Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:785

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-04-2019
Datum publicatie
08-05-2019
Zaaknummer
200.232.020/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2020:2553
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenarrest. Door partijen getekende "overeenkomst geldlening" bevat slechts verplichtingen aan de zijde van een van de partijen (geldlener). Vrije bewjiskracht. Geldgever wordt toegelaten tot leveren van bewijs van (hoogte) geldlening en voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.232.020/01

Zaaknummer rechtbank : C/09/539657/ HA ZA 17-985

arrest van 16 april 2019

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. A.B.B. Beelaard te Den Haag,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.J.L. Paijmans te Breda.

1 Het geding

1.1

Bij exploot van 16 januari 2018 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 13 december 2017. Bij arrest van 13 februari 2018 is een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 3 april 2018. Partijen zijn in de oproepingsbrief erover geïnformeerd dat de comparitie zou plaatsvinden ten overstaan van raadsheer-commissaris mr. M.D. Ruizeveld. Zij hebben daartegen geen bezwaar gemaakt en evenmin verzocht om een comparitie ten overstaan van de meervoudige kamer. Van de comparitie is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. Het proces-verbaal is voorafgaand aan dit arrest aan partijen gezonden en ter beschikking gesteld aan (de overige leden van) de meervoudige kamer.

Bij memorie van grieven met producties heeft [appellante] vijf grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd.

2 Beoordeling van het hoger beroep

De rechtbank heeft in het vonnis van 13 december 2017 de feiten niet separaat vastgesteld. Het hof zal de feiten die niet in geschil zijn zelf vaststellen. Het gaat in deze zaak om het volgende:

2.1

[geïntimeerde] en [appellante] hebben een “Overeenkomst persoonlijke geldlening t.b.v. [appellante]” getekend, met als daarin vermelde datum van ondertekening 1 februari 2014 (hierna: de overeenkomst). In de overeenkomst wordt [appellante] als geldnemer en [geïntimeerde] als geldgever aangeduid. Het volgende is bepaald:

“1. Geldlener verklaart van geldgever per 01 februari 2014 een lening van EUR 72.500,00 (zegge: tweeënzeventig duizend vijfhonderd EURO) te hebben ontvangen.

2. Geldlener verklaart deswege de in punt 1. genoemde hoofdsom schuldig te zijn aan geldgever.

3. Over de hoofdsom is geldlener aan geldgever een maandelijkse rente verschuldigd ter grootte van 1.5 procent (1.5%).

4. Geldlener zal de lening binnen een (1) jaar aflossen incl. de rente EUR 13.050,00 (zegge dertien duizend en vijftig EURO), uiterlijk 31 januari 2015.

5. Geldlener mag te aller tijde de lening of een deel daarvan aflossen, zonder dat geldgever een boeterente of andere kosten in rekening zal brengen.

6. Geldgever kan de hoofdsom onmiddellijk opeisen van geldlener, als het faillissement van geldlener wordt aangevraagd, geldlener in surseance van betaling geraakt of beslag wordt gelegd op aan geldlener toebehorende zaken.

7. Op deze overeenkomst is het Nederlands Recht van toepassing.”

2.2

Bij brieven van 9 september 2015 en 18 augustus 2017 heeft een rechtsbijstandverlener van [geïntimeerde] [appellante] aangemaand tot betaling van de hoofdsom en verschuldigde rente.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg - kort gezegd - een verklaring voor recht gevorderd dat [appellante] tekort is geschoten in haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst. Verder heeft [geïntimeerde] van [appellante] betaling gevorderd van € 72.500,- met daarover 1,5% rente per maand vanaf 1 februari 2014, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. [appellante] heeft, hoewel zij in eerste aanleg wel is verschenen, hierop niet in rechte geantwoord en de rechtbank heeft - samengevat - [appellante] veroordeeld tot betaling van € 72.500,- te vermeerderen met de contractuele rente van 1,5% per maand vanaf 1 februari 2014. Ook heeft de rechtbank [appellante] veroordeeld in de proceskosten. De overige vorderingen van [geïntimeerde] heeft de rechtbank afgewezen.

