Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:879

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-04-2019
Datum publicatie
25-04-2019
Zaaknummer
BK-18/01133
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:13721, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil, in zoverre net als voor de Rechtbank, of het BPM-tarief van 2015 geldt, wat belanghebbende bepleit, dan wel dat van 2016, wat de Inspecteur voorstaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-04-2019
V-N Vandaag 2019/970
FutD 2019-1183
V-N 2019/32.1.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-18/01133

Uitspraak van 19 april 2019

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/BPM backoffice, kantoor Emmen, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 13 november 2018, nr. SGR 18/3123.

Overwegingen

1. Belanghebbende heeft op 8 mei 2017 voor de registratie van een gebruikte, uit Duitsland afkomstige en in 2015 geproduceerde, personenauto, een Land Rover Discovery met als eerste toelating in Duitsland 10 februari 2016, op aangifte, gedaan op 2 mei 2017, € 15.787 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM), berekend naar het tarief in 2015, voldaan. De Inspecteur is van opvatting dat het in 2016 geldende tarief van toepassing is en heeft belanghebbende een naheffingsaanslag BPM van € 2.555 en bij beschikking een verzuimboete van € 222 opgelegd. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd, de boetebeschikking vernietigd en belanghebbende een proceskostenvergoeding van € 498 toegekend.

2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur die ziet op de naheffingsaanslag beroep bij de Rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 338 is geheven. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag verminderd tot € 1.403, de Inspecteur veroordeeld in de aan belanghebbende te betalen proceskosten van € 1.002 en de Inspecteur opgedragen het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

3. Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 508 is geheven. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgehad in Den Haag ter zitting van het Hof van 5 april 2019. Partijen zijn verschenen.

4. De Rechtbank heeft overwogen:

"(…)

4. In geschil is of [de Inspecteur] terecht het in 2016 geldende tarief heeft toegepast. Niet in geschil is dat [de Inspecteur] is uitgegaan van een te laag bedrag aan afschrijving in verband met de tijd die is verstreken tussen de datum van de aangifte en de datum van de registratie van de auto (de extra leeftijdskorting). Reeds om die reden is het beroep gegrond en dient de naheffingsaanslag te worden verminderd tot een te betalen bedrag aan Bpm van € 1.403.

5. [ Belanghebbende] heeft gewezen op een tiental andere Land Rover Discovery’s (de referentievoertuigen) met datum eerste toelating in de eerste twee maanden van 2016 waarbij het Bpm tarief van 2015 is toegepast. [De Inspecteur] heeft verklaard dat op grond van artikel 16a van de Wet Belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet Bpm) voor de referentievoertuigen het in 2015 geldende tarief is toegepast. [Belanghebbende] stelt zich, onder verwijzing naar artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU), op het standpunt dat [de Inspecteur] door artikel 16a van de Wet Bpm niet analoog toe te passen ten behoeve van de registratie van de auto, handelt in strijd met het Unierecht.

6. De rechtbank acht de verklaring van [de Inspecteur] aannemelijk dat de referentievoertuigen op grond van artikel 16a Wet Bpm reeds in 2015 in het kentekenregister zijn ingeschreven zonder tenaamstelling en in 2016 op naam zijn gesteld. Het is vervolgens aan [belanghebbende] om aannemelijk te maken dat ook de auto reeds in 2015 op kenteken is gezet. [Belanghebbende] is daar niet in geslaagd. De enkele omstandigheid dat de auto reeds in 2015 is geproduceerd, brengt niet mee dat in dat jaar ook al een kenteken is afgegeven. De auto valt daarmee niet onder de regeling van artikel 16a van de Wet Bpm. Van handelen in strijd met artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU) is daarom geen sprake. [De Inspecteur] is, met inachtneming van artikel 10b van de Wet Bpm, terecht uitgegaan van het tarief van 2016, zijnde het jaar van de datum eerste toelating in Duitsland (vgl. gerechtshof Den Haag 18 mei 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1300).

7. Gelet op wat is overwogen bij 4. is het beroep gegrond.

8. Zoals ter zitting door [de Inspecteur] is erkend, had de extra leeftijdskorting reeds bij de aanslagoplegging kunnen worden toegepast. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat [belanghebbende] de extra leeftijdskorting pas in de beroepsfase ter sprake heeft gebracht dan ook geen aanleiding om een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase achterwege te laten. De rechtbank veroordeelt [de Inspecteur] in de door [belanghebbende] gemaakte proceskosten en stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1)."

5. In hoger beroep is in geschil, in zoverre net als voor de Rechtbank, of het BPM-tarief van 2015 geldt, wat belanghebbende bepleit, dan wel dat van 2016, wat de Inspecteur voorstaat. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

6. De rond de (registratie van de) auto beschikbare gegevens wijzen naar 's Hofs oordeel uit dat de Rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat de Inspecteur bij het vaststellen van de verschuldigde BPM terecht is uitgegaan van het in 2016 geldende tarief. De overwegingen van de Rechtbank overnemend is het Hof met de Inspecteur van oordeel dat, nu de auto in 2017 op kenteken is gezet, op grond van artikel 10b van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM) het tarief van 2016 geldt en niet op grond van artikel 16a Wet BPM het tarief van 2015. Belanghebbende heeft, ook in hoger beroep, niets aangevoerd of ingebracht dat een andere conclusie rechtvaardigt. In geen van de stellingen die belanghebbende in beroep en in hoger beroep over nationale en Unierechtelijke rechtsregels, waaronder artikel 110 VWEU, heeft aangevoerd, noch anderszins ziet het Hof, de afweging door de Rechtbank volgend, een grond belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk te stellen. Opmerking verdient dat, zo al in de sfeer van de BPM een vergelijking is te maken tussen de auto en de door belanghebbende opgevoerde referentievoertuigen - belanghebbende wijst in het bijzonder op de in bijlage 2 bij het hogerberoepschrift gevoegde lijst vermelde nieuwe auto’s in gebruikte staat op het moment waarop de auto’s op naam zijn gesteld van de tweede kopers - de BPM-druk van de auto alleen hoger is als gevolg van een tariefverhoging en die omstandigheid brengt, gelet ook op doel en strekking van artikel 16a Wet BPM, geen schending van het gelijkheidsbeginsel of artikel 110 VWEU mee.

7. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

8. Het Hof ziet geen reden een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 19 april 2019 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.