Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:843

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
19-04-2019
Zaaknummer
200.217.033/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Einde affectieve samenleving. Opvolgende woningen eigendom van de man. Overeenkomst financiële afwikkeling woning A. In geschil of die ook betrekking heeft op de latere woning B. Haviltex-criterium. Verrekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.217.033/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/491225 / HA ZA 15-739

arrest van 5 maart 2019

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in het principaal beroep,

geïntimeerde in het incidenteel beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.C.J.G. Kathmann te Breda,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal beroep,

appellant in het incidenteel beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. I.J. Pieters te Leiden.

Het geding

Bij exploot van 24 mei 2017 is de vrouw in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 1 maart 2017, hierna: het bestreden vonnis.

Bij memorie van grieven met producties heeft de vrouw vier grieven aangevoerd.

Bij memorie van antwoord met producties heeft de man de grieven bestreden en tevens incidenteel appel ingesteld.

De vrouw heeft hierop gereageerd bij memorie van antwoord in incidenteel appel met producties.

Vervolgens hebben partijen op 10 augustus 2018 de zaak doen bepleiten, de vrouw door mr. M.C.J.G. Kathmann, advocaat te Breda, en de man door mr. I.J. Pieters, advocaat te Leiden, de advocaat van de man aan de hand van overgelegde pleitnotities. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en is arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het tussenvonnis van 17 februari 2016 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan.

2. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad en voor zover hier van belang:

  • -

    onder 3.1 de vrouw onder meer veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 37.263,- te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding (16 juni 2015) tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    onder 3.2 de vrouw veroordeeld tot vergoeding aan de man van de door de man na 16 juni 2015 betaalde bedragen aan rente en aflossing ter zake de bij de Rabobank afgesloten annuïteitenhypotheek met leningnummer [volgt nummer] , te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf het moment dat de man het bewuste bedrag aan de bank heeft betaald;

  • -

    onder 3.3 de vrouw veroordeeld om te bewerkstelligen dat de man binnen drie maanden na het vonnis wordt ontslagen van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de in 3.2 genoemde lening;

  • -

    onder 3.4 de vrouw veroordeeld om, totdat het ontslag van de man van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de in 3.2 genoemde lening is bewerkstelligd, het maandelijks verschuldigde bedrag aan rente en aflossing van € 439,53 en de eventuele overige kosten verbonden aan deze lening rechtstreeks aan de bank te voldoen, op straffe van een aan de man verschuldigde dwangsom van € 50,- per dag/dagdeel dat zij hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 45.000,-.

De proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

3. De vrouw vordert bij vonnis in hoger beroep, het hof begrijpt: arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis, voor zover het de veroordeling van de vrouw onder 3.1, 3.2, 3.3 en 3.4 betreft te vernietigen, het hof begrijpt: voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw rechtdoende:

de man in zijn vorderingen in conventie niet-ontvankelijk te verklaren, althans de vorderingen in conventie van de man ongegrond te verklaren, althans de vorderingen in conventie van de man af te wijzen;

primair:

vast te stellen dat bij verkoop van de woning, het hof begrijpt: [Plaatsnaam A], de privéschuld van de vrouw van € 50.000,- is verrekend met het aan de vrouw toekomende aandeel in de meerwaarde van de woning [Plaatsnaam A] van
€ 42.366,80;

subsidiair:

vast te stellen dat na verrekening van de schuld van de vrouw aan de man ten bedrage van € 50.000,- -/- p.m. (reeds gedane aflossingen) met de vordering van de vrouw op de man ten bedrage van € 42.366,80 + p.m. (wettelijk rente) een vordering van de vrouw op de man dan wel een schuld van de vrouw aan de man resteert van € 50.000,- -/- p.m. (reeds gedane aflossingen) -/- € 42.366,80 -/- p.m. (wettelijke rente) = € 7.633,20 -/- p.m., althans een bedrag als het hof in goede justitie vermeent te behoren, door de schuldenaar te betalen binnen één week na de datum van het arrest van het hof, althans te betalen binnen een andere termijn als het hof in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag met ingang van de datum van het arrest van het hof tot aan de datum van algehele voldoening, dan wel met ingang van een andere datum als het hof in goede justitie vermeent te behoren;

