Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:8

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
21-01-2019
Zaaknummer
200.206.083-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen onrechtmatige perspublicatie door politie. Onschuldpresumptie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0096
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.206.083/01

Rolnummer rechtbank : C/09/502203/ HA ZA 15-1411

arrest van 15 januari 2019

inzake

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid),

zetelend te Den Haag,

appellant,

hierna te noemen: de Staat,

advocaat: mr. G.C. Nieuwland te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. C.P. Zwaanswijk te Den Haag.

1 Procedure in hoger beroep

1.1.

Voor het verloop van de procedure tot 14 februari 2017 wordt verwezen naar het tussenarrest van die datum, waarbij een comparitie van partijen is gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 16 mei 2017. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt.

1.2.

De Staat heeft bij memorie van grieven (met producties) vervolgens drie grieven tegen het vonnis van 21 september 2016 aangevoerd. Daarna heeft [geïntimeerde] bij memorie van antwoord verweer gevoerd. Vervolgens is arrest gevraagd.

2 Feiten

2.1.

De door de rechtbank in r.o. 2.1 t/m 2.9 van het bestreden vonnis van 21 september 2016 vastgestelde feiten zijn niet in geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

2.2.

Het gaat in deze zaak, voor zover in beroep relevant, om het volgende. [geïntimeerde] is op 18 maart 2013 in zijn woning aangehouden op verdenking van heling van autoradio’s en aanverwante elektronica. Na de aanhouding is de woning van [geïntimeerde] op dezelfde dag met toestemming van de rechter-commissaris doorzocht. De doorzoeking heeft geleid tot inbeslagname van 65 dozen aan elektronica zoals vermeld op een beslaglijst.

2.3.

Een dag later, op 19 maart 2013, heeft de politie op haar website, naar aanleiding van de actie, een bericht gepubliceerd (hierna: het persbericht). Het persbericht luidde:

Politie neemt grote partij autoradio’s in beslag, 47-jarige [inwoner naam gemeente] aangehouden

[gemeente] – Met de aanhouding van een 47-jarige [inwoner naam gemeente] verwacht de politie een einde te hebben gemaakt aan heling en of diefstal van autoradio’s.

De politie kwam de man op het spoor nadat [inwoners naam gemeente] slachtoffer waren geworden van een inbraak in auto. Zij meenden later op een verkoopsite op internet hun goederen te herkennen die te koop werden aangeboden door de 47-jarige [inwoner naam gemeente] en melden dit bij de politie. De politie [gemeente] startte in februari een onderzoek naar deze verdenkingen. Maandagochtend 18 maart werd hij in zijn woning aangehouden. In zijn woning vond de politie een omvangrijke hoeveelheid auto radio’s en andere apparatuur. De recherche nam enkele honderden autoradio’s, CD spelers, navigatiesystemen en toebehoren aangetroffen in beslag.

Verdachte is inverzekering gesteld

De verdachte zit nog vast. Hij wordt de komende dagen gehoord over de herkomst van de partij autoradio’s. Daarnaast doet de recherche onderzoek naar de herkomst van de inbeslag genomen goederen. De politie onderzoekt of deze spullen van diefstal afkomstig zijn en welke rol de 47-jarige [inwoner naam gemeente] daarin dan heeft gehad.

Stijging diefstal uit auto’s

De politie van [gemeente] constateerde de eerste maanden van dit jaar een forse stijging van het aantal auto-inbraken. Zo deden de afgelopen week 30 gedupeerden aangifte van diefstal uit auto. De afgelopen vier weken bleek dat zelfs te zijn gestegen van 75 naar 125 aangiften. (…)”

2.4.

Op 19 maart 2013 heeft [geïntimeerde] afstand gedaan van een radio met subwoofer, twee Pioneer boxen, een autoradio van het merk Sony en een navigatiesysteem van het merk MIO. Deze goederen bleken van diefstal afkomstig.

2.5.

[geïntimeerde] is gedagvaard voor de politierechter ter zake van schuldheling. De politierechter heeft de dagvaarding nietig verklaard, omdat de dagvaarding onvoldoende feitelijk was.

