Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:90

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
25-01-2019
Zaaknummer
BK-18/00588
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:3036, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:1423
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In de uitspraak van de Rechtbank ontbreken de feiten waaruit blijkt dat (de gemachtigde van) belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze is uitgenodigd voor de zitting. Het Hof ziet echter in dit geval geen reden de uitspraak van de Rechtbank te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar de Rechtbank omdat over de feiten geen geschil bestaat tussen partijen. Het Hof doet de zaak zelf af.

De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslag hangende het beroep vernietigd. Belanghebbende heeft daarop het beroep ingetrokken. Belanghebbendes verzoek om de heffingsambtenaar op de voet van artikel 8:75a Awb te veroordelen in de proceskosten wordt niet toegekend omdat de heffingsambtenaar niet is tegemoet gekomen aan het door belanghebbende in beroep gewenste besluit, te wetende toekenning van een (integrale) proceskostenvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 28-01-2019
V-N Vandaag 2019/223
FutD 2019-0320
Belastingblad 2019/112 met annotatie van R.T. Wiegerink
Viditax (FutD), 27-09-2019
NTFR 2019/1187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

enkelvoudige kamer

nummer BK-18/00588

Uitspraak van 16 januari 2019

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: J.M.C. Niederer)

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de heffingsambtenaar,

(vertegenwoordigers: D.J. Koopmans en C. Rӧder)

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (de Rechtbank) van 17 april 2018, nr. ROT 17/4782.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende met dagtekening 15 april 2017 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Er is een griffierecht geheven van € 46.

1.4.

Bij brief van 24 oktober 2017 heeft belanghebbende het beroep ingetrokken en heeft hij de Rechtbank op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten.

1.5.

De Rechtbank heeft het verzoek van belanghebbende om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten afgewezen.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 126. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 24 oktober 2018. De heffingsambtenaar is verschenen. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen. De griffier heeft belanghebbende bij aangetekende brief, verzonden op 4 september 2018 aan de gemachtigde van belanghebbende naar het adres [Y] , [A] , onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd op de zitting te verschijnen. Blijkens bij PostNL ingewonnen informatie is de brief op 5 september 2018 op dat adres uitgereikt. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

De heffingsambtenaar heeft twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting met dagtekening 15 april 2017 aan belanghebbende opgelegd van elk € 62,67, waaronder de onderhavige. Bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar heeft de heffingsambtenaar het bezwaar gegrond verklaard en de aanslagen vernietigd.

3.2.

Belanghebbende heeft tegen beide uitspraken beroep ingesteld en daarbij verzocht om een (integrale) proceskostenvergoeding (kenmerken ROT 17/4212 en ROT 17/4782).

3.3.

Hangende het beroep heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende bij brief van 11 oktober 2017 in beide zaken een compromisvoorstel gezonden met betrekking tot de vergoeding van de proceskosten. Hierin staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:

'' Uw kenmerk: ROT 17/4212 en 4782 PARKBL

(…)

Proceskosten

Ten aanzien van uw verzoek om vergoeding van de proceskosten doe ik u onderstaand voorstel, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht.

- € 123,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift € 246,- met een wegingsfactor van 0,5 omdat de zaak qua complexiteit en bewerkelijkheid gekenmerkt wordt als 'licht' en een wegingsfactor 1 voor de samenhang van de zaak, gelet op het identieke karakter van beide zaken.)

- € 247,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift € 495,- met een wegingsfactor van 0,5 omdat de zaak qua complexiteit en bewerkelijkheid gekenmerkt wordt als 'licht' en een wegingsfactor 1 voor de samenhang van de zaak, gelet op het identieke karakter van beide zaken.)

- € 46,- vergoeding van het griffierecht.

Totale vergoeding € 416,50

Intrekking procedure

Indien u akkoord gaat met mijn voorstel, verzoek ik u de procedure bij de rechtbank in te trekken."

3.4.

Bij brief van 24 oktober 2017 heeft belanghebbende het beroep in de onderhavige zaak ingetrokken. Hierbij heeft belanghebbende de Rechtbank verzocht om de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten van de procedure. In deze brief is - voor zover van belang - het volgende vermeld:

"In opgemelde zaak is de naheffingsaanslag hangende het beroep alsnog ingetrokken.

Gelet hierop is aan het beroep tegemoetgekomen. Het beroep wordt daarom ingetrokken. Uw rechtbank wordt evenwel gevraagd om [de heffingsambtenaar] te veroordelen in de kosten van deze procedure."

3.5.

Het beroep in de andere zaak (kenmerk ROT 17/4212) heeft belanghebbende niet ingetrokken.

3.6.

