Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:89

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
200.228.460/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Affectieve relatie. Gemeenschappelijke woning. Overeenkomst verdeling woonlasten en een deel van de kosten van de huishouding. Man vraagt gelden terug die hij nadat partijen uiteengegaan zijn op de gemeenschappelijke rekening heeft gestort conform deze overeenkomst ter dekking van die kosten. Hof wijst die vordering af. Wel wordt de ingangsdatum waarbij de rechtbank de overeenkomst heeft gewijzigd - in die zin dat partijen vanaf enig moment de eigenaarslasten gezamenlijk dragen - gewijzigd van datum bestreden vonnis per datum van de inleidende dagvaarding in 2016.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.228.460/02

Zaak- rolnummer rechtbank : C/10/494501/HA ZA 16-125

arrest van 15 januari 2019

inzake

[de man]

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. V.K.S. Deetman te Dordrecht,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. H.D. van den Berg, te Dordrecht.

Het verloop van het geding

De man is op 21 november 2017 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 2017 tussen de partijen gewezen.

Bij memorie van grieven heeft de man 5 grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven weersproken en in incidenteel appel heeft zij gevorderd de man te veroordelen in de proceskosten in beide instanties.

De man heeft zijn procesdossier (met instemming van de vrouw) gefourneerd en arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grieven zijn geformuleerd gaat het hof uit van de feiten zoals deze door de rechtbank in het bestreden vonnis zijn vastgesteld.

Bestreden vonnis 30 augustus 2017

2. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis als volgt beslist: “wijzigt met ingang van de datum van dit vonnis de tussen partijen getroffen regeling (hiervoor onder 2.1.4 omschreven) aldus dat de eigenaarslasten van de woning (hypotheekrente, premies van een aan de hypotheek verbonden levensverzekering, OZB, waterschap, opstalverzekering) door ieder van partijen bij helfte worden gedragen en dat [de man] overigens geen bijdrage aan [de vrouw] is verschuldigd, afgezien van een door de rechtbank vast te stellen uitkering ter voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind een] en [kind twee] ;”. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

Vordering man

3. De man vordert dat het dit hof moge behagen bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

te vernietigen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 2017 en, opnieuw rechtdoende de vorderingen van de man alsnog toe te wijzen, met dien verstande dat de wijze waarop de rechter in eerste aanleg de overeenkomst wijzigt in stand blijft;

de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg en van het geding in appel en te bepalen dat de vrouw de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zal zijn als zij de proceskosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen arrest heeft voldaan.

Enige relevante achtergrond informatie

4. Partijen hebben een affectieve relatie gehad uit welke relatie twee kinderen zijn geboren te weten [kind een] [in] 2000 en [kind twee] op [in] 2003. Partijen wonen sedert 17 augustus 2012 niet meer samen. Partijen hadden een woonhuis in mede-eigendom te [plaatsnaam] , welk huis op 31 oktober 2017 is verkocht voor een bedrag van € 597.000,-. Beide partijen hebben uit de opbrengst van deze woning een bedrag ontvangen van € 190.773,-. In de periode vanaf 17 augustus 2012 tot en met de datum verkoop heeft de vrouw met de kinderen in de woning gewoond.

5. De man stelt dat partijen tijdelijke afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de woonkosten en voor een deel de kosten van de huishouding.

6. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 28 november 2013 is de man veroordeeld om met ingang van 1 juli 2013 zijn salaris minus € 250 per maand te storten op de gezamenlijke rekening van partijen met nummer [rekeningnummer] zolang de woning te [plaatsnaam] niet is verkocht en geleverd aan derden, onder verrekening van de bedragen die de man sinds 1 juli 2013 heeft overgemaakt op de gezamenlijke rekening ter voldoening van de vaste lasten.

7. Bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 5 augustus 2015 heeft de voorzieningenrechter onder meer overwogen: “De tussen partijen getroffen regeling is naar zijn aard en strekking bedoeld geweest als een regeling van tijdelijke aard....Nu echter.....is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vrouw in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt wanneer zij onverkorte nakoming van de toentertijd tussen partijen gesloten overeenkomst verlangt.”.

