Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2019:76

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
30-01-2019
Zaaknummer
200.223.661/01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pensioenrecht, vroegpensioen. Werknemer wil met vervroegd pensioen. Bedrijfstakpensioenfonds informeert hem onjuist over de hoogte van het pensioen. Werknemer meent dat het gaat om een aanbod dat hij heeft aanvaard en vordert nakoming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0105
PJ 2019/40 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.223.661/01

Zaaknummer rechtbank : 5069821 RL EXPL 16-14147

arrest van 29 januari 2019

inzake

Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek,

gevestigd te Den Haag,

appellante,

hierna te noemen: PMT,

advocaat: mr. R.H. Maatman te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. F. Werdmüller von Elgg te Utrecht.

1 Het verloop van het geding

1.1

De kantonrechter te Den Haag heeft op 30 november 2016 en op 10 mei 2017 in deze zaak tussen partijen vonnis gewezen. Bij exploot van 9 augustus 2017 is PMT hiervan in hoger beroep gekomen.

1.2

Bij arrest van 21 november 2017 heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie heeft op verzoek van partijen geen doorgang gevonden.

1.3

PMT heeft bij memorie van grieven vijf grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht.

1.4

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en producties overgelegd.

1.5

Partijen hebben op 14 december 2018 hun zaak doen bepleiten door hun advocaten aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities.

1.6

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

2. Inleiding

2.1

De kantonrechter heeft in het vonnis van 30 november 2016 onder 2.1 tot en met 2.12 een aantal feiten vastgesteld. Daartegen zijn geen grieven gericht of bezwaren ingebracht, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

2.2.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) [geïntimeerde], geboren op [geboortedatum], heeft als deelnemer in de pensioenregeling van PMT pensioen opgebouwd. Hij heeft bij brief van 28 maart 2010 PMT verzocht hem een “offerte te doen toekomen voor een volledig vroegpensioen ingaande op 1 augustus 2010”.

( ii) Bij brief van 21 april 2010 heeft PMT het volgende geantwoord.

“Met deze brief informeren wij u graag over de mogelijkheden om vervroegd met ouderdomspensioen te gaan.

Pensioenmogelijkheden

Op bijgaand formulier hebben wij voor u een voorstel opgenomen over de wijze waarop u uw opgebouwde rechten kunt gebruiken voor uw pensioen. Het is mogelijk om op een andere datum met pensioen te gaan of om uw pensioen op een andere wijze te verdelen (herschikken). Herschikken is bijvoorbeeld het gedeeltelijk of volledig inruilen van het partnerpensioen. (…)

Herschikken van partnerpensioen

Heeft u een partner en wilt u de waarde van het partnerpensioen herschikken, dan kan dat alleen als uw partner daarin toestemt. Heeft u geen partner dan is een verklaring nodig waarin u aangeeft dat u alleenstaand bent. Voor uw gemak hebben we bij deze brief twee herschikverklaringen gevoegd. De verklaring die in uw situatie van toepassing is stuurt u volledig ingevuld en ondertekend mee met het aanvraagformulier. (…)

Vervroegd pensioen

Maakt u géén gebruik van de mogelijkheid om vervroegd met ouderdomspensioen te gaan, dan ontvangt u van ons een aanvraagformulier voor het ouderdomspensioen zes maanden voordat u 65 jaar wordt. Natuurlijk kunt u ons altijd verzoeken een nieuw voorstel te maken wanneer u op een ander tijdstip vervroegd wilt pensioneren.

Gebruik maken van bijgaand pensioenvoorstel

Wilt u gebruik maken van bijgaand pensioenvoorstel, dan hebben wij voor het vastleggen van uw pensioenuitkering een aantal gegevens nodig. Enkele gegevens zijn al op bijgaand aanvraagformulier ingevuld. Wilt u, wanneer nodig, verbeteringen aanbrengen en ontbrekende gegevens invullen. (…)