4 Beoordeling van het hoger beroep
4.1 Het hoger beroep van [appellante] strekt ertoe dat het bestreden vonnis wordt vernietigd en dat de vordering van [geïntimeerde] alsnog wordt afgewezen, voor zover de vordering het bedrag van € 25.000,- te boven gaat, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van dit geding. [appellante] heeft daartoe vijf grieven geformuleerd. Grief 1 betoogt dat de overeenkomst vernietigd moet worden wegens misbruik van omstandigheden, in het bijzonder omdat sprake was van een noodtoestand nu [appellante] niet in staat was haar wil vrijelijk te bepalen en zij onder druk de - niet onderhandelbare en inhoudelijk onjuiste - overeenkomst getekend heeft. De grieven 2 en 3 betogen dat [appellante] slechts € 25.000,- van [geïntimeerde] heeft geleend en dat de gevorderde rente beperkt moet worden tot € 4.500,-. Grief 4 richt zich tegen de hoogte van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Grief 5 betreft een restgrief.

4.2

[geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen en bekrachtiging van het vonnis, zo nodig onder verbetering van gronden, en tot veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding, met wettelijke rente.

Misbruik van omstandigheden

4.3

Het hof stelt voorop dat een beroep op misbruik van omstandigheden slaagt als - kort gezegd - de partij die zich op de overeenkomst beroept, weet of moet begrijpen dat de wederpartij door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid bewogen is tot het aangaan van de overeenkomst en zij de totstandkoming van die overeenkomst bevordert, ofschoon zij weet of moet begrijpen dat zij de wederpartij daarvan had behoren te weerhouden.

4.4

Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] ter onderbouwing van haar beroep op misbruik van omstandigheden onvoldoende gesteld. Dat het gesprek met [geïntimeerde] twee uur heeft geduurd, dat er geschreeuwd is, dat [geïntimeerde] heeft gehuild en gezegd dat ze niet weg zou gaan voordat de - door haar reeds op voorhand opgestelde - overeenkomst getekend was, al dan niet in het bijzijn van haar partner met wie [appellante] de relatie goed wilde houden, en [appellante] zich daardoor onder druk gezet voelde, volstaat niet. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat [appellante] door deze omstandigheden in een noodtoestand is komen te verkeren die haar ertoe heeft gebracht de overeenkomst te ondertekenen, laat staan dat [geïntimeerde] dat wist of behoorde te begrijpen. Bovendien erkent [appellante] bedragen van [geïntimeerde] te hebben ontvangen, waaronder in elk geval een geldlening voor een bedrag van € 25.000,-. Nu hetgeen door [appellante] gesteld is, indien bewezen, niet kan leiden tot een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden, gaat het hof voorbij aan het door [appellante] op dit punt gedane bewijsaanbod door middel van getuigen. Grief 1 faalt derhalve.

Hoogte hoofdsom en rente

4.5

Grief 2 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellante] op grond van de overeenkomst een bedrag van in hoofdsom € 72.500,- moet betalen. [appellante] stelt daartoe het volgende. Zij heeft, anders dan in de overeenkomst staat, slechts € 25.000,- van [geïntimeerde] geleend. Het bedrag van € 72.500,- bestaat uit vier onderdelen. € 30.000,- was bestemd voor de aankoop van een woning in Suriname en € 25.000,- was bestemd als belegging. Samen hebben [geïntimeerde] en [appellante] € 60.000,- bij een notaris in depot gegeven en samen hebben zij € 50.000,- belegd bij een beleggingsmaatschappij in Suriname. Voor beide zaken lag het initiatief bij [geïntimeerde] die Nederlands geld in Suriname wilde beleggen en [appellante] vroeg om mee te doen. Omdat [appellante] zelf onvoldoende geld had, heeft [geïntimeerde] om die reden haar dat geld voorgeschoten. De afspraak ten aanzien van de woning was dat [geïntimeerde] de helft van het bedrag van de woning zou terugkrijgen zodra de aangekochte woning weer zou zijn verkocht. Niet te verwachten valt dat de gelden nog terug te krijgen zijn. Het bedrag van € 7.500,- heeft [appellante] niet van [geïntimeerde] geleend maar van een ander persoon. Het bedrag van € 10.000,- heeft [appellante] niet geleend. De overeenkomst is niet op 1 februari 2014 in Amsterdam getekend maar in augustus 2015 op het kantoor van [appellante] in Den Haag. Onder grief 3 betoogt [appellante] dat (daarom) de ingevolge de overeenkomst verschuldigde rente berekend moet worden over het onbetwiste bedrag van € 25.000,-, gedurende maximaal de periode van 1 februari 2014 tot en met 31 januari 2015. De rente moet dus beperkt worden tot een bedrag van € 4.500,- (1,5% per maand x € 25.000,- x 12 maanden).