2.6.

De officier van justitie heeft daaropvolgend, bij bericht van 5 maart 2014, aan de advocaat van [geïntimeerde] laten weten de zaak wegens onvoldoende belang te seponeren.

3 Vorderingen en beoordeling in eerste aanleg

3.1.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van de Staat in de kosten, de Staat te veroordelen tot vergoeding van door [geïntimeerde] geleden materiële schade van € 25.275,- en immateriële schade van € 15.000,- , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

De Staat heeft verweer gevoerd.

3.3.

Bij vonnis van 21 september 2016 heeft de rechtbank geoordeeld dat de vordering gedeeltelijk toewijsbaar is. De rechtbank heeft de Staat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 6.145,- (waaronder
€ 1.500,- vanwege reputatieschade die door het persbericht was veroorzaakt), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank heeft verder bepaald dat ieder van de partijen de eigen proceskosten draagt.

4 De vorderingen in hoger beroep

4.1.

In appel vordert de Staat vernietiging van het vonnis van 21 september 2016 en afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] . De Staat komt met drie grieven op tegen het vonnis en beoogt daarmee het geschil uitsluitend wat betreft de vordering tot vergoeding van immaterieel nadeel vanwege het persbericht door de politie, ter beoordeling aan het hof voor te leggen. Het hof begrijpt hieruit dat slechts vernietiging wordt gevorderd van laatstbedoelde beslissing, terwijl de Staat voorts bij memorie van grieven heeft aangegeven bereid te zijn zich neer te leggen bij de compensatie van kosten in eerste aanleg.

4.2.

Grief 1 van de Staat is gericht tegen rov. 4.12 van het vonnis van 21 september 2016, waarin de rechtbank stilstaat bij de uitoefening van de bevoegdheid van de politie om via een persbericht bekendheid te geven aan lopend onderzoek en aan in het kader daarvan verrichte aanhoudingen en inverzekeringstellingen. De rechtbank stelt in rov. 4.12 voorop dat de politie die bevoegdheid toekomt, maar voegt daaraan toe dat zij bij de uitoefening ervan rekening dient te houden met de belangen van de verdachte, in het bijzonder zijn eer en goede naam en persoonlijke levenssfeer. De politie dient bij het opstellen van persberichten grote zorgvuldigheid te betrachten, aldus de rechtbank, en daarin enkel feiten op te nemen waarvoor op dat moment voldoende steun kan worden gevonden in het politiedossier. Daarbij is van belang dat de publieke bekendmaking dat iemand wordt verdacht van een strafbaar feit, in de regel leidt tot een aantasting van zijn of haar eer en goede naam. Ook is volgens de rechtbank van belang dat het publiek over het algemeen grote betrouwbaarheidswaarde toekent aan berichtgeving afkomstig van de politie.

4.3.

Volgens de Staat heeft de rechtbank met deze overweging de maatstaf voor de beoordeling van het optreden van de Staat in de media miskend. De Staat stelt dat bij de beoordeling de maatstaf die daarvoor onder artikel 6 lid 2 EVRM is ontwikkeld, in acht moet worden genomen. Kort gezegd houdt dat in dat de autoriteiten de vereiste terughoudendheid en zorgvuldigheid in acht moeten nemen om de onschuldpresumptie te eerbiedigen. Bij de beoordeling in een concreet geval zijn dan alle omstandigheden van dat geval van belang. De rechtbank wijkt daar volgens de Staat van af door als norm een belangenafweging te formuleren. Als gevolg daarvan verdwijnen de onschuldpresumptie en de daarbij in acht te nemen terughoudendheid en zorgvuldigheid naar de achtergrond, aldus de Staat. Een en ander leidt tot een aanmerkelijke verzwaring van de toets voor het handelen van de autoriteiten.

4.4.