8. De man heeft in zijn inleidende dagvaarding in eerste aanleg gesteld dat de vrouw haar verplichtingen voortvloeide uit de overeenkomst niet nakomt. Het hof verwijst naar randnummer 15 van de inleidende dagvaarding. Door het niet nakomen door de vrouw heeft de man een hoger bedrag gestort op de gezamenlijke bankrekening dan waartoe hij gehouden was. Subsidiair beroept de man zich op een door de vrouw jegens hem gepleegde onrechtmatige daad.

9. Voorts volgt uit de inleidende dagvaarding in eerste aanleg dat de man per datum dagvaarding zijnde 20 januari 2016 de tussen partijen gesloten overeenkomst wenst te wijzigen.

Natuurlijke verbintenis?

10. De man voert in zijn derde grief aan dat de vrouw zich in haar conclusie van antwoord niet op een natuurlijke verbintenis heeft beroepen. De man is van mening dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. Voorts is de man van mening dat er geen sprake is van een natuurlijke verbintenis aangezien partijen met elkaar een overeenkomst hebben gesloten. Tot slot heeft de man op blz. 4 van zijn memorie van grieven nog gesteld dat er ook op basis van de door hem gestelde feiten en omstandigheden niet geoordeeld kan worden dat er sprake is van een dringende verplichting van moraal en fatsoen.

11. De vrouw is van mening dat de rechtbank niet buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden. In randnummer 15 stelt de vrouw primair dat er sprake is van een rechtens afdwingbare afspraak. Subsidiair is zij van mening dat er weldegelijk sprake is van een natuurlijke verbintenis.

12. Het hof overweegt als volgt. Indien een beroep wordt gedaan op een natuurlijke verbintenis dient degene die dat beroep doet feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waarom naar objectieve maatstaven bezien voldaan is aan een natuurlijke verbintenis. De vrouw heeft in haar conclusie van antwoord geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden geoordeeld dat voldaan is aan een natuurlijke verbintenis. De vrouw stelt zelf dat er primair sprake is van een rechtens afdwingbare verplichting. Eerst in hoger beroep stelt zij subsidiair dat er sprake is van een natuurlijke verbintenis van de man jegens haar en beroept zich op feiten en omstandigheden. Nu er echter in de visie van beide partijen een overeenkomst is gesloten met betrekking tot de (financiële) afwikkeling van de samenleving is er voor het aannemen van een natuurlijke verbintenis geen plaats meer. De grief van de man treft in zoverre doel.

De grondslag van de vordering van de man?

13. Het hof begrijpt uit de toelichting op de grieven in samenhang bezien met het petitum dat de man geld van de vrouw wenst terug te krijgen met betrekking tot gelden die hij nadat partijen feitelijk uit elkaar zijn gegaan op de gemeenschappelijke rekening heeft gestort.

14 . De man stelt in randnummer 12 dat partijen inderdaad tijdelijke afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de woonkosten en voor een deel de kosten van de huishouding. De man geeft een opsomming van hetgeen partijen met elkaar zijn overeengekomen. De kernafspraak is dat de man zijn salaris onder inhouding van een bedrag van € 250 zou storten op de gemeenschappelijke rekening van partijen.

15. De man stelt op blz. 4 van zijn memorie van grieven dat de vrouw de afspraken niet nakomt. De man geeft daarvan geen specifieke onderbouwing.

16. In randnummer 12 van de memorie van antwoord stelt de vrouw dat partijen niet met elkaar zijn overeengekomen dat zij bedragen op de gemeenschappelijke rekening zou storten. Volgens de vrouw was de bijdrage van de man voldoende om alle vaste woongerelateerde kosten te voldoen, maar heeft zij andere kosten zoals onderhoud van woning, tuin etc. betaald. Het hof verwijst naar randnummer 13 van haar memorie van antwoord.

