Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:808

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
16-04-2019
Zaaknummer
200.244.065/01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.244.065/01

Zaaknummer rechtbank : 6716249 \ CV EXPL 18-8615

arrest van 29 januari 2019

inzake

[naam 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. Q.F.B.W. Kendall te Rotterdam,

tegen

[naam 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

niet verschenen.

Het geding

Bij exploot van 30 juli 2018 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de kantonrechter te Rotterdam tussen partijen gewezen verstekvonnis van 4 mei 2018. Tegen [geïntimeerde] , die in hoger beroep niet is verschenen, is verstek verleend. In de appeldagvaarding heeft [appellant] één grief aangevoerd tegen het vonnis van de kantonrechter. Vervolgens heeft [appellant] de processtukken overgelegd en is een datum voor arrest bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep

1.1.

Door de rechtbank zijn geen feiten vastgesteld, zodat het hof dat alsnog zal doen.

1.2.

Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende.

a. a) [appellant] is eigenaar van de woning aan [het adres] te [plaats] (hierna: de woning).

b) Met betrekking tot de woning zijn partijen op 7 februari 2017 een beheerovereenkomst aangegaan, waarbij [geïntimeerde] de verplichting op zich heeft genomen de woning te beheren. Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van een jaar, ingaande op 1 april 2017.

c) In de beheerovereenkomst is bepaald dat [geïntimeerde] maandelijks een bedrag van € 1.600,-- aan [appellant] dient te betalen.

d) [geïntimeerde] is namens [appellant] met betrekking tot de woning een huurovereenkomst aangegaan met [naam 3] . De huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van zes maanden, ingaande op 1 maart 2017.

e) Op 20 september 2017 heeft de politie in de woning een hennepkwekerij aangetroffen. Tevens bleek de woning ernstig te zijn beschadigd.

f) Bij brief van 11 oktober 2017 is [geïntimeerde] door [appellant] aansprakelijk gesteld voor de schade die is ontstaan door de hennepkwekerij. Daarnaast heeft [appellant] [geïntimeerde] gesommeerd tot betaling van de maandelijkse termijn van € 1.600,--.

2. In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] , primair op grond van wanprestatie, subsidiair op grond van onrechtmatige daad, te veroordelen tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 16.089,20, bestaande uit € 9.600,-- aan vervangende schadevergoeding met betrekking tot de gederfde huurinkomsten over de maanden oktober 2017 tot en met maand maart 2018 (zes maal € 1.600,--), de door Stedin doorberekende schade (€ 3.065,56), schade aan de inboedel (€ 2.975,--) en herstelwerkzaamheden aan de woning (€ 448,64), vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van € 1.600,-- vanaf 1 oktober 2017, althans vanaf de dag der dagvaarding, tot de dag van algehele voldoening. [appellant] heeft verder gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 935,89 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente, en de proceskosten.
is in eerste aanleg niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.

3. De kantonrechter heeft, voor zover in hoger beroep van belang, [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 17.025,09 (de som van de onder 2 weergegeven vorderingen), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 1.600,-- vanaf 1 oktober 2017.

4.1.

In hoger beroep komt [appellant] zelf op tegen het verstekvonnis. Door middel van zijn enige grief heeft [appellant] aangevoerd dat hij in eerste aanleg uitsluitend de wettelijke rente over de maandelijkse vergoeding van € 1.600,-- heeft gevorderd, terwijl hij heeft bedoeld de wettelijke rente over het volledige bedrag van € 16.089,20 te vorderen. [appellant] verzoekt het hof dan ook het bestreden vonnis te vernietigen en [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het volledige bedrag van € 16.089,20 vanaf de dag van de dagvaarding.

4.2.

Het hof begrijpt uit de grief van [appellant] dat hij het hoger beroep enkel heeft ingesteld met het oog op zijn vermeerdering van eis. Volgens artikel 130 lid 3 Rv is een wijziging of vermeerdering van eis uitgesloten tegen een partij die niet in het geding is verschenen, tenzij de eisende partij de wijziging of vermeerdering van eis tijdig bij exploot aan de niet verschenen partij kenbaar heeft gemaakt. Deze regel is als gevolg van het bepaalde in artikel 353 lid 1 Rv ook in hoger beroep van toepassing.

4.3.

Uit het overgelegde procesdossier blijkt dat [appellant] zijn eisvermeerdering bij exploot aan [geïntimeerde] kenbaar heeft gemaakt. De vermeerderde eis kan dus door het hof beoordeeld worden.

5. De kantonrechter heeft de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW toegewezen over een bedrag van € 1.600,--. Daarmee is de omvang van het hoger beroep beperkt tot de vordering ter zake van de wettelijke rente over het resterende bedrag van € 14.489,20

(€ 16.089,20 – € 1.600,--). Van dit bedrag heeft een bedrag van € 8.000,-- betrekking op een vordering tot vervangende schadevergoeding in verband met de door [appellant] misgelopen huuropbrengsten. Een bedrag van € 6.489,20 ziet op een vordering tot aanvullende schadevergoeding. Omdat [geïntimeerde] ook in hoger beroep niet is verschenen, moet het hof de vordering van [appellant] met betrekking tot de wettelijke rente toewijzen, tenzij deze vordering het hof onrechtmatig of ongegrond voorkomt (artikel 139 jo. 353 Rv). Voor zover [appellant] over het bedrag van € 14.489,20 de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW wil vorderen, is er geen grondslag voor toewijzing daarvan. Artikel 6:119a BW ziet uitsluitend op een vordering wegens de vertraagde betaling van het op grond van een handelsovereenkomst verschuldigde en is niet van toepassing op een verbintenis tot schadevergoeding. Voor die verbintenissen geldt de wettelijke rente van artikel 6:119 BW. Het hof zal daarom de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van

€ 14.489,20 toewijzen met als ingangsdatum 9 januari 2018, de door [appellant] genoemde datum.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten in appel bestaat geen aanleiding. [appellant] had de proceskosten in hoger beroep kunnen voorkomen als hij in eerste aanleg wettelijke rente over het door hem gewenste bedrag had gevorderd. Omwille van de duidelijkheid zal het hof het vonnis vernietigen en het dictum herformuleren.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Rotterdam van 4 mei 2018,

en opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 17.025,09 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand maart 2018, kosten, schade, herstelwerkzaamheden en buitengerechtelijke kosten;

- veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119a BW over een bedrag van € 1.600,-- vanaf 1 oktober 2017 tot de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over een bedrag van € 14.489,20 vanaf 9 januari 2018 tot de dag van algehele voldoening;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 580,70 aan verschotten, € 12,10 aan publicatiekosten en € 300,-- aan salaris voor de gemachtigde;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het anders of meer gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van der Ven, D. Aarts en P.M. Verbeek, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2019 in aanwezigheid van de griffier.