Met grief 2 komt de Staat op tegen rov. 4.14 en 4.15 van het vonnis van 21 september 2016. De rechtbank overweegt in rov. 4.14 en 4.15 dat de politie jegens [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld, nu de politie bij het opstellen van het persbericht onvoldoende de gerechtvaardigde belangen van [geïntimeerde] in aanmerking heeft genomen. Daarbij speelt volgens de rechtbank ten eerste een rol dat de inhoud van het persbericht voor diegenen die kennis hebben genomen van de aanhouding en doorzoeking van de woning van [geïntimeerde] , rechtstreeks tot [geïntimeerde] herleidbaar is. De rechtbank overweegt verder dat van de tekst van het persbericht de sterke suggestie uitgaat dat er een verband bestaat tussen de toename van het aantal auto-inbraken in de gemeente [gemeente] en de inbeslagname van de elektronica bij [geïntimeerde] en de rol van [geïntimeerde] daarbij. De rechtbank weegt ook mee dat niet is gewacht met de publicatie van het persbericht tot de confrontatie van [geïntimeerde] met de inbeslaggenomen spullen en de beantwoording door hem van vragen naar de herkomst daarvan.

4.5.

De Staat stelt dat het onbegrijpelijk is dat het handelen jegens [geïntimeerde] als onrechtmatig is beoordeeld, aangezien de doorzoeking en de aanhouding noodzakelijkerwijs zullen zijn opgemerkt door omwonenden, terwijl de rechtbank heeft overwogen dat het politieoptreden rechtmatig en niet disproportioneel was. De rechtbank ziet eraan voorbij dat omwonenden ook zonder persbericht van de aanhouding en doorzoeking op de hoogte waren geweest, nu zij dat gebeuren immers hebben gezien. Een persbericht doet bovendien, aldus ook de Staat, recht aan de belangen van een verdachte, nu daarmee onrust en speculatie bij omwonenden kan worden voorkomen. Wat betreft de sterke suggestie die van het persbericht zou uitgaan, stelt de Staat dat de verdenking die in het persbericht is geuit, steun vond in het dossier. Bovendien is [geïntimeerde] in het persbericht geen schuld toegeschreven. Al met al meent de Staat dan ook dat het persbericht voldoet aan de vereiste zorgvuldigheid en terughoudendheid in het licht van de onschuldpresumptie; de maatstaf die volgens de Staat moet worden toegepast. Wat betreft het tijdstip waarop het persbericht is uitgegaan, stelt de Staat dat het vroege tijdstip noodzakelijk was gezien de onrust die door de grote aantallen diefstallen was ontstaan en ook vanwege de inzet van personeel en materieel bij de aanhouding en doorzoeking. Zou op een later moment een persbericht zijn uitgegaan, dan zou dat bovendien de bezwaren van [geïntimeerde] niet hebben weggenomen, aldus de Staat. Ten slotte stelt de Staat dat de reputatieschade onvoldoende is onderbouwd en dat onbegrijpelijk is dat een vergoeding vanwege reputatieschade verschuldigd is. De doorzoeking en aanhouding zijn immers onvermijdelijk door omwonenden gezien, maar ze hebben rechtmatig plaatsgevonden. Een dergelijk oordeel zou onwerkbaar hoge eisen stellen aan de berichtgeving en in veel gevallen onmogelijk maken.

4.6.

Grief 3, tot slot, is een zogenaamde veeggrief en is gericht tegen rov. 4.16 en het dictum van het vonnis van 21 september 2016, waarin de rechtbank – voor zover thans van belang – een bedrag van € 1.500,-- toewijsbaar acht als vergoeding voor (kort gezegd) reputatieschade door het persbericht. Deze vergoeding is ook in het dictum opgenomen. Volgens de Staat volgt uit de voorgaande grieven dat de rechtsoverweging en het dictum niet in stand kunnen blijven.

