Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:790

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
12-04-2019
Zaaknummer
200.245.794/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Einde samenleving. Gemeenschappelijke woning. Man verhoogt na uiteengaan het bedrag van de hypothecaire geldlening met € 20.000. Daardoor is de overwaarde bij verkoop (na aflossing) € 20.000 lager uitgevallen. De vrouw vordert de helft van dat nadeel: € 10.000. Nu de man de verhoging niet vooraf heeft besproken en onduidelijk is gebleven waaraan het geld besteed is wijst het hof, anders dan de rechtbank, de vordering van de vrouw (de facto neerkomende op de helft van fictief € 20.000 meer overwaarde) toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.245.794/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/535350/ HA ZA 17-898

Arrest van 26 maart 2019

inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. S. Sturrus-Burger te Rotterdam,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

verstek verleend.

Het verloop van het geding

Appellante is op 7 september 2018 in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van 13 juni 2018 van de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen. Het hof gaat ervan uit dat op die datum het vonnis is gewezen. In de koptekst van het vonnis is als datum vermeld 27 juni 2018.

Bij memorie van grieven heeft appellante 6 grieven geformuleerd.

Tegen geïntimeerde is verstek verleend.

Appellante heeft haar procesdossier gefourneerd en arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

Bestreden vonnis

1. Uit het bestreden vonnis volgt dat partijen op 8 december 2000 een samenlevingsovereenkomst hebben gesloten. Partijen hebben tot 30 mei 2008 met elkaar samengewoond. Partijen hadden een woning te [plaatsnaam] aan de [adres] in mede-eigendom. Na het beëindigen van de samenleving heeft eerst appellante tot medio 2010 in de woning gewoond, nadien woonde geïntimeerde in de woning. Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 mei 2012 is beslist dat de woning moest worden verkocht. De woning is uiteindelijk verkocht en geleverd op 2 november 2016.

2. Geïntimeerde heeft appellante gedagvaard ter zake de financiële afwikkeling van de woning. In randnummer 17 en 18 van zijn inleidende dagvaarding heeft hij zijn vordering op appellante geformuleerd. Bij conclusie van antwoord tevens conclusie van eis heeft appellante een tegenvordering ingesteld. In randnummer 24 van haar conclusie heeft zij gesteld dat geïntimeerde zonder haar toestemming en medeweten de hypotheek – het hof begrijpt de hypothecaire geldlening – met een bedrag van € 20.000,- heeft verhoogd. Door deze verhoging is het bedrag aan overwaarde op de woning € 20.000,- lager, hetgeen voor appellante een nadeel oplevert van € 10.000,-.

3. In r.o 4.9 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank onder meer overwogen: “(…) Anderzijds is wel aannemelijk dat het [de man] financieel zwaar viel om de woonlasten als enige te voldoen. Een belangrijke aanwijzing hiervoor is dat hij ook niet in staat was om de woning op zijn naam te zetten. De rechtbank acht de stelling van [de man] dan ook aannemelijk dat hij de extra opname van € 20.000,00 in substantiële mate heeft aangewend voor de betaling van de woonlasten en/of verbetering van de woning. [de vrouw] zou dan ook ongerechtvaardigd verrijkt worden als [de man] haar de in reconventie gevorderde € 10.000,00 zou moeten betalen. (…)”.

4. Uit het dictum van het bestreden vonnis volgt dat het opgebouwde kapitaal van de levensverzekeringen bij Nationale Nederlanden met polisnummers [volgt nummers] bij helfte tussen partijen moeten worden verdeeld, en voorts dat appellante ter zake door geïntimeerde betaalde premies van deze levensverzekeringen een bedrag van € 750,- dient te voldoen aan geïntimeerde.

Vordering appellante

5. Appellante vordert dat het dit hof moge behagen het bestreden vonnis, waarbij een vordering van geïntimeerde als eiser in conventie is toegewezen en de vordering van appellante als eiseres in reconventie is afgewezen, gedeeltelijk te vernietigen en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad:

- de vorderingen van geïntimeerde in conventie af te wijzen;

- de vordering van appellante in reconventie toe te wijzen;

- geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties.

Grieven

6. In de kern betoogt appellante dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd is getreden door zelf de feiten aan te vullen met betrekking tot de hypothecaire geldlening van € 20.000,- die geïntimeerde zonder medeweten van appellante is aangegaan en ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat er geen grond is voor betaling van een bedrag van € 10.000,- door geïntimeerde aan appellante. Door appellante is onder meer gesteld dat de rechtbank naar eigen inzicht een aanname heeft gedaan en feiten heeft aangevuld, hetgeen niet is toegestaan. Geïntimeerde heeft nimmer inzichtelijk gemaakt waarom de bank de hypotheekovername niet heeft goedgekeurd. Het feit dat de bank de overname van de lening heeft geweigerd zegt niets over het inkomen van geïntimeerde, hoe hij zijn inkomen besteedde en of hij de woonlasten gemakkelijk kon betalen of niet. Geïntimeerde heeft zelf gesteld dat hij de hypotheekverhoging diende te gebruiken om de woning te verbeteren. Appellante is van mening dat geïntimeerde op geen enkele wijze heeft aangetoond waaraan hij het geld heeft besteed. Door geïntimeerde is niet aangevoerd dat hij de hypotheekverhoging nodig had om de woonlasten te voldoen. Geïntimeerde heeft juist nagelaten te onderbouwen waar hij de hypotheekverhoging aan heeft besteed, hetgeen een van de belangrijkste punten van de vordering van appellante is.