primair en subsidiair:

vast te stellen dat het bepaalde in de verrekenovereenkomst d.d. 15 maart 2007 niet van overeenkomstige toepassing is op de woning [Plaatsnaam B] , zodat de waardeverandering van de woning [Plaatsnaam B] voor rekening en risico is van de man, dan wel te oordelen als het in goede justitie vermeent te behoren;

de man te veroordelen de kosten van de diverse onrechtmatige (derden)beslagen en de door deze beslagen veroorzaakte schade aan de vrouw te vergoeden, althans een bedrag als het hof in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag met ingang van de datum van het arrest van het hof tot aan de datum van algehele voldoening, dan wel met ingang van een andere datum als het hof in goede justitie vermeent te behoren;

de man te veroordelen in de kosten van het geding, althans kosten rechtens, althans een bedrag als het hof in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag met ingang van de datum van het arrest van het hof tot aan de datum van algehele voldoening, dan wel met ingang van een andere datum als het hof in goede justitie vermeent te behoren.

4. De man concludeert dat het het hof moge behagen bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

IN PRINCIPAAL APPEL

de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen in hoger beroep dan wel die vorderingen af te wijzen en het bestreden vonnis te bekrachtigen, zo nodig met verbetering van gronden;

IN INCIDENTEEL APPEL

het bestreden vonnis voor zover uitgemond in de dicta 3.1 tot en met 3.4 te vernietigen, het hof begrijpt: voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw rechtdoende:

  • -

    de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 78.708,- te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding (16 juni 2015) tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van de bedragen ad € 37.475,12 en
    € 96,18, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf het moment dat de man deze bedragen aan de bank heeft betaald tot aan de dag der algehele voldoening;

IN BEIDE

de vrouw te veroordelen in de proceskosten van beide instanties, te voldoen binnen 14 dagen na de dag dat het arrest gewezen wordt, althans de vrouw te veroordelen in de kosten van dit hoger beroep, in beide gevallen te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de dag dat het arrest gewezen wordt tot de dag der voldoening, alsmede de nakosten begroot op een bedrag ad € 131,- voor zover de man niet tot betekening hoeft over te gaan, dan wel indien betekening van het arrest plaatsvindt een bedrag van € 199,-.

5. De vrouw verweert zich daartegen en vordert bij arrest in hoger beroep, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    de man op grond van al hetgeen in de memorie van antwoord in incidenteel appel naar voren is gebracht in zijn vorderingen in het incidenteel hoger beroep bij het hof niet-ontvankelijk te verklaren, althans die vorderingen in het incidenteel hoger beroep van de man af te wijzen;

  • -

    de man te veroordelen in de kosten van de diverse onrechtmatige (derden)beslagen en de door deze beslagen veroorzaakte schade aan de vrouw te vergoeden, althans een bedrag als het hof in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag met ingang van de datum van het arrest van het hof tot aan de datum van algehele voldoening, dan wel met ingang van een andere datum als het hof in goede justitie vermeent te behoren;

  • -

    de man te veroordelen in de kosten van het geding, althans kosten rechtens, althans een bedrag als het hof in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag met ingang van de datum van het arrest van het hof tot aan de datum van algehele voldoening, dan wel met ingang van een andere datum als het hof in goede justitie vermeent te behoren.

Procesrechtelijk

6. Anders dan de man kennelijk meent, heeft een appellant die in zijn appeldagvaarding niet tevens de vernietiging heeft gevorderd van de aan het beroepen vonnis voorafgaande tussenvonnissen, in het algemeen de vrijheid om niettemin bij de nadere omlijning van zijn hoger beroep in zijn memorie van grieven ook grieven te richten tegen beslissingen in deze voorafgaande tussenvonnissen, indien deze nog niet in een eerder appel door hem zijn bestreden en voor zover zij niet, doordat daarin aan enig deel van het gevorderde door een uitdrukkelijk dictum een einde is gemaakt, tevens een eindvonnis zijn (vgl. HR 22 oktober 1993, NJ 1994, 509 en HR 26 oktober 2001, NJ 2001/665).