4.6

Het hof overweegt als volgt. De bepalingen in de door partijen getekende overeenkomst zien op de bevestiging van de ontvangst van een geldsom, de verschuldigdheid van een geldsom en de maandelijks verschuldigde rente over dit bedrag door [appellante] en de termijn waarbinnen [appellante] de lening met rente moet aflossen. In de overeenkomst zijn slechts verplichtingen van [appellante] vastgelegd. Het hof is daarom van oordeel dat de tussen partijen getekende overeenkomst moet worden aangemerkt als een eenzijdige onderhandse akte in de zin van artikel 158 Rv. Deze akte is niet eigenhandig door [appellante] geschreven, noch is deze voorzien van een met de hand geschreven goedschrift waarin het bedrag voluit in letters is vermeld. De akte heeft dan ook (slechts) vrije bewijskracht. [geïntimeerde] vordert nakoming van de overeenkomst. [appellante] erkent dat zij een geldbedrag van € 25.000,- heeft geleend, maar betwist de verschuldigdheid van het meerdere alsmede - voor het overige - de inhoud van die overeenkomst in die zin dat het geen overeenkomst van geldlening betreft maar dat zij de overeenkomst heeft getekend om de gemoedsrust van [geïntimeerde] te bedaren, dat ondertekening op een andere, latere, datum heeft plaatsgevonden dan waarop de gelden aan haar zijn uitgeleend, en dat ten aanzien van het bedrag van € 30.000,- was afgesproken dat terugbetaling eerst zou plaatsvinden na verkoop van de door beide partijen aan te kopen woning. Nu [geïntimeerde] zich op beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde overeenkomst, draagt zij daarvan de bewijslast. Anders dan [geïntimeerde] betoogt acht het hof, gelet op de gemotiveerde betwisting door [appellante], dat bewijs niet geleverd door de enkele overlegging van de overeenkomst. [geïntimeerde] heeft ter zake ook bewijs aangeboden en zal in de gelegenheid worden gesteld dat bewijs te leveren, in het bijzonder dat en op welk moment zij aan [appellante] geldbedragen tot in totaal € 72.500,- heeft uitgeleend, welke bedragen uiterlijk 31 januari 2015 moesten worden terugbetaald en waarover een contractuele rente verschuldigd is van 1,5% per maand vanaf 1 februari 2014 tot de voldoening.

4.7

De beoordeling van de grieven die zich richten tegen de hoogte van de gevorderde rente en de proceskostenveroordeling van [appellante] in eerste aanleg, zal het hof aanhouden tot na een eventuele bewijslevering.

Beslissing

Het hof:

- laat [geïntimeerde] toe bewijs te leveren dat en wanneer zij uit hoofde van de met [appellante] gesloten overeenkomst van geldlening bedragen tot in totaal € 72.500,- aan [appellante] heeft uitgeleend, welke bedragen uiterlijk 31 januari 2015 moesten worden terugbetaald en waarover een contractuele rente verschuldigd is van 1,5% per maand vanaf 1 februari 2014 tot de voldoening;

- bepaalt dat, indien [geïntimeerde] getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. M.D. Ruizeveld, op dinsdag 11 juni 2019 om 13:30 uur;

- bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden juni tot en met oktober van 2019, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;

- verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.D. Ruizeveld, F.R. Salomons en M.T. Nijhuis, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2019 in aanwezigheid van de griffier.