Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:81

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
200.236.212/01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Einde samenleving. Gemeenschappelijke woning. Restschuld aan bank na betaling NHG dient conform eigendomsverhouding bij helfte te worden gedragen. Omstandigheid dat een van de deelgenoten niet tijdig aan NHG om kwijtschelding van haar aandeel heeft gevraagd komt voor haar rekening en risico: de andere schuldenaar is na kwijtschelding voor haar deel gekweten. Alsnog belang bij het verkrijgen van een executoriale titel voor een in de overwegingen van een eerder vonnis vastgestelde vordering, die echter niet in het dictum van datzelfde vonnis is vervat, nu de vordering niet ontkend wordt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2019/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.236.212/01

Zaak- rolnummer rechtbank : 6089154/17-15405

arrest van 15 januari 2019

inzake

[Vrouw EEN] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante, tevens incidenteel geïntimeerde,

hierna te noemen: [Vrouw EEN] ,

advocaat: mr. M.J.E.M. Edelmann te Breda,

tegen

[Vrouw TWEE] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde, tevens incidenteel appellant,

hierna te noemen: [Vrouw TWEE] ,

advocaat: mr. M.J.J.A. Ooms te Rotterdam.

Het verloop van het geding

[Vrouw EEN] is bij exploot van 23 maart 2018 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 januari 2018 tussen de partijen gewezen.

In het exploot van dagvaarding heeft [Vrouw EEN] 1 grief geformuleerd.

Bij memorie van antwoord heeft [Vrouw TWEE] de grief weersproken en heeft zij 4 incidentele grieven geformuleerd.

Bij memorie van antwoord in het incidentele appel heeft [Vrouw EEN] de incidentele grieven weersproken.

[Vrouw TWEE] heeft haar procesdossier gefourneerd en arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1.Voor zover tegen de feiten geen grieven zijn geformuleerd gaat het hof uit van de feiten zoals deze door de rechtbank in het bestreden vonnis zijn vastgesteld.

2. Partijen hebben in de periode van 9 december 2004 tot november 2012 met elkaar samengewoond en een gemeenschappelijke huishouding gevoerd. Op 13 december 2004 zijn zij een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst aangegaan. In artikel 2 van de samenlevingsovereenkomst is vermeld welke uitgaven in hun verhouding als kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden aangemerkt. In artikel 5 van de hiervoor vermelde overeenkomst is een bepaling opgenomen met betrekking tot de woning te [plaatsnaam] aan de [adres] die partijen – ieder voor de helft – in mede-eigendom toebehoort. In het derde lid van artikel 5 is bepaald: “Alle kosten en lasten met betrekking tot de eigendom van die gemeenschappelijke woning, daaronder begrepen de aflossingen op de in lid 4 bedoelde hypothecaire lening en de premies voor het spaargedeelte van de levensverzekering, komen voor rekening van beiden, ieder voor de helft, terwijl zij ook ieder voor de helft delen in de gevolgen van een waardevermeerdering of een vermindering van de woning.”. De verkrijging van de woning was gefinancierd door een hypothecaire geldlening bij de ING. Een mogelijke restschuld – indien de woning voor een lager bedrag zou worden verkocht dan de daarop rustende schuld – was (deels) afgedekt door de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen (Nationale Hypotheek Garantie) te Zoetermeer (hierna NHG). De hiervoor vermelde woning is op 1 september 2013 aan een derde verkocht. Aangezien de verkoopopbrengst lager was dan de op de woning rustende hypothecaire geldlening resteerde er een restschuld aan de ING bank. NHG heeft van deze restschuld een bedrag van € 26.614,99 aan ING betaald. Vervolgens resteerde er nog een restschuld aan ING van € 8.464,38. De NHG heeft aan [Vrouw EEN] bij brief medegedeeld dat zij in aanmerking is gekomen voor kwijtschelding. [Vrouw TWEE] heeft bij NHG geen verzoek ingediend tot kwijtschelding. [Vrouw TWEE] heeft haar aandeel in de schuld aan NHG voldaan en wenst in het incidentele appel de helft van hetgeen zij aan NHG heeft voldaan op [Vrouw EEN] te verhalen. [Vrouw TWEE] heeft een bedrag aan de ING voldaan. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 8 januari 2018 [Vrouw EEN] veroordeeld om aan [Vrouw TWEE] te betalen de helft van de voormalige vordering van de ING bank. In appel komt [Vrouw EEN] tegen die beslissing op.