7. Het staat de vrouw derhalve vrij in haar hoger beroep alsnog grieven te richten tegen de beslissingen in het tussenvonnis van de rechtbank Den Haag van 17 februari 2016. Zij is ontvankelijk in haar hoger beroep ter zake.

Inleiding

8. Het gaat in deze zaak om het volgende. Partijen hebben een affectieve relatie gehad en vanaf 2002 samengewoond. Zij hebben achtereenvolgens eerst in een woning te [Plaatsnaam B] (de oude woning [Plaatsnaam B] ) gewoond, vervolgens in een woning te [Plaatsnaam A] (de woning [Plaatsnaam A] ) en ten slotte weer in een (andere) woning te [Plaatsnaam B] (de nieuwe woning [Plaatsnaam B] ). De man was enig eigenaar van de achtereenvolgende woningen. Naar aanleiding van de koop door en de levering van de woning [Plaatsnaam A] aan de man, hebben partijen op 15 maart 2007 bij twee afzonderlijke notariële akten een samenlevingscontract en een verrekenovereenkomst gesloten.

9. In artikel 1 van de verrekenovereenkomst is - kort gezegd - vastgelegd dat de meerwaarde/minderwaarde van de woning [Plaatsnaam A] door partijen zal worden gedeeld in de verhouding 40% voor de vrouw en 60% voor de man. Deze regeling wordt blijkens deze verrekenovereenkomst gerechtvaardigd door de redelijkheid en billijkheid en de verstrengeling van uitgaven van partijen, terwijl daarbij ook rekening is gehouden met het feit dat de man voor een bedrag van € 136.706,-, zijnde de overwaarde van zijn vorige woning (de oude woning [Plaatsnaam B] ), aan privévermogen in de woning [Plaatsnaam A] heeft geïnvesteerd. De verkrijging is voor het overige gefinancierd door een gezamenlijk gesloten hypothecaire geldlening. De samenwoning van partijen is op 1 oktober 2013 verbroken.

Het geschil

10. Tussen partijen is ter zake de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun beëindigde affectieve relatie in geschil:

- de verdeling/draagplicht van de waardeveranderingen van de woning [Plaatsnaam A] en de nieuwe woning [Plaatsnaam B] ;

- de draagplicht met betrekking tot de rente en aflossing van de bij de Rabobank ten behoeve van de nieuwe woning [Plaatsnaam B] afgesloten annuïteitenhypotheek met leningnummer [volgt nummer] .

11. Het hof zal de grieven van partijen zoveel mogelijk gezamenlijk behandelen.

Standpunten partijen inzake waardeverandering woningen

12. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij op grond van de verrekenovereenkomst van 15 maart 2007 tussen partijen ter zake de woning [Plaatsnaam A] nog recht heeft op een bedrag van € 42.366,80, zijnde 40% van de meerwaarde van die woning. Zij gaat er primair vanuit dat dit bedrag bij de verkoop van de woning [Plaatsnaam A] is verrekend met haar tijdens de samenleving bestaande privéschuld van € 50.000,- wegens een doorlopend krediet, waarvan een bedrag van € 30.000,- verband hield met het eigen bedrijf van de vrouw [volgt naam] ”. Indien geen sprake zou zijn van voormelde verrekening, heeft zij ten gevolge van de verkoop nog een vordering van € 42.366,80 op de man, waarover op grond van artikel 8 van de verrekenovereenkomst de wettelijke rente is verschuldigd. Dan wel moet de man worden geacht het aan de vrouw toekomende aandeel in de meerwaarde van de woning [Plaatsnaam A] te hebben geïnvesteerd in de nieuwe woning [Plaatsnaam B] , zodat de vrouw op grond van artikel 5 lid 1 van het samenlevingscontract een renteloze vordering tot vergoeding van het bedrag van € 42.366,80 op de man heeft.