Voorbehoud

Bij het bepalen van de hoogte van uw pensioen zijn wij uitgegaan van de gegevens, zoals die op de datum van berekening vermeld waren in onze administratieve systemen. Het is mogelijk dat deze gegevens nog moeten worden geactualiseerd. Wij vragen u om mede aan de hand van het pensioenreglement alle gegevens zorgvuldig te controleren. Reglementair ben u verplicht om elke (vermoedelijke) onjuistheid en onvolledigheid schriftelijk aan het fonds te melden. Aan mededelingen, gegevens en bedragen waarvan u, mede gezien het pensioenreglement, had kunnen weten dat die niet juist waren, kunt u géén rechten ontlenen. U kunt namelijk uitsluitend rechten ontlenen aan de bepalingen van het pensioenreglement. Zonder het volledig ingevulde aanvraagformulier kunnen wij uw pensioen niet uitkeren. (…)”

( iii) Bij de brief van 21 april 2010 was een “Aanvraagformulier vervroegd pensioneren” (hierna: het aanvraagformulier) gevoegd. Hierop stond een “overzicht pensioenaanspraken” met ingangsdatum 1 augustus 2010 vermeld, dat als volgt luidde:

“Ouderdomspensioen vóór 65 jaar € 58.961,80 bruto per jaar

Ouderdomspensioen € 30.297,09 bruto per jaar

Partnerpensioen € 17.134,78 bruto per jaar”

( iv) [geïntimeerde] heeft het aanvraagformulier (verder) ingevuld en gecorrigeerd. Hij heeft het op 29 april 2010 ondertekend en met de bijbehorende bewijsstukken aan PMT gezonden.

( v) Bij de brief van 21 april 2010 was ook een “Verklaring inzake herschikken van vervroegd ouderdomspensioen” gevoegd. Deze verklaring is op 29 april 2010 door de echtgenote van [geïntimeerde] ondertekend. Zij deed daarmee afstand van een deel van de ten behoeve van haar opgebouwde aanspraak op partnerpensioen tegen het volgende op grond van het pensioenreglement overeengekomen herschikresultaat: ouderdomspensioen vóór 65 jaar € 58.961,80; ouderdomspensioen € 30.297,09; partnerpensioen € 17.134,78.

( vi) Bij brief van 2 juli 2010 heeft PMT [geïntimeerde] geïnformeerd over zijn pensioenuitkering:

“Vanaf 01-08-2010 heeft u recht op een Vervroegd Ouderdomspensioen van € 59.025,53 bruto per jaar. (…)

De overige aanspraken bedragen op 01-08-2010:

Ouderdomspensioen, bruto per jaar € 30.297,09

Partnerpensioen, bruto per jaar € 17.134,78”

( vii) [geïntimeerde] is op 1 augustus 2010 uit dienst getreden. Hij was toen 62 jaar en 3 maanden oud. Sindsdien ontvangt hij van PMT maandelijks een pensioenuitkering, aanvankelijk op basis van € 59.025,53 bruto per jaar.

( viii) Bij brief van 7 maart 2011 heeft PMT [geïntimeerde] laten weten dat de brief van 21 april 2010 incorrecte bedragen bevatte. De juiste hoogte van de pensioenaanspraken per 1 augustus 2010 was volgens PMT:

 Vervroegd ouderdomspensioen € 55.775,90

 Ouderdomspensioen vanaf 65 jaar € 28.473,23

 Partnerpensioen € 16.255,93

PMT deelde [geïntimeerde] mede dat per maart 2011 de pensioenaanspraken naar beneden zouden worden aangepast en dat het teveel uitbetaalde bedrag tot februari 2011 niet zou worden teruggevorderd.

2.3

[geïntimeerde] heeft in deze procedure primair een verklaring voor recht gevorderd inhoudend dat PMT jegens [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de gevolgen van de onjuist gecommuniceerde pensioenbedragen in het aanvraagformulier en de bevestigingsbrief van 2 juli 2010, met veroordeling van PMT tot betaling van een bedrag van € 32.703,29 aan schadevergoeding. Subsidiair heeft [geïntimeerde] een verklaring voor recht gevorderd inhoudend dat [geïntimeerde] jegens PMT met terugwerkende kracht aanspraak heeft op de in de pensioenbrief van 2 juli 2010 toegekende bedragen, met veroordeling van PMT tot betaling van die bedragen (rekening houdend met een tweetal pensioenkortingen in