Beide partijen hebben toestemming gegeven aan de Rechtbank om op het kostenverzoek te beslissen zonder het houden van een zitting. Bij brief van 6 december 2017 heeft de griffier van de Rechtbank belanghebbende een vooraankondiging van de zitting gestuurd. Deze houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:

“Vooraankondiging

De rechtbank is voornemens het beroep op 28 februari 2018 in de ochtend te behandelen, in het gerechtsgebouw te Rotterdam.

U ontvangt daarvoor uiterlijk drie weken tevoren een uitnodiging. (…)

Als u naar aanleiding van deze brief vragen hebt, kunt u contact opnemen met de administratie van de rechtbank op het hierboven vermelde doorkiesnummer.”

Belanghebbende heeft deze brief ontvangen.

3.7.

De Rechtbank verstuurt daarna gewoonlijk - per gewone post - de uitnodiging voor de zitting met daarin datum, tijdstip en plaats van de zitting naar partijen. De heffingsambtenaar heeft de uitnodiging voor de zitting, gedagtekend 8 januari 2018, voorzien van datum, tijdstip en plaats van de zitting, ontvangen.

3.8.

Het onderzoek ter zitting van de Rechtbank heeft op 28 februari 2018 plaatsgevonden buiten aanwezigheid van belanghebbende en diens gemachtigde.

Oordeel van de Rechtbank

4. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

1. In beide zaken heeft [de heffingsambtenaar] een compromisvoorstel ten aanzien van de proceskosten gedaan. Dat voorstel heeft [belanghebbende] verworpen. Het voorstel is daarmee vervallen. Het is dus aan de rechtbank om hierover een oordeel te geven.

Zaak 17/4782

1. Belanghebbende] heeft het beroep in de zaak 17/4782 ingetrokken bij brief van 24 oktober 2017, waarin staat: “In opgemelde zaak is de naheffingsaanslag hangende het beroep alsnog ingetrokken. Gelet hierop is aan het beroep tegemoet gekomen. Het beroep wordt daarom ingetrokken. Uw rechtbank wordt evenwel gevraagd om [de heffingsambtenaar] te veroordelen in de kosten van deze procedure.”

2. De vraag die zich voordoet is of [de heffingsambtenaar] moet worden veroordeeld in de proceskosten op de voet van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.

2.1.

Dat artikellid bepaalt, voor zover van belang, het volgende:

In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.

2.2.

Anders dan [belanghebbende] veronderstelt is er geen sprake van dat [de heffingsambtenaar] aan hem is tegemoetgekomen. [Belanghebbende] heeft beroep ingesteld omdat [de heffingsambtenaar] hem in bezwaar geen proceskostenveroordeling had toegekend. In beroep heeft hij die proceskostenveroordeling (ook) niet van [de heffingsambtenaar] gekregen. Er is dus geen grond voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75a van de Awb.

(…)"

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

5.1.

In geschil is, evenals voor de Rechtbank, of de heffingsambtenaar moet worden veroordeeld in de proceskosten op de voet van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Belanghebbende beantwoordt de vraag bevestigend, de heffingsambtenaar ontkennend.

5.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank.

5.3.

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling

Uitnodiging onderzoek ter zitting

6.1.

Belanghebbende heeft gesteld dat zijn gemachtigde, noch hij de brief van 8 januari 2018 met de uitnodiging voor de zitting heeft ontvangen en derhalve niet op de juiste wijze is uitgenodigd voor de zitting bij de Rechtbank.

6.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de gemachtigde van belanghebbende de brief van 6 december 2017 wel heeft ontvangen. Naar het oordeel van het Hof kan deze brief evenwel niet worden aangemerkt als een uitnodiging als bedoeld in artikel 8:56 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze brief bevat immers geen uitnodiging, maar een aankondiging dat een zitting zal plaatsvinden op 28 februari 2018 in de ochtend. In deze brief is niet het tijdstip van de zitting vermeld, zodat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 8:56 Awb. Verder zijn partijen in deze brief, anders dan de artikelen 8:58, tweede lid, en 8:60, vierde lid, Awb voorschrijven, niet gewezen op hun bevoegdheid tot tien dagen voor de zitting nadere stukken in te dienen en getuigen en deskundigen mee te brengen of op te roepen. Aan al deze vereisten voldoet de brief van 8 januari 2018 wel, hetgeen meebrengt dat uitsluitend die brief kan worden aangemerkt als een uitnodiging als bedoeld in artikel 8:56 Awb.

6.3.

Indien een partij niet ter zitting van de Rechtbank is verschenen dient de uitspraak van de Rechtbank de feiten in te houden waaruit blijkt dat de aan deze partij gerichte uitnodiging voor die zitting tijdig en op regelmatige wijze op het betrokken adres is aangeboden. Indien die feiten in de uitspraak ontbreken en deze partij in hoger beroep aanvoert dat zij niet tijdig en op regelmatige wijze is uitgenodigd, volgt uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat die uitspraak dient te worden vernietigd (vgl. Hoge Raad 14 oktober 2011, nr. 10/05503, ECLI:NL:HR:2011:BT7458, BNB 2011/292, Hoge Raad 9 januari 2004, nr. 38 757, ECLI:NL:HR:2004:AO1504, BNB 2004/128 en Hoge Raad 11 oktober 2000, nr. 33 540, ECLI:NL:HR:2000:AA7410, BNB 2000/381).