13. Volgens de man heeft de vrouw nooit gevraagd om tussentijdse uitbetaling van haar aandeel in de meerwaarde van de woning [Plaatsnaam A] . Evenmin is gebleken dat zij daarmee haar privéschuld van 50.000,- wilde aflossen of dat deze zou zijn afgelost door middel van verrekening. Die privéschuld is met haar medeweten en instemming omgezet in een nieuwe hypothecaire lening verbonden met de door partijen gezamenlijk te bewonen nieuwe woning [Plaatsnaam B] (annuïteitenhypotheek [volgt nummer] ). Voorts heeft de vrouw meegetekend voor de overige hypothecaire leningen ter zake die woning en heeft zij specifieke betalingen verricht conform de bestaande afspraken in het samenlevingscontract en de verrekenovereenkomst. In de optiek van de man heeft de vrouw gelet op het vorenstaande bewust gekozen voor het continueren van de verrekenovereenkomst van 15 maart 2007 zodat deze ook op de nieuwe woning [Plaatsnaam B] van toepassing is. Daarom dient zij conform die overeenkomst 40% van de waardevermindering van die laatste woning aan de man te vergoeden. Zij kan geen aanspraak meer maken op vergoeding van het bedrag van € 42.366,80 dat haar ter zake de woning [Plaatsnaam A] toekwam, aangezien zij dat bedrag heeft geïnvesteerd in de nieuwe woning [Plaatsnaam B] en die investering door de waardedaling van die laatste woning is verdampt, aldus de man.

Vaststelling meerwaarde woning [Plaatsnaam A]

14. Het hof stelt het volgende voorop. Tussen partijen is in confesso dat de verrekenovereenkomst van 15 maart 2007 in ieder geval ziet op de woning [Plaatsnaam A] . Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het bedrag ter zake de meerwaarde van de woning [Plaatsnaam A] dat de vrouw toekomt 40% (waarde woning=€ 650.000,- minus verkrijgingsprijs woning=€ 544.083,-) = € 42.366,80 bedraagt, zoals eveneens door de vrouw is berekend. Immers, de waarde van de woning is niet in geschil en partijen hebben in de verrekenovereenkomst onder artikel 6 de verkrijgingsprijs van de woning vastgesteld op
€ 544.083,-. Dat de man thans meent dat de verkrijgingsprijs kennelijk anders moet worden berekend (randnummers 26 en 27 memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel) kan daaraan niet afdoen. De man heeft aan zijn stellingen ter zake geen concrete consequenties verbonden en heeft evenmin incidenteel appel ingesteld tegen het door de rechtbank berekende bedrag van de meerwaarde.

Verrekenovereenkomst ook van toepassing op nieuwe woning [Plaatsnaam B] ?

15. Vervolgens is aan de orde of - zoals de rechtbank heeft geoordeeld - partijen stilzwijgend zijn overeengekomen dat de bepalingen van de verrekenovereenkomst van 15 maart 2007 niet alleen op de woning [Plaatsnaam A] maar tevens op de nieuwe woning [Plaatsnaam B] van toepassing zijn en zij aldus tevens stilzwijgend een nadere afspraak hebben gemaakt ten aanzien van die woning als bedoeld in artikel 5 lid 1 tweede alinea van het samenlevingscontract. Dit zou meebrengen dat de vrouw 40% van de waardevermindering van die woning per 1 oktober 2013 - de datum waarop partijen uit elkaar zijn gegaan - aan de man dient te vergoeden en geen aanspraak meer kan maken op het bedrag van € 42.366,80 dat haar wegens de verdeling van de meerwaarde van de woning [Plaatsnaam A] toekwam.