17. Het hof overweegt als volgt. Partijen hebben in het kader van de beëindiging van hun samenleving de materiële gevolgen zo goed mogelijk proberen te regelen. In dat kader hebben zij een tijdelijke regeling getroffen en wel in die zin dat de man zijn salaris – onder inhouding van € 250,- zou storten op de gemeenschappelijke rekening ter delging van een aantal kosten.

Een redelijke uitleg van deze overeenkomst brengt met zich mede dat de vrouw over de gezamenlijke rekening gestorte bedragen kon beschikken ter delging van de kosten van de woning en de kosten van de huishouding van de vrouw en de kinderen. Door het storten van het geld op de rekening heeft de man in ieder geval de schijn gewekt dat de vrouw over die gelden kon beschikken mede in het licht bezien van de gemaakte afspraken. Gezien de omvang van de stortingen acht het hof het aannemelijk dat de vrouw die bedragen heeft aangewend ter delging van kosten van de woning en het levensonderhoud. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat de vrouw in strijd met de afspraak heeft gehandeld.

Ingangsdatum wijziging overeenkomst

18. De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank om de overeenkomst tussen partijen - inhoudende dat de man zijn salaris onder inhouding van een bedrag van € 250,- zou storten op de gemeenschappelijke rekening ter delging van de woonlasten en de kosten van de kinderen - te wijzigen per datum bestreden vonnis. De man is van mening dat de overeenkomst moet worden gewijzigd per datum dagvaarding zijnde 20 januari 2016.

19. De vrouw acht het niet redelijk en billijk dat er een andere ingangsdatum wordt gehanteerd dan het vonnis van de rechtbank.

20. Het hof overweegt als volgt. Overeenkomsten dienen nagekomen te worden met inachtneming van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Wat redelijk en billijk is, is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden van het concrete geval. Uit de door de vrouw zelf gestelde feiten en omstandigheden volgt dat zij in het kader van de verdeling van de woning een bedrag heeft ontvangen van ruim € 190.000,-. Voorts volgt uit de door haar gestelde gegevens dat zij in 2016 al over een inkomen beschikte. De man heeft vanaf 1 juli 2013 nagenoeg zijn gehele salaris beschikbaar gesteld. Gelet op de strekking van de overeenkomst was deze afspraak van tijdelijk aard. Indien de man een wijziging van de overeenkomst wenst per datum dagvaarding heeft hij ruim tweeëneenhalf jaar voldaan aan de overeenkomst. Gezien dat tijdsverloop, het feit dat de man mede betaalde ten behoeve van het levensonderhoud van de vrouw waarvoor hij geen onderhoudsplicht had en de overige vorenstaande feiten en omstandigheden acht het hof het redelijk en billijk dat beide partijen vanaf de dag der dagvaarding de eigenaarslasten van de woning gemeenschappelijk dragen. De grief van de man treft doel.

Overige grieven

21. Hetgeen de man overigens in zijn memorie van grieven heeft gesteld acht het hof niet relevant voor het onderhavige oordeel.

Gedeeltelijke vernietiging

22. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen dient het bestreden vonnis alleen te worden vernietigd voor zover het betreft de ingangsdatum van de wijziging van de tussen partijen getroffen regeling.

Proceskosten

23. Gezien het feit dat partijen een jarenlange relatie met elkaar hebben acht het hof het redelijk en billijk dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van 30 augustus 2017 van de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen voor zover het betreft de ingangsdatum van wijziging van de tussen partijen getroffen regeling en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt met ingang van 20 januari 2016 de tussen partijen getroffen regeling zoals vermeld onder punt 2.1.4 van het bestreden vonnis genoemde regeling;

bekrachtigt het bestreden vonnis van 30 augustus 2017 van de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen voor het overige;

compenseert de proceskosten en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht .

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, A.H.N. Stollenwerck en A.E. Sutorius-van Hees, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 januari 2019 in aanwezigheid van de griffier.