3. Bij vonnis van13 mei 2015 heeft de rechtbank Rotterdam al een eindvonnis gewezen in een groot aantal geschillen met betrekking tot de afwikkeling van de beëindigde samenwoning en gemeenschappelijke huishouding.

4. De wijze waarop partijen procederen is niet altijd even overzichtelijk hetgeen voor rekening en risico van partijen komt.

Bestreden vonnis 8 januari 2018

5. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis als volgt beslist:

4.1.

veroordeelt [Vrouw EEN] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [Vrouw TWEE] te voldoen een bedrag van € 4.633,29, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 januari 2018 tot de dag van algehele voldoening;

4.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.3.

veroordeelt [Vrouw EEN] tot betaling van € 100,- aan nasalaris, voor zover [Vrouw TWEE] daadwerkelijk nakosten zal maken, en voorts, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag der voldoening;

4.4

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Vordering [Vrouw EEN]

6. [Vrouw EEN] vordert alsdan te horen eis doen en concluderen op nader aan te voeren gronden dat het aan het hof moge behagen om bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

1. het vonnis van de rechtbank Den Haag van 8 januari 2018 gewezen op onderdeel 4.1. en 4.3. vernietigen en op die onderdelen opnieuw recht te doen;

2. de vorderingen van geïntimeerde niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen;

3. [Vrouw TWEE] te veroordelen aan [Vrouw EEN] te betalen binnen twee dagen na het te dezen te wijzen arrest de volgens het gebruikelijke tarief te begroten bijdrage in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente over de ter zake van deze kosten toegewezen bedragen vanaf de 14e dag na de datum van het te dezen wijzen arrest tot aan de dag der algehele voldoening;

4. [Vrouw TWEE] te veroordelen aan [Vrouw EEN] te betalen binnen twee dagen na het te dezen te wijzen arrest een bedrag aan na-salaris van € 131,- ingeval van niet-betekening van het arrest en € 199,- aan na-salaris ingeval van betekening van het arrest, te vermeerderen met de wettelijke rente over de ter zake van deze kosten toegewezen bedragen vanaf de 14e dag na de datum van het ten dezen te wijzen arrest tot aan de dag der algehele voldoening;

5. het arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Incidentele vordering [Vrouw TWEE]

7. [Vrouw TWEE] wendt zich tot het hof met het eerbiedig verzoek om het vonnis van 8 januari 2018, gewezen door de rechtbank Den Haag, te vernietigen voor zover er in het incidentele appel grieven tegen zijn gericht en met inachtneming van deze grieven:

1. te bepalen dat c.q. te verklaren voor recht dat [Vrouw EEN] ter zake de betalingsachterstand van de hypotheek een bedrag van € 3.162,31 aan [Vrouw TWEE] dient te voldoen, dan wel [Vrouw EEN] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.162,31 aan [Vrouw TWEE] ;

2. [Vrouw EEN] te veroordelen tot betaling aan [Vrouw TWEE] van een bedrag van € 7.268,95 zijnde de helft van de door [Vrouw TWEE] betaalde vordering van NHG ter zake de restschuld van de hypotheek van partijen;

3. te bepalen dat [Vrouw EEN] de kosten van dit geding, alsmede het geding in eerste instantie, waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde van [Vrouw TWEE] , aan [Vrouw TWEE] dient te vergoeden.

Grief 1 de schuld aan ING bank

8. Het hof overweegt als volgt. Zoals het hof hiervoor reeds heeft overwogen hebben partijen hun rechten en verplichtingen met betrekking tot hun samenleving vastgelegd in een notariële samenlevingsovereenkomst. Partijen hadden in mede-eigendom een woonhuis te [plaatsnaam] , ieder voor een gelijk aandeel. Partijen waren derhalve ieder gehouden de verkrijging van hun aandeel in het goed te financieren. Een restschuld met betrekking tot het onroerend goed dient gelijk te worden gedragen. De restschuld aan de ING bank bedroeg na verkoop van het onroerend goed

€ 8.464,38.