6.4.

Belanghebbende heeft erover geklaagd dat hij of zijn gemachtigde de uitnodiging voor de zitting van de Rechtbank niet heeft ontvangen, waardoor hij zijn recht om de zitting bij te wonen niet heeft kunnen uitoefenen. Hij verzoekt op die grond de zaak terug te wijzen naar de Rechtbank.

6.5.

Nu in de uitspraak van de Rechtbank de feiten ontbreken waaruit blijkt dat (de gemachtigde van) belanghebbende tijdig en op regelmatige wijze is uitgenodigd voor de zitting, dient de uitspraak van de Rechtbank in beginsel te worden vernietigd.

6.6.

Het Hof ziet echter in dit geval geen reden de uitspraak van de Rechtbank te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar de Rechtbank. Op grond van artikel 8:115, eerste lid, letter b, Awb is een gerechtshof bevoegd de zaak terug te wijzen naar de rechtbank, indien het van oordeel is dat de zaak opnieuw door de rechtbank moet worden behandeld. Dit kan zich voordoen als het oordeel van het gerechtshof meebrengt dat de rechtbank ten onrechte belangrijke feitelijke kwesties niet heeft onderzocht (vgl. HR 14 september 2012, nr. 11/03243, ECLI:NL:HR:2012:BX7173, BNB 2012/276). In het onderhavige geval bestaat over de feiten geen geschil. Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil of de feiten ertoe leiden dat de heffingsambtenaar moet worden veroordeeld in de proceskosten op de voet van artikel 8:75a, eerste lid, Awb. Deze zaak behoeft dus niet opnieuw voor feitelijk onderzoek door de Rechtbank te worden behandeld. Het Hof zal de zaak zelf afdoen.

Compromis

6.7.

Belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het compromisvoorstel inzake de proceskostenvergoeding van de heffingsambtenaar is vervallen doordat hij het heeft verworpen. Belanghebbende voert daartoe aan dat hij met zijn brief van 24 oktober 2017 aan de Rechtbank heeft laten weten het voorstel van de heffingsambtenaar geaccepteerd te hebben door het beroep in te trekken.

6.8.

Voor zover belanghebbende meent dat hij met het intrekken van het beroep in de onderhavige zaak het compromisaanbod van de heffingsambtenaar heeft aanvaard, kan het Hof hem hierin niet volgen. Uit de tekst van de brief van 11 oktober 2017, waarin het compromisvoorstel is neergelegd, blijkt immers duidelijk dat dit betrekking heeft op beide beroepen die op dat moment aanhangig waren bij de Rechtbank. De in het voorstel aangeboden proceskostenvergoeding is bovendien berekend op basis van de samenhang tussen beide zaken. Bovendien is in het briefhoofd het kenmerk van beide beroepen vermeld. Nu belanghebbende niet beide beroepen heeft ingetrokken, is het aanbod niet aanvaard en is er derhalve geen compromis tot stand gekomen. Dit betekent dat de Rechtbank bevoegd was te oordelen over de vraag of de heffingsambtenaar ingevolge artikel 8:75a Awb veroordeeld dient te worden in de proceskosten.

Proceskosten 8:75a Awb

6.9.

Ingevolge artikel 8:75a Awb kan een bestuursorgaan worden veroordeeld in de proceskosten indien sprake is van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift tegemoet is gekomen.

6.10.

Van tegemoetkomen zoals bedoeld in artikel 8:75a Awb is sprake indien het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit geheel of gedeeltelijk neemt, tenzij dit besluit kennelijk is genomen op andere gronden dan de indiener van het beroepschrift heeft aangevoerd (ABRvS 3 juni 2015, nr. 201408769/1/A3, ECLI:NL:RVS:2015:1754, AB 2015/453). Uit het beroepschrift van belanghebbende volgt dat hij beroep heeft ingesteld om te bewerkstelligen dat hij een (integrale) vergoeding van de proceskosten toegekend zou krijgen.

6.11.

De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de heffingsambtenaar niet het door belanghebbende in beroep gewenste besluit (de toekenning van een (integrale) proceskostenvergoeding) heeft genomen en dat hij derhalve niet tegemoet is gekomen aan belanghebbende zoals bedoeld in artikel 8:75a Awb. De Rechtbank heeft hieraan terecht de conclusie verbonden dat geen grond bestaat om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten.

6.12.

Gelet op het hiervoor overwogene is het hoger beroep ongegrond.

Proceskosten

7. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra. De beslissing is op 16 januari 2019 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.