7. Het hof overweegt als volgt. De woning te [plaatsnaam] behoorde partijen in mede-eigendom toe. Er is sprake van een eenvoudige gemeenschap en de aard van deze gemeenschap brengt met zich dat die geen schulden kan omvatten. Beide partijen dienen hun eigen aandeel in het goed te financieren, behoudens andersluidende afspraken. Als een deelgenoot ten behoeve van de gemeenschappelijke woning een beheersdaad wenst te verrichten, dient hij daarvoor de instemming te hebben van de andere deelgenoot, tenzij er sprake is van een situatie die geen uitstel kan dulden. In het onderhavige geval heeft geïntimeerde de hypothecaire lening met
€ 20.000,- verhoogd. In zijn inleidende dagvaarding – randnummer 15 – heeft hij gesteld dat hij het bedrag van € 20.000,- heeft opgenomen om de termijnen van de hypotheek te voldoen alsook om verbouwingen van de keuken en de badkamer te financieren. Vast staat dat geïntimeerde toentertijd in de woning woonde. Indien de verhoging van de lening daadwerkelijk voor de gemeenschappelijke woning noodzakelijk was, had het op de weg van geïntimeerde gelegen appellante hierover vooraf te informeren alsmede haar instemming daarvoor te vragen. Nu hij dat niet heeft gedaan en eveneens onduidelijk is waaraan hij het geld heeft besteed, komt de extra lening volledig ten laste van de man. Grief VI van appellante treft dus doel, hetgeen impliceert dat haar vordering jegens geïntimeerde van € 10.000,- voor toewijzing gereed ligt. Grieven I tot en met III behoeven daarom geen (nadere) bespreking meer.

8. Appellante is het er voorts niet mee eens dat zij aan geïntimeerde een geldbedrag moet betalen van € 750,- ter zake betaalde levensverzekeringspremies. Appellante heeft gesteld dat de premies van levensverzekering al vanaf 2009 niet meer werden betaald. In de visie van appellante heeft de rechtbank de blote stelling van geïntimeerde gevolgd, terwijl uit niets blijkt dat geïntimeerde de premies heeft betaald.

9. Het hof overweegt als volgt. Als beide partijen gelijk gerechtigd zijn in de polissen levensverzekeringen, dienen zij – behoudens andersluidende afspraken – ieder voor een gelijk deel bij te dragen in de premies. Indien geïntimeerde stelt dat hij ook het aandeel in de premies voor appellante heeft betaald en appellante dit betwist, rust op hem daarvan de bewijslast. Geïntimeerde heeft in zijn inleidende dagvaarding geen specificatie gegeven van de door hem betaalde premies. Geïntimeerde dient zijn vordering deugdelijk te onderbouwen door aan te geven wanneer hij welke premie heeft betaald en uit welke geldmiddelen. Geïntimeerde moet dus geldstromen in kaart brengen en het in geding brengen van een aantal bankafschriften zonder nadere toelichting is daartoe niet voldoende. Per betaling moet worden aangegeven op welke premie de betaling betrekking heeft. Ook grieven IV en V treffen dus doel.

Proceskosten

10. Gezien het feit dat partijen met elkaar een affectieve relatie hebben gehad, acht het hof het redelijk de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 juni 2018 tussen partijen gewezen voor zover:

  • -

    appellante is veroordeeld om aan geïntimeerde te betalen een bedrag van € 750,- zijnde de helft van de door geïntimeerde betaalde premies van de levensverzekeringen bij Nationale Nederlanden met polisnummers [volgt nummers] ;

  • -

    de vordering van appellante van € 10.000,- jegens geïntimeerde is afgewezen;

en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

  • -

    wijst de vordering van geïntimeerde op appellante van € 750,- alsnog af;

  • -

    veroordeelt geïntimeerde om binnen een maand na datum van dit arrest tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan appellante te betalen de somma van
    € 10.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de conclusie van eis in eerste aanleg tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

bekrachtigt het bestreden vonnis van 13 juni 2018 voor het overige;

compenseert de proceskosten in de onderhavige appelprocedure, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, F. Ibili en A.C. Olland en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2019 in aanwezigheid van de griffier.