16. De uitleg van het samenlevingscontract en de verrekenovereenkomst dient te geschieden aan de hand van het zogenaamde Haviltex-criterium. Dit houdt in dat de vraag hoe bepalingen in overeenkomsten moeten worden uitgelegd, niet beantwoord kan worden op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg. Voor de beantwoording van die vraag komt het tevens aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van partijen kan worden verwacht. Ook komt betekenis toe aan de context van de desbetreffende bepaling, de totstandkomingsgeschiedenis ervan, de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene of andere uitleg, de aard van de overeenkomst, en de gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst.

17. Anders dan de rechtbank komt het hof tot het oordeel dat de bepalingen van de verrekenovereenkomst niet van toepassing zijn op de nieuwe woning [Plaatsnaam B] . Het hof overweegt daartoe dat partijen eerst het samenlevingscontract hebben gesloten. Artikel 5 lid 1 tweede alinea van dat contract bepaalt - kort gezegd - dat indien een door partijen gezamenlijk te bewonen woning slechts eigendom is/wordt van een hunner, zij daaromtrent nadere afspraken kunnen maken bij afzonderlijke overeenkomst. Partijen hebben vervolgens - overeenkomstig het voormelde artikel - de van het samenlevingscontract afgeleide verrekenovereenkomst gesloten uitsluitend en specifiek met betrekking tot de woning [Plaatsnaam A] , zoals duidelijk blijkt uit de inhoud van de considerans van die overeenkomst. In de daarop volgende tekst van de overeenkomst wordt de woning [Plaatsnaam A] consequent aangeduid met de term ‘deze woning’ en wordt onder andere de specifieke verkrijgingsprijs van de woning [Plaatsnaam A] door partijen vastgesteld op € 544.083,-.

18. Voor de nieuwe woning [Plaatsnaam B] kan derhalve niet worden teruggegrepen op de bepalingen van de verrekenovereenkomst van 15 maart 2007, die - zoals hiervoor reeds is overwogen - uitsluitend betrekking heeft op de woning [Plaatsnaam A] en een andere verkrijgingsprijs. Immers, volgens voormelde hoofdregel van het samenlevingscontract is voor het maken van nadere afspraken met betrekking tot de nieuwe woning [Plaatsnaam B] - waarvan de man eveneens enig eigenaar is - een afzonderlijke overeenkomst nodig. Partijen hebben om hun moverende redenen er kennelijk van afgezien een dergelijke overeenkomst aan te gaan.

19. Uit de enkele omstandigheid dat gedurende de periode dat partijen samenwoonden in de nieuwe woning [Plaatsnaam B] de vrouw nog enige malen in de verdeelsleutel 40% vrouw/60% man heeft bijgedragen in onder meer de kosten van de gezamenlijk bewoonde woning, volgt naar het oordeel van het hof niet dat partijen dan ook enige vorm van economisch eigendom met betrekking tot die woning zijn overeengekomen.

20. Voor zover partijen zich ter zake de nieuwe woning [Plaatsnaam B] beroepen op de bepalingen in het samenlevingscontract overweegt het hof als volgt. Artikel 5 lid 1 vanaf de derde alinea tot en met artikel 5 lid 3 (‘In dat geval …. ieder voor de alsdan overeengekomen delen’) van dit contract ziet naar het oordeel van het hof louter op het geval dat de woning door partijen in gemeenschappelijke eigendom is verkregen, ieder voor dat gedeelte als bij de aankoop wordt bepaald. Als de woning eigendom is van één van partijen kunnen de onderhavige bepalingen alleen bij afzonderlijke overeenkomst van overeenkomstige toepassing worden verklaard, hetgeen in casu niet is gebeurd. Dit brengt mee dat de bepalingen onder het kopje “EIGEN WONING “ van het samenlevingscontract niet van toepassing zijn op de nieuwe woning [Plaatsnaam B] .

21. Het hof stelt ten slotte vast dat het samenlevingscontract en de verrekenovereenkomst beide bij notariële akte zijn vastgelegd. Het hof acht het aannemelijk dat de notaris destijds aan partijen de verplichte toelichting heeft gegeven en hen heeft gewezen op de rechtsgevolgen van de daarin vastgelegde afspraken.

