

De activiteiten met de [naam] vonden plaats onder verantwoordelijkheid van [geïntimeerde 1], welke vennootschap ook eigenaar van de [naam] was. De activiteiten van [geïntimeerde 1], waaronder die met de [naam], alsmede de [naam] zelf waren verzekerd bij Achmea.

2.4

Bij aankomst in Scheveningen bleek [appellant] niet van zijn stoel af te kunnen komen. Hij is met een ambulance naar het ziekenhuis gebracht waar bleek dat zijn rug was gebroken, in die zin dat er verse inzakkingsfractuurtjes werden gezien van de 6e en 8e rugwervel.

2.5

De [naam] is op 17 januari 2014 door [geïntimeerde 1] ingeruild voor een nieuwe RIB.

2.6

Bij brief van 26 mei 2014 heeft [appellant] [bestuurder geïntimeerde 1] verzocht of hij aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval wilde erkennen.

2.7

Door dr. Ph.J. Edixhoven, orthopedisch expert van Medisch Expertisecentrum Dekkerswald, is op verzoek van [appellant], met instemming van Achmea, een rapportage d.d. 27 maart 2015 opgesteld naar aanleiding van het ongeval (productie 5 bij inleidende dagvaarding).

3.1

[appellant] vordert, zakelijk weergegeven, om uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat [geïntimeerde 1] jegens [appellant] aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat op 21 juli 2013 aan boord van de RIB [naam] heeft plaatsgevonden;

II. te verklaren voor recht dat het bij Achmea verzekerde vaartuig schade heeft veroorzaakt en dat artikel 7:954 lid 1 BW met zich meebrengt dat [appellant] van Achmea kan verlangen dat de bedragen die [geïntimeerde 1] ter zake van zijn schade van Achmea te vorderen heeft, aan hem worden betaald;

III. gedaagden te veroordelen in de kosten van de procedure, alsmede in de nakosten.

3.2

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. Daartoe heeft de rechtbank, kort gezegd, als volgt geoordeeld. [appellant] heeft, mede gelet op het gemotiveerde verweer van [geïntimeerden], onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot de conclusie dat zijn letsel tijdens de boottocht is veroorzaakt door een omstandigheid die een zorgvuldig bestuurder heeft kunnen vermijden of waarvan een zorgvuldig bestuurder de gevolgen heeft kunnen vermijden (in de zin van artikel 8:974 BW). Evenmin heeft [appellant] voldoende gesteld om te kunnen concluderen dat zijn letsel te wijten is aan de schuld of nalatigheid van [geïntimeerde 1] (in de zin van artikel 8:504 lid 5 BW) dan wel dat het letsel het gevolg is van een door [geïntimeerde 1] jegens [appellant] gepleegde onrechtmatige daad. Voor toepassing van de omkeringsregel of een verzwaarde motiveringsplicht ziet de rechtbank geen aanleiding. De voorafgaand aan de boottocht gegeven waarschuwing is naar het oordeel van de rechtbank toereikend geweest. Hieraan doet niet af dat niet is gezegd dat mensen blijvend letsel aan de boottocht konden overhouden, aangezien gesteld noch gebleken is dat dit letsel is dat redelijkerwijs te verwachten is tijdens een boottocht op een RIB. Voorts is niet komen vast te staan dat [appellant] door het ontbreken van zo’n waarschuwing schade heeft geleden nu niet is gesteld of gebleken dat [appellant] niet aan boord zou zijn gegaan als deze mededeling wel was gedaan.

4. Bij memorie van grieven heeft [appellant] zes genummerde grieven aangevoerd. Daaraan voorafgaand voert [appellant] onder het hoofdje ‘Inleidende opmerkingen’ een bezwaar aan, dat weliswaar niet als genummerde grief is aangeduid maar niettemin door het hof wel als grief zal worden behandeld. Het bezwaar betreft de overweging (in rov. 4.19 van het bestreden vonnis) dat niet gesteld of gebleken is “dat dit letsel is dat redelijkerwijs te verwachten is tijdens een boottocht op een RIB zodat van Den Bijker Holding ook niet verwacht kan worden dat namens haar hiervoor werd gewaarschuwd”. Volgens [appellant] is dit niet juist en lopen passagiers van een RIB een aanzienlijk risico op een inzakkingsfractuur. [appellant] verwijst in dit verband naar twee rapporten van de Engelse Marine Accident Investigation Branch (MAIB) van respectievelijk 26 augustus 2008 en 6 mei 2010. Uit deze rapporten blijkt, zo vermeldt [appellant] (memorie van grieven, nr. 5 e.v.), dat in de periode tussen 2001 en 2010 veertig ongevallen bij de MAIB zijn gemeld die hebben geresulteerd in letsel in de vorm van ‘lower back compression’ (naar het hof begrijpt: compressieletsel in de onderrug). Verder blijkt uit deze rapporten, aldus [appellant], dat de krachtsinwerking op het dek van een RIB kan oplopen tot 20 keer de zwaartekracht en dat de krachten die inwerken op de passagiers, die voor alle passagiers verschillend zijn, nog hoger kunnen zijn. Volgens [appellant] is er geen reden om aan te nemen dat passagiers op RIBs in Nederland een minder groot risico lopen.

5. [geïntimeerden] hebben geen afzonderlijke bespreking gewijd aan wat hiervoor is aangeduid als een ongenummerde grief, maar wel in het kader van de bespreking van grief 2 de relevantie van de overgelegde rapporten bestreden (MvG, onder 60 e.v.). Het enkele feit dat er in het Verenigd Koninkrijk circa 40 ongevallen zijn geweest met RIBs in een periode van 9 jaar tijd, zegt volgens [geïntimeerden] niets over de verhoogde kans op het ontstaan van ongevallen met een RIB, nu er jaarlijks duizenden vaartochten met RIBs zijn. Verder wordt in de rapporten steeds gesproken van compressieletsels aan de lagere rug, terwijl het letsel van [appellant] twee borstkaswervels hoog in de rug betrof.

6. Het hof is van oordeel dat [appellant] zijn stelling dat de door hem ondervonden compressiefracturen letsel betreft dat redelijkerwijs is te verwachten tijdens een tocht met een RIB, onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de absolute aantallen geconstateerde letsels in het Verenigd Koninkrijk in de periode die in de desbetreffende producties wordt genoemd valt immers bij gebreke van een nadere (statistisch) gekwantificeerde onderbouwing niet zonder meer af te leiden of het desbetreffende risico hoog of laag is, terwijl de aard van de in de rapporten geconstateerde letsels anders is dan dat van [appellant]. Onduidelijk is bovendien in hoeverre de feitelijke omstandigheden waaronder in het Verenigd Koninkrijk met RIBs wordt gevaren, vergelijkbaar zijn met de wijze waarop in Nederland wordt gevaren, in het bijzonder door [geïntimeerden] Ook de omstandigheid dat er bij het varen met een RIB onder omstandigheden aanzienlijke krachten kunnen optreden, wettigt niet de gevolgtrekking dat het letsel van [appellant] redelijkerwijs te verwachten was. Dat volgt ook niet – en in elk geval niet zonder nadere toelichting, die ontbreekt – uit de passages in de rapporten waarnaar [appellant] bij memorie van grieven onder 5-8 specifiek verwijst. Het aangevoerde bezwaar slaagt derhalve niet.

7. Grief 1 houdt in dat de rechtbank ten onrechte aan de conclusie dat [appellant] bij het ongeval van 21 juli 2013 inzakkingsfractuurtjes heeft opgelopen, niet de conclusie heeft verbonden dat reeds daaruit volgt dat [geïntimeerde 1] aansprakelijk is voor de uit het letsel voortvloeiende schade. Volgens [appellant] is voor het veroorzaken van het letsel een ernstige geweldsinwerking nodig geweest. De blootstelling daaraan levert naar zijn aard aansprakelijkheid op. Tevens brengt het letsel volgens [appellant] noodzakelijkerwijs met zich mee dat de bestuurder onvoldoende rekening heeft gehouden met het risico dat in de kracht van de boot gelegen is.

8. Het hof stelt voorop dat het in deze zaak gaat om een vaartocht met een RIB, waarbij van de passagiers een actieve lichaamshouding en een zeker incasseringsvermogen werd verlangd. Het ging, in de woorden van [bestuurder geïntimeerde 1] ter comparitie bij de rechtbank, niet om een “rondvaartboot”. Ook [appellant] was zich hiervan bewust, zoals blijkt uit zijn verklaring dat [bestuurder geïntimeerde 1] vooraf had verteld “dat je, als je voorin zat, iets hardere klappen zou kunnen krijgen te verduren dan achterin de boot” en dat hij ervoor heeft gekozen om voorin te gaan zitten “omdat hij een beetje actie wilde” (p-v comparitie eerste aanleg, p. 2). Verder is gezegd, aldus [appellant], dat je blauwe plekken kon oplopen, dat je mee moest bewegen met de golven, vergelijkbaar als met paardrijden en dat als er iets aan de hand was, je je hand moest opsteken waarna men zou stoppen. [appellant] verklaart daarnaast dat vooraf gezegd was dat het voor zwangere vrouwen niet verstandig was om mee te varen. Volgens [geïntimeerden] is er ook nog gewaarschuwd dat je niet mee moest varen als je lichamelijke klachten had. [appellant] heeft ter comparitie verklaard zich dit niet te kunnen herinneren, maar dit acht het hof in de gegeven omstandigheden geen voldoende betwisting, zodat het hof ervan uitgaat dat een dergelijke waarschuwing is gegeven.

9. Nu het aan de deelnemers van de vaartocht vooraf duidelijk is gemaakt dat er niet alleen sprake zou zijn van spetters maar mogelijk ook van klappen die moesten worden opgevangen, en dat er gestopt zou worden zodra iemand zijn hand opstak, is het hof van oordeel dat [geïntimeerde 1] voor de aldus aan de vaartocht verbonden risico’s niet zonder meer aansprakelijk is, ook al zouden die risico’s op zichzelf geheel vermeden kunnen worden door heel zacht of niet te varen. Er was in de gegeven omstandigheden immers sprake van een situatie waarin de deelnemers wisten en ermee instemden dat er daadwerkelijk enige ‘actie’ op het water zou zijn, en die in zoverre dan ook vergelijkbaar is met een sport- en spelsituatie. Voor zover [appellant] extra risico liep als gevolg van schouderklachten die hij had overgehouden aan een eerder ongeval, in die zin dat daardoor zijn beweeglijkheid in de boot verminderd kon zijn en daarmee zijn vermogen om (ondanks zijn jonge leeftijd) klappen soepel op te vangen, behoefde [geïntimeerde 1] daarop niet bedacht te zijn. [bestuurder geïntimeerde 1] heeft immers onweersproken gesteld dat [appellant] van die schouderklachten voorafgaand aan de vaartocht geen melding heeft gemaakt.

De vraag of een deelnemer aan een sport of spel onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging als gevolg waarvan aan een andere deelnemer letsel is toegebracht, moet minder spoedig bevestigend worden beantwoord dan wanneer die gedraging niet in een sport- of spelsituatie had plaatsgevonden (HR 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2679). Voor aansprakelijkheid van [geïntimeerde 1] is dan ook meer nodig dan de aanwezigheid en het zich realiseren van de hiervoor bedoelde risico’s. Er zal sprake moeten zijn van bijkomende omstandigheden, waarbij met name gedacht kan worden aan het veroorzaken van groter gevaar dan waarop de deelnemers bedacht moesten zijn.

10. Voor het hof is niet komen vast te staan dat er sprake is van bijkomende omstandigheden als hiervoor bedoeld, en met name niet dat [geïntimeerde 1] [appellant] heeft blootgesteld aan een groter gevaar dan waarop hij bedacht moest zijn. Uit de in het geding gebrachte verklaringen van andere passagiers die deelnamen aan de tocht blijkt dit ook niet. Evenmin is komen vast te staan dat de door [appellant] opgelopen inzakkingsfractuurtjes slechts het gevolg kunnen zijn van een ernstige dan wel zeer forse geweldsinwerking en bijvoorbeeld niet van een matige geweldsinwerking die [appellant] onhandig of ongelukkig heeft opgevangen. [appellant] heeft zijn door [geïntimeerden] op deze punten weersproken stellingen niet nader onderbouwd, behalve door een algemene verwijzing naar de hiervoor onder 4 genoemde rapporten waaruit zou blijken dat het risico op rugletsel aanzienlijk zou zijn. Deze algemene verwijzing acht het hof daarvoor onvoldoende (vgl. hiervoor onder 6). Om die reden faalt grief 1.

11. Met grief 2 klaagt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten de omkeringsregel toe te passen. [appellant] betoogt dat uit het feit dat hij tijdens de vaartocht zijn rug heeft gebroken, noodzakelijkerwijs voortvloeit dat met het oog op de omstandigheden te hard gevaren is. Hierdoor dient – aldus [appellant] – de aansprakelijkheid van [geïntimeerde 1] te worden aangenomen, tenzij tegenbewijs zou worden geleverd dat de bedoelde schade ook zonder de normschending zou zijn ontstaan.

12. Deze grief slaagt niet. Ingevolge vaste rechtspraak strekt de omkeringsregel ertoe dat in bepaalde gevallen een uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel van art. 150 Rv in die zin dat het bestaan van causaal verband (in de zin van condicio sine qua non-verband) tussen een onrechtmatige daad of tekortkoming en het ontstaan van de schade wordt aangenomen, tenzij degene die wordt aangesproken bewijst – waarvoor in het kader van het hier te leveren tegenbewijs voldoende is: aannemelijk maakt – dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou zijn ontstaan. Voor toepassing van deze regel is vereist dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, en dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt. Zie recent HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1008, met verwijzingen naar eerdere rechtspraak. Volgens [appellant] bestond de relevante normschending door [geïntimeerde 1] erin dat ‘met het oog op de omstandigheden te hard gevaren is’. Naar het oordeel van het hof is dit niet een voldoende specifieke norm om aanleiding te kunnen geven tot toepassing van de omkeringsregel. Overigens staat niet vast hoe hard gevaren is en kan in elk geval niet uit het enkele feit dat [appellant] letsel heeft opgelopen worden afgeleid dat te hard is gevaren. Daarnaast heeft [appellant] evenmin gesteld dat er (ergens op de route) een (concrete) snelheidslimiet voor de RIB gold die (op enig moment) geschonden zou kunnen zijn.

13. Grief 3 strekt ertoe te betogen dat op [geïntimeerden] een verscherpte motiveringsplicht moet worden gelegd, in die zin dat zij omtrent de toedracht van het ongeval zodanige mededelingen dienen te doen dat daaruit met een redelijke mate van zekerheid kan worden opgemaakt dat het ongeval niet het gevolg is van gevaarzetting die het gevolg was van de manier van varen dan wel van het achterwege laten van maatregelen ter voorkoming van ongevallen.

14. Het is het hof niet duidelijk op grond waarvan aan [geïntimeerden] een verscherpte motiveringsplicht als door [appellant] bedoeld zou moeten worden opgelegd. Er doet zich in deze zaak niet een situatie voor die op één lijn te stellen is met situaties waarin een verzwaarde motiveringsplicht op de aangesproken partij pleegt te worden gelegd, zoals wanneer een patiënt tijdens een medische behandeling letsel heeft opgelopen en daarvoor het ziekenhuis aansprakelijk houdt maar niet beschikt over alle noodzakelijke gegevens over de toedracht van de behandeling. Niet valt in te zien dat, zoals [appellant] kennelijk bedoelt te stellen, de door [appellant] overgelegde, hiervoor genoemde, rapporten tot het aannemen van een dergelijke verplichting nopen. In dit verband wijst [appellant] er nog op dat het voor rekening van [geïntimeerden] dient te komen dat geen zorgvuldig onderzoek is gedaan naar de exacte omstandigheden rond het ongeval. Nu [geïntimeerden] evenwel onweersproken hebben aangevoerd dat de RIB al was ingeruild op het moment dat [appellant] [geïntimeerde 1] aansprakelijk stelde en het verzoek tot onderzoek deed (CvA, onder 18), ziet het hof in het feit dat geen toedrachtsonderzoek is gedaan geen grond voor het aannemen van een verzwaarde motiveringsplicht. Ook de omstandigheid dat het voor [bestuurder geïntimeerde 1] aan het einde van de tocht met de RIB kenbaar was dat [appellant] naar het ziekenhuis ging met pijn aan zijn rug is niet aan te merken als een dwingende reden om terstond een toedrachtsonderzoek te doen, het was immers niet kenbaar voor [geïntimeerde 1] dat [appellant] hiervan langduriger gevolgen zou ondervinden. [appellant] betoogt in dit verband nog dat bij hem het vertrouwen is gewekt dat er onderzoek zou plaatsvinden, maar hij maakt niet duidelijk waarom dit vertrouwen in dit verband relevant zou zijn. Grief 3 slaagt niet.

15. [appellant] stelt zich met grief 4 op het standpunt dat de rechtbank hem tot deskundigenbewijs had moeten toelaten over de stelling dat sprake is geweest van een geweldsinwerking die naar zijn aard in staat was om het opgetreden letsel te veroorzaken.

16. De rechtbank was – en het hof is – niet verplicht een aanbod tot het gelasten van een deskundigenbericht in te willigen. Het hof gaat met [appellant] ervan uit dat zijn letsel is ontstaan tijdens de vaartocht. Het ligt voor de hand dat het letsel het gevolg is geweest van enige geweldsinwerking, naar alle waarschijnlijkheid door de wijze waarop de boot in contact kwam met het water in samenhang met de wijze waarop [appellant] zat en reageerde op de bewegingen van de RIB. Daarvan uitgaande, spreekt het vanzelf dat de ondervonden geweldsinwerking naar zijn aard in staat was om het opgetreden letsel te veroorzaken. Het hof ziet daarom geen aanleiding tot het gelasten van een deskundigenbericht naar de zojuist bedoelde stelling van [appellant]. Een bevestigend antwoord van de deskundige zal ook niet bijdragen aan de beantwoording van de vraag of [geïntimeerde 1] aansprakelijk is voor de schade van [appellant]. Daarvoor is immers vereist dat aan [geïntimeerde 1] een verwijt kan worden gemaakt van het handelen van haarzelf of van de bestuurder van de RIB voorafgaand aan de vaartocht (onvoldoende waarschuwen) of tijdens de vaartocht (onvoldoende veilig varen).

17. Grief 5 heeft betrekking op de overwegingen van de rechtbank in rov. 4.16 e.v. over de door [geïntimeerde 1] gegeven waarschuwing voorafgaand aan de vaartocht. [appellant] stelt zich op het standpunt dat in de gegeven omstandigheden [geïntimeerde 1] niet kon volstaan met een waarschuwing, maar dat het gevaar geheel en al vermeden had moeten worden omdat – zo begrijpt het hof [appellant] – passagiers van een RIB een aanzienlijk risico lopen op een inzakkingsfractuur en daarvoor niet gewaarschuwd is.

18. Deze grief faalt, omdat de daaraan ten grondslag gelegde, door [geïntimeerden] weersproken, stelling dat passagiers van een RIB een aanzienlijk risico lopen op een inzakkingsfractuur door [appellant] onvoldoende is onderbouwd, zodat daaraan moet worden voorbijgegaan. Hetgeen [appellant] verder opmerkt over de redenen die er geweest kunnen zijn om ondanks de waarschuwing niet van deelneming af te zien (dat er ook oudere heren met overgewicht meevoeren, ‘peer pressure’), is verder niet van belang voor de beoordeling of het gevaar geheel en al vermeden had moeten worden, zodat het hof dat verder onbesproken zal laten.

19. Grief 6 keert zich tegen de overweging van de rechtbank dat de uitkomst van de beoordeling van artikel 8:974 BW en artikel 8:504 lid 5 BW hetzelfde is. [appellant] acht dit onjuist, omdat onder eerstgenoemde bepaling een forsere limitering van de schade geldt dan onder de andere bepaling. Volgens [appellant] dienen alsnog getuigen te worden gehoord om de exacte vaarroute en de locatie van het ongeval te bepalen.

20. Bij deze grief heeft [appellant] geen belang omdat [geïntimeerde 1] niet aansprakelijk is, zodat de vraag welke limiet van toepassing is op de omvang van de schade geen beantwoording behoeft. Overigens is – zoals ook de rechtbank kennelijk heeft onderkend – op grond van art. 8:500, aanhef en onder e, derde zin, BW vervoer over zee en binnenwateren aan boord van een en eenzelfde schip, dat deze beide wateren bevaart, als vervoer over zee te beschouwen. In dat, zich hier voordoende, geval is derhalve is de hogere aansprakelijkheidslimiet voor zeevervoer van toepassing.

21. In de memorie van grieven, onder 32 e.v., doet [appellant] een bewijsaanbod. Ter toelichting vermeldt [appellant] slechts dat een getuigenverhoor zou dienen om de exacte omstandigheden zoals die aan de orde waren ten tijde van het ongeval zo goed mogelijk in kaart te brengen, waaronder de exacte vaarroute en de aard van de door de getuigen – als medepassagiers van [appellant] – ervaren geweldsinwerking. Aan dit aanbod gaat het hof voorbij, nu het geen betrekking heeft op specifieke stellingen die, indien bewezen, tot slagen van een of meer van de grieven en vervolgens tot toewijzing van de vordering zouden leiden. Ook heeft [appellant] nagelaten om - in hoger beroep - te vermelden in hoeverre de getuigen [bestuurder geïntimeerde 1], [bestuurder RIB] (de stuurman) en [getuige 3] meer of anders zullen kunnen verklaren dan zij in de in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen reeds hebben gedaan.

22. Geen van de grieven slaagt. Dat brengt mee dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en dat [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep als hierna vermeld. Het hof zal daarbij geen rekening houden met de door [geïntimeerden] in dit verband nog genoemde maar op geen enkele wijze toegelichte of onderbouwde deurwaarderskosten en buitengerechtelijke kosten.

Beslissing

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van 20 september 2017 van de rechtbank Rotterdam;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerden] tot op heden begroot op € 716,- aan verschotten (griffierecht) en € 2.148,- aan salaris voor de advocaat en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.R. Salomons, P.M. Verbeek en D. Wachter en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 mei 2019 in aanwezigheid van de griffier.