9. Uit de toelichting op de grief van [Vrouw EEN] begrijpt het hof dat zij het er niet mee eens is dat zij de helft van de restschuld aan ING met betrekking tot het hiervoor vermelde onroerend goed dient te dragen. [Vrouw EEN] is van mening dat zij haar aandeel in het verlies niet hoeft terug te betalen, dus ook wat betreft het deel van het totale verlies dat NHG niet aan ING heeft afgelost

10. [Vrouw TWEE] is van mening dat de NHG alleen kwijtschelding kan verlenen van dat deel van de vordering dat de NHG daadwerkelijk namens partijen aan de ING heeft voldaan.

11. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden tot zijn beslissing is gekomen en neemt deze over. [Vrouw EEN] heeft in appel geen nieuwe feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel moeten leiden. Niet ter discussie staat dat NHG niet de gehele schuld van partijen aan ING heeft afgelost. De restschuld van € 8.464,38 aan ING heeft betrekking op het onroerend goed dat partijen in mede-eigendom toebehoorde. Conform de voormalige eigendomsverhouding alsmede het samenlevingscontract dient de schuld door partijen gelijk te worden gedragen. De grief treft dus geen doel.

Incidentele grief 1

12. Het hof overweegt als volgt. Uit het bestreden vonnis van 8 januari 2018 van de rechtbank Den Haag volgt (r.o. 2.3.) dat [Vrouw EEN] heeft erkend een bedrag van € 3.162,31 aan [Vrouw TWEE] verschuldigd te zijn. Hiertegen heeft [Vrouw EEN] geen grief gericht. Uit rechtsoverweging 4.4.4 van het vonnis van 13 mei 2015 van de rechtbank Rotterdam dat tussen de partijen is gewezen volgt dat [Vrouw TWEE] een vordering heeft op [Vrouw EEN] van € 3.162,31. In het dictum van het vonnis van 13 mei 2015 is [Vrouw EEN] echter niet veroordeeld om het bedrag van € 3.162,31 aan [Vrouw TWEE] te voldoen.

13. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 8 januari 2018 in r.o. 3.6 overwogen dat het vonnis van 13 mei 2015 in kracht van gewijsde is gegaan nu daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat. Dit onderdeel van de vordering kan in de visie van de rechtbank niet opnieuw tussen partijen ter discussie worden gesteld.

14. [Vrouw TWEE] stelt in haar toelichting op haar grief dat zij de vordering niet opnieuw aan de orde stelt maar alleen heeft verzocht alsnog in het dictum op te nemen dat [Vrouw EEN] het door haar erkende bedrag aan haar dient te voldoen.

15. [Vrouw EEN] is van mening dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat er geen rechtsmiddel meer open staat.

16. Het hof overweegt als volgt. Door [Vrouw EEN] wordt niet ontkend dat zij het bedrag van

€ 3.162,31 aan [Vrouw TWEE] verschuldigd is. De vordering als zodanig is in het onderhavige geschil niet aan de orde, die staat namelijk vast. Het had op de weg van [Vrouw EEN] gelegen om uit eigen beweging het verschuldigde aan [Vrouw TWEE] te doen. Nu zij dit niet heeft gedaan heeft [Vrouw TWEE] er recht en belang bij dat zij alsnog een executoriale titel krijgt die strekt tot de betaling van het bedrag van € 3.162,31. De grief treft dus doel.

Incidentele grief 2

17. [Vrouw TWEE] is het niet eens met de overweging van de rechtbank dat de aanslag gemeentelijke belastingen 2012 op grond van artikel 2 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst niet voor verrekening of teruggaaf in aanmerking komen. De aanslag was op de peildatum 1 januari 2013 voor het overgrote deel niet voldaan. De schuld bedroeg na de peildatum € 578,54. De helft van die schuld moet in de visie van [Vrouw TWEE] door [Vrouw EEN] aan haar worden voldaan. In haar petitum vordert [Vrouw TWEE] niet de betaling de helft van deze schuld.

18. [Vrouw EEN] stelt dat de rechtbank juist heeft beslist.