22. Uit dit alles volgt dat partijen geen verrekenovereenkomst hebben gesloten met betrekking tot de nieuwe woning [Plaatsnaam B] , zodat de vrouw de man niets verschuldigd is ter zake een waardedaling van deze woning. Wel heeft de vrouw op grond van de verrekenovereenkomst van 15 maart 2007 ter zake de woning [Plaatsnaam A] nog een vordering op de man van
€ 42.366,80. Krachtens artikel 8 van die overeenkomst dient de uitbetaling daarvan bij de levering van de woning aan derden plaats te vinden en heeft de vrouw recht op vergoeding van een rente gelijk aan de wettelijke rente over het nog niet betaalde deel van de uitkering. Op grond van artikel 6:83 onder a BW is een ingebrekestelling daarbij niet vereist.

Heeft verrekening reeds plaatsgevonden?

23. Onder de rechtsoverwegingen 12 en 13 is reeds aan de orde gekomen de tijdens de samenleving van partijen bestaande privéschuld wegens doorlopend krediet van de vrouw van € 50.000,-.

24. Uit de verrekenovereenkomst van 15 maart 2007 volgt dat deze privéschuld van de vrouw bij de aankoop van de woning [Plaatsnaam A] is geherfinancierd. Tevens is in die overeenkomst bepaald dat de vrouw in de onderlinge verhouding van partijen geheel draagplichtig is en blijft voor deze schuld van € 50.000,- en dat zij de aflossing daarvan geheel voor haar rekening zal nemen. Eveneens is bepaald dat de vrouw ter zake gemeld krediet een rentevergoeding verschuldigd zal zijn aan de man welke in onderling overleg zal geschieden. Het hof acht het betoog van de man dat de schuld vervolgens bij de aankoop van de nieuwe woning [Plaatsnaam B] in 2011 wederom is geherfinancierd omdat dat voor de vrouw financieel aantrekkelijker was, voldoende aannemelijk (randnummer 31 memorie van grieven tevens houdende incidenteel appel). De vrouw stelt wel dat de desbetreffende annuïteitenhypotheek met leningnummer [volgt nummer] van € 56.000,- niet (mede) naar aanleiding van haar privéschuld van € 50.000,- is afgesloten, maar toont dit op geen enkele wijze aan. In eerste aanleg gaat zij er impliciet vanuit dat de hoofdsom van die hypothecaire lening mede met het oog op haar privéschuld is afgesloten (productie 15: akte uitlating na tussenvonnis randnummers 15 tot en met 20). In het licht van de gemotiveerde betwisting door de man heeft de vrouw niet onderbouwd dat voormelde schuld bij levering van de woning [Plaatsnaam A] aan derden is verrekend met haar vordering van € 42.366,80 op de man ter zake die woning.

25. Het hof komt tot de conclusie dat de privéschuld van € 50.000,- van de vrouw niet daadwerkelijk is betaald bij de verkoop en levering van de woning [Plaatsnaam A] maar dat deze wederom is meegefinancierd bij de aankoop van de nieuwe woning [Plaatsnaam B] met de gemelde annuïteitenhypotheek. Voor dat geval erkent de vrouw volgens randnummer 61 van haar memorie van grieven dat zij - naar het hof begrijpt in de onderlinge verhouding tussen partijen - een schuld heeft aan de man ten bedrage van € 50.000,-, met dien verstande dat volgens de vrouw de reeds door haar gedane aflossingen nog op dit bedrag in aftrek moeten worden gebracht. Zij wenst deze schuld vervolgens alsnog te verrekenen met de haar toekomende meerwaarde van de woning [Plaatsnaam A] .

26. De vrouw heeft in eerste aanleg bedragen gemeld die zij in 2011 en 2012 op voormelde lening zou hebben afgelost (productie 15: akte uitlating na tussenvonnis randnummers 16 en 17). De man heeft deze bedragen gemotiveerd betwist. Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat de door de vrouw gemelde bedragen rente en aflossingen op haar privéschuld van € 50.000,- betreffen, te meer nu deze bedragen op een gemeenschappelijke bankrekening van partijen zijn gestort. In hoger beroep heeft de vrouw evenmin een sluitend overzicht overgelegd van de door haar gestelde rente en aflossingen aan de man, hetgeen wel op haar weg had gelegen.