5 Beoordeling in hoger beroep

5.1.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat als uitgangspunt geldt dat de politie de bevoegdheid heeft om persberichten te publiceren. De publicatie van persberichten door de politie is echter onrechtmatig indien het een inbreuk vormt op het door artikel 6 lid 2 EVRM gewaarborgde recht dat eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Uit de onschuldpresumptie volgt dat bij perspublicaties de benodigde terughoudendheid en zorgvuldigheid moet worden betracht en dat niet de indruk mag ontstaan dat iemand schuldig is, voordat hij door een rechter is veroordeeld. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in dit verband het volgende overwogen:

“(...) respect for the presumption of innocence requires that the authorities use all the necessary discretion and circumspection (…). Article 6 § 2 will be violated if a statement of a public official concerning a person charged with a criminal offence reflects an opinion that he is guilty before he has been proved so according to law. It suffices, even in the absence of any formal finding, that there is some reasoning to suggest that the official regards the accused as guilty. In this respect, the Court has emphasised the importance of the choice of words by public officials in their statements to the press before a person has been tried and found guilty of an offence (…).” (EHRM 10 mei 2005, nr. 6569/04 (Arrigo en Vella t. Malta)).

5.2.

De rechtspraak van de Hoge Raad sluit hierbij aan en de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging moet ook dat licht worden bezien (HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3161 (Clickfondszaak)).
Het hof meent, met de Staat, dat de politie in dit geval met het persbericht het beginsel van de onschuldpresumptie niet heeft geschonden. Voorlichting over de huiszoeking en aanhouding was, met name gelet op de onrust in [gemeente], voor de hand liggend, terwijl transparantie over de aard van de (voor de directe omgeving kenbare) huiszoeking mede in het belang was van [geïntimeerde] . De politieactie had immers kunnen leiden tot speculatie bij buurtgenoten dat sprake was van een ernstiger verdenking dan (schuld)heling. Deze mogelijke speculatie is door de perspublicatie in de kiem gesmoord.

5.3.

Verder geldt dat de herleidbaarheid tot [geïntimeerde] bij zijn straatgenoten zijn oorzaak vindt in het rechtmatige politieoptreden. In ieder geval is er geen enkele aanwijzing dat, los van de (rechtmatig bevonden) huiszoeking en aanhouding, de identiteit van [geïntimeerde] was af te leiden uit de omschrijving in het persbericht “47-jarige [inwoner naam gemeente]”. Hierbij verdient opmerking dat [gemeente], zoals algemeen bekend is, een stad is met een groot aantal inwoners. De mededeling in het persbericht dat de politie verwacht met de aanhouding een einde te hebben gemaakt aan heling en of diefstal van autoradio’s, is in dit geval bovendien voldoende terughoudend van inhoud en toonzetting.

5.4.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de eerste twee grieven slagen en dat de derde grief geen bespreking behoeft. Het hof zal het vonnis wat betreft de veroordeling tot vergoeding van immaterieel nadeel vernietigen en de vordering van [geïntimeerde] tot vergoeding van immaterieel nadeel alsnog afwijzen. De compensatie van de kosten in eerste aanleg blijft in stand, nu partijen nog steeds over en weer als deels in het ongelijk gesteld gelden. In hoger beroep zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Tevens zal [geïntimeerde] tot terugbetaling van het (door vernietiging van dit onderdeel van het bestreden vonnis) onverschuldigd betaalde worden veroordeeld, dit overeenkomstig de vordering van de Staat. Beslist zal worden als na te melden.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Den Haag van 21 september 2016, voor zover daarbij de vordering tot vergoeding van immateriële schade is toegewezen tot een bedrag van € 1.500,-, te vermeerderen met rente;

en opnieuw rechtdoende:

- wijst de vordering van [geïntimeerde] tot vergoeding van immaterieel nadeel alsnog af;

- veroordeelt [geïntimeerde] om al hetgeen de Staat terzake onverschuldigd heeft voldaan, aan de Staat terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 96,57 aan kosten uitbrengen appeldagvaarding,
€ 1.952,-- aan griffierecht en € 759,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen met de nakosten van € 131,-- (in het geval van betekening van dit arrest te verhogen met € 68,--) en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, E.M. Dousma-Valk en M.P.J. Ruijpers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 januari 2019 in aanwezigheid van de griffier.