19. Het hof overweegt. Niet bestreden is door [Vrouw EEN] dat er op de peildatum een schuld was van € 578,54 met betrekking tot de gemeentelijke belastingen over het jaar 2012. Op basis van de samenlevingsovereenkomst moeten de kosten van de huishouding naar evenredigheid van ieders inkomen worden gedragen. De aanslag gemeentelijke belastingen 2012 zijn kosten van de huishouding in de zin van de tussen partijen gesloten samenlevingsovereenkomst. Het hof kan op basis van de gestelde gegevens niet vaststellen of de kosten van de huishouding anders vastgesteld dienen te worden dan in de verhouding 50%-50%. Nu de gemeentelijke belastingen 2012 op de peildatum van 1 januari 2013 niet waren voldaan dient het op de peildatum verschuldigde bedrag door partijen gezamenlijk te worden gedragen. In zoverre treft de grief dus doel. Echter het hof kan niet vaststellen of [Vrouw TWEE] de gemeenschappelijke schuld volledig heeft betaald als gevolg waarvan zij een regres vordering heeft verkregen op [Vrouw EEN] . In zoverre heeft de grief geen materieel effect.

Incidentele grief 3

20. Het hof overweegt als volgt. NHG heeft aan ING betaald een bedrag van € 26.614,59. Dit bedrag heeft NHG betaald in het kader van een hypotheekgarantie. NHG is na de betaling van € 26.614,59 in de rechten getreden van ING. NHG heeft aan [Vrouw EEN] voor haar aandeel in de schuld kwijtschelding verleend. [Vrouw TWEE] heeft vergeten om aan NHG kwijtschelding te vragen met betrekking tot haar aandeel in de schuld aan NHG. [Vrouw TWEE] is van mening dat niet aan haar kan worden toegerekend dat zij niet tijdig om kwijtschelding heeft gevraagd. [Vrouw TWEE] heeft de helft van de hiervoor genoemde schuld van € 26.614,59 aan NHG betaald. Zij wenst de helft van het door haar betaalde bedrag op [Vrouw EEN] te verhalen. Zij acht het meer dan redelijk dat [Vrouw EEN] dit bedrag betaalt.

21. [Vrouw EEN] heeft tijdig aan NHG om kwijtschelding gevraagd voor haar aandeel in de schuld van € 26.614,59. Volgens [Vrouw EEN] verliest [Vrouw TWEE] uit het oog dat een schuld niet kan worden gedeeld. Er is een verhouding met een schuldeiser die heeft vastgesteld dat aan [Vrouw EEN] kwijtschelding is verleend.

22. Het hof overweegt. Beide partijen waren draagplichtig met betrekking tot de schuld aan NHG. De schuld is ontstaan als gevolg van het feit dat de voormalige woning van partijen voor een zodanige prijs is verkocht dat met de opbrengst de hypothecaire geldlening niet kon worden voldaan. Op grond van de nationale hypotheekgarantie heeft NHG een groot deel van de restschuld aan ING afgelost en is NHG in de rechten getreden van ING. NHG heeft vervolgens aan [Vrouw EEN] kwijtschelding verleend voor haar aandeel in de schuld. Naar het oordeel van het hof heeft [Vrouw EEN] daarmee volledig voldaan aan de financiering van haar aandeel in de voormalige onroerende zaak en is zij hiermee gekweten. Het feit dat NHG aan [Vrouw TWEE] geen kwijting heeft verleend komt voor rekening en risico van [Vrouw TWEE] . [Vrouw TWEE] had ook zelf bij NHG kunnen informeren met betrekking tot de schuld aan NHG. De grief treft dus geen doel.

Proceskosten

23. Gezien het feit dat er sprake is van de afwikkeling van een samenlevingsovereenkomst tussen voormalige samenwoners acht het hof het redelijk en billijk om de proceskosten tussen partijen te compenseren.

Gedeeltelijke vernietiging

24. Het bestreden vonnis van 8 januari 2018 moet worden vernietigd met betrekking tot het feit dat [Vrouw EEN] niet door de rechtbank is veroordeeld om een bedrag van € 3.162,31 aan [Vrouw TWEE] te betalen. Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van 8 januari 2018 van de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen voor zover het betreft het feit dat de vordering van [Vrouw TWEE] tot betaling door [Vrouw EEN] aan [Vrouw TWEE] van een bedrag van € 3.162,31 is ontzegd en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [Vrouw EEN] om binnen een maand na datum van dit arrest tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [Vrouw TWEE] te betalen de somma van € 3.162,31;

compenseert de proceskosten in hoger beroep en wel in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

bekrachtigt het bestreden vonnis van 8 januari 2018 van de rechtbank Den Haag tussen de partijen gewezen, voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, A.H.N. Stollenwerck en A.E. Sutorius-van Hees, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 januari 2019 in aanwezigheid van de griffier.