27. Het hof stelt voorop dat er in wezen sprake is van twee geldleningsovereenkomsten, een hypothecaire geldleningsovereenkomst van de man en de vrouw met de bank en een in de verrekenovereenkomst neergelegde geldleningsovereenkomst van de vrouw met de man. Door de hypothecaire geldlening kreeg de vrouw - overeenkomstig de afspraak van partijen - € 50.000,- beschikbaar om haar in de verrekenovereenkomst gemelde doorlopend krediet af te lossen. In de verrekenovereenkomst wordt de laatste geldlening van de vrouw met de man aangeduid met de term “krediet”, ter zake waarvan partijen een rentevergoeding kunnen afspreken, blijkens de verrekenovereenkomst. Dat zou ook voor de hand hebben gelegen, omdat over het bij de bank geherfinancierde bedrag rente aan de bank is verschuldigd, maar dat is kennelijk niet gebeurd. Partijen hebben niet afgesproken dat de vrouw de rente aan de bank voor zover het € 50.000,- betreft geheel voor haar rekening zou moeten nemen. De man en de vrouw zouden juist in hun onderlinge verhouding een rente over die € 50.000,- afspreken. De twee leningen hebben ieder hun eigen regiem en een aflossing op de hypothecaire geldlening is niet tevens een aflossing op de schuld van de vrouw. Over het deel van de schuld aan de bank ter grootte van € 50.000,- zijn partijen overeengekomen, dat de vrouw dat aan de man terugbetaalt. In de verrekenovereenkomst is niet bepaald wanneer de vrouw dat bedrag aan de man zou moeten betalen, zodat dat bedrag - behoudens wanneer dat naar maatschaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn - steeds opeisbaar is geweest.

28. Het hof gaat er derhalve vanuit dat de privéschuld van de vrouw aan de man onveranderd € 50.000,- bedraagt en dat zij op grond van de op 15 maart 2007 in de verrekenovereenkomst vastgelegde afspraken tussen partijen in de onderlinge verhouding jegens de man steeds draagplichtig is geweest en nog steeds draagplichtig is voor deze schuld. De vrouw stelt zelf dat de man ter zake dat bedrag (€ 50.000,- -/- p.m.) een vergoedingsrecht op haar heeft. Het hof begrijpt dat partijen zulks in hun onderlinge verhouding zijn overeengekomen aangezien de privéschuld van de vrouw is meegefinancierd met een (deel van de) hypothecaire geldlening bij de bank waarvoor het onroerend goed van de man onderpand is, zodat de man in de externe verhouding met de bank het executierisico draagt bij het niet voldoen aan de maandelijkse verplichtingen jegens de bank ter zake.

29. De vrouw dient het bedrag van haar privéschuld ad € 50.000,- conform de vastgelegde afspraak tussen partijen alsnog aan de man te vergoeden. Nu gesteld noch gebleken is dat partijen ter zake gemelde vordering van de man op de vrouw een rentevergoeding in onderling overleg hebben afgesproken die opeisbaar is, houdt het hof daarmee geen rekening.

30. Gelet op voormeld oordeel van het hof komt de man geen vergoeding door de vrouw meer toe van bedragen die hij heeft betaald op de annuïteitenhypotheek met leningnummer [volgt nummer] . Dit met uitzondering van het bedrag dat de man aan rente en aflossing heeft betaald op het gedeelte van de hypothecaire geldlening van € 6.000,-, dat is geleend voor de kosten van de verhuizing van partijen. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2.22 van het bestreden vonnis overwogen dat partijen die rente en aflossing gezamenlijk moeten dragen. In hoger beroep is tegen voormelde rechtsoverweging geen grief aangevoerd, maar de rechtbank heeft het niet in het dictum opgenomen. De desbetreffende vordering kan door het hof ook niet worden vastgesteld omdat niet is komen vast te staan welk bedrag van de rente en aflossing moet worden toegerekend aan die geleende € 6.000,-, die deel uitmaakt van het hypotheekbedrag. Het hof zal het bestreden vonnis in zoverre vernietigen en de vordering van de man in hoger beroep ter zake afwijzen.

Verrekening

31. Artikel 6:127 lid 1 BW bepaalt dat wanneer een schuldenaar die de bevoegdheid tot verrekening heeft, aan zijn schuldeiser verklaart dat hij zijn schuld met een vordering verrekent, beide verbintenissen tot hun gemeenschappelijk beloop tenietgaan. Volgens lid 2 van voormeld artikel heeft een schuldenaar de bevoegdheid tot verrekening, wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering.

32. De schuldenaar is bevoegd zijn eigen verbintenis (het betalen van zijn schuld) na te komen. Krachtens artikel 6:39 BW is het niet noodzakelijk dat die schuld opeisbaar is. De schuldenaar is voorts bevoegd betaling van zijn vordering af te dwingen als die vordering opeisbaar is.

33. Op grond van artikel 8 van de verrekenovereenkomst van 15 maart 2007 is de vordering van de vrouw op de man van € 42.366,80 ter zake de meerwaarde van de woning [Plaatsnaam A] direct opeisbaar geworden op 1 juli 2011, zijnde de datum waarop die woning aan derden is geleverd. Op diezelfde datum was de vrouw bevoegd tot vergoeding aan de man van het bedrag van € 50.000,- betreffende haar privéschuld.

34. Uit het vorenstaande volgt dat aan de voormelde voorwaarden voor verrekening is voldaan, zodat de vrouw mag verrekenen en daarna nog een bedrag van € 50.000,- minus
€ 42.366,80 = € 7.633,20 aan de man dient te voldoen. Nu de verrekening krachtens artikel 6:129 lid 1 BW terugwerkt tot het tijdstip, waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan - in casu 1 juli 2011 - is geen rente verschuldigd. Het hof zal overeenkomstig het vorenstaande beslissen.

Kosten beslagen

35. Het hof zal de vordering van de vrouw de man te veroordelen in de kosten van de diverse (derden)beslagen en de door deze beslagen veroorzaakte schade aan haar te vergoeden, afwijzen. Niet gebleken is dat deze beslagen onrechtmatig waren. Daarnaast heeft de vrouw de schade niet onderbouwd. De overgelegde stukken 37, 38 en 39 (processen-verbaal beslaglegging en brief ING) zijn daartoe ontoereikend.

Proceskosten

36. Nu partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad, ziet het hof aanleiding de proceskosten tussen hen te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Om diezelfde reden zal het hof de proceskostencompensatie in eerste aanleg bekrachtigen. De andersluidende vorderingen van partijen zullen worden afgewezen.

37. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis voor zover het betreft:

  • -

    randnummer 3.1 voor zover dat ziet op de verrekening waardeverandering nieuwe woning [Plaatsnaam B] en de rente en aflossing lening [volgt nummer]

  • -

    randnummers 3.2 tot en met 3.4

en, in zoverre opnieuw recht doende:

stelt vast dat na verrekening van de schuld van de vrouw aan de man ten bedrage van € 50.000,- met de vordering van de vrouw op de man ten bedrage van € 42.366,80 een vordering van de man op de vrouw resteert van € 7.633,20;

veroordeelt de vrouw tot betaling van het bedrag van € 7.633,20 aan de man binnen één week na de datum van dit arrest, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag met ingang van één week na de datum van dit arrest tot aan de datum van algehele voldoening;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

stelt vast dat het bepaalde in de verrekenovereenkomst van 15 maart 2007 niet van overeenkomstige toepassing is op de nieuwe woning [Plaatsnaam B] zodat de waardeverandering van die woning voor rekening en risico van de man is;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.H.N. Stollenwerck, J.M van Baardewijk en J.B. Backhuijs en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 maart 2019 in aanwezigheid van de griffier.