Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:921

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
06-05-2019
Datum publicatie
06-05-2019
Zaaknummer
22-003030-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beslissing in het kader van een themazitting “Drugs in het verkeer”. Het Hof formuleert in een reeks arresten een kader voor de bestraffing van overtreding van artikel 8 WVW in de volgende situaties: het besturen van een voertuig onder invloed van drugs, onder invloed van twee verschillende soorten drugs en onder invloed van drugs en alcohol. Voorts worden uitgangspunten geformuleerd voor de gevallen waarin deze situaties zich voordoen in combinatie met strafverzwarende omstandigheden, zoals recidive en/of het zich daadwerkelijk voordoen van gevaarlijk verkeersgedrag.

Samenhang tussen:

ECLI:NL:GHDHA:2019:921; ECLI:NL:GHDHA:2019:922; ECLI:NL:GHDHA:2019:923; ECLI:NL:GHDHA:2019:924; ECLI:NL:GHDHA:2019:925; ECLI:NL:GHDHA:2019:926; ECLI:NL:GHDHA:2019:927; ECLI:NL:GHDHA:2019:928; ECLI:NL:GHDHA:2019:929

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003030-18

Parketnummer: 96-044309-18

Datum uitspraak: 6 mei 2019

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 15 juni 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

adres: [adresgegevens].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 15 en 29 april 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van € 800,--, subsidiair 16 dagen hechtenis, en tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 november 2017 te 's-Gravenhage een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 4,5 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de opgelegde straf en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, en tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 15 november 2017 te 's-Gravenhage een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 4,5 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft op 15 april 2019 een zogenaamde ‘themazitting’ gehouden om enige uitgangspunten te formuleren voor de strafoplegging bij bewezenverklaring van een van de in artikel 8 WVW omschreven strafbare feiten waarbij het gebruik van drugs, al dan niet in combinatie met alcohol, in het spel is. Om die reden zal hieronder eerst een meer algemene beschouwing omtrent die materie volgen, waarna zal worden ingegaan op de specifieke omstandigheden van deze zaak.

Het hof heeft kennis genomen van de Richtlijn voor strafvordering rijden onder invloed van alcohol en/of drugs en rijden tijdens een rijverbod (2017R003; Stcrt. 2017, 52658), op welke richtlijn de advocaat-generaal zijn vordering heeft gebaseerd.

Deze houdt in dat indien sprake is van enkelvoudig gebruik van cannabis, op grond van art. 2 en art. 3 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen als stof als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 waarbij de analytische grenswaarde van 3,0 microgram per liter bloed is overschreden en sprake is van (meervoudige) recidive een geldboete van € 950,-- en een onvoorwaardelijke rijontzegging voor de duur van 8 maanden wordt gevorderd. (tabel 4, Artikel 8 lid 5 WVW 1994, Enkelvoudig gebruik aangewezen drugs, Bestuurder motorrijtuig ex bromfiets (snorfiets of brommobiel) en gehandicaptenvoertuig met motor).

Het hof heeft moeten vaststellen dat geen op wetenschappelijke wijze verkregen gegevens voorhanden zijn waarmee aan de hand van de aangetroffen concentratie van 4,5 microgram de mate van gevaarzetting door het gebruik van deze stof kan worden beoordeeld. Dat betekent dat alleen de constatering dat sprake is van

overschrijding van genoemde analytische grenswaarde een algemeen bruikbaar aanknopingspunt voor vaststelling van de strafwaardigheid van het bewezenverklaarde kan dienen.

De mate van overschrijding moet – in afwachting van nader wetenschappelijk onderzoek- buiten beschouwing worden gelaten.

Dit brengt met zich dat om te komen tot een straftoemeting die voldoende recht doet aan de omstandigheden van het geval, het hof voor die gevallen waarin louter sprake is van de constatering dat de grenswaarde is overschreden, als uitgangspunt een geldboete van € 850,-, bij niet betaling te vervangen door 17 dagen vervangende hechtenis, en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur 6 maanden, passend en geboden acht. Indien sprake is van gevaarlijk verkeersgedrag of relevante recidive (uit het Uittreksel Justitiële Documentatie blijkende recidive binnen een periode van vijf jaar) zal naast genoemde geldboete een volledig onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden in beginsel passend en geboden zijn.

Indien sprake is van relevante recidive én gevaarlijk verkeersgedrag, zal naast de geldboete een volledig onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid langer dan 6 maanden in beginsel passend en geboden zijn.

Het hof heeft – met inachtneming van het voorgaande - de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een auto bestuurd terwijl hij verkeerde onder invloed van cannabis.

Door zijn handelwijze heeft de verdachte zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer miskend en heeft hij de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.

De daarmee samenhangende aantasting van de verkeersveiligheid heeft de verdachte temeer vergroot door met hoge snelheid te rijden en door meerdere malen zonder enige aanleiding van rijbaan te wisselen en meerdere malen geen richting aan te geven bij het afslaan.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 maart 2019, waaruit blijkt dat de verdachte tweemaal eerder onherroepelijk is veroordeeld voor overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (gevaarzetting). Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

In deze zaak is sprake van enkelvoudig gebruik van cannabis en gevaarzettend verkeersgedrag. Daarnaast is de verdachte eerder in aanraking gekomen met justitie vanwege overtredingen van de Wegenverkeerswet. In beginsel zou dan ook een geldboete van € 850,-- en een onvoorwaardelijke ontzegging passend en geboden zijn.

In de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het feit dat de verdachte voor zijn werk zijn rijbewijs nodig heeft en het feit dat bij verlies van zijn baan ook het begeleid wonen komt te vervallen, met als gevolg dat hij weer dakloos wordt, ziet het hof echter aanleiding de op te leggen straf te matigen en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.

Het hof is voorts van oordeel, nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij nog dagelijks blowt na zijn werk, dat bij de voorwaardelijke rijontzegging van 10 maanden een proeftijd van drie jaar geboden is, teneinde de verdachte ervan te weerhouden opnieuw soortgelijke feiten te plegen.

Voorts is het hof van oordeel dat daarnaast nog een onvoorwaardelijke geldboete van € 850,-- passend en geboden is.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 850,00 (achthonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 17 (zeventien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 8 (acht) termijnen van 1 maand, groot € 100,00 (honderd euro) en 1 (één) termijn van 1 maand, groot € 50,00 (vijftig euro).

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 (tien) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. J.W. van den Hurk, mr. C.H.M. Royakkers en mr. O.E.M. Leinarts, in bijzijn van de griffier R. Luijken.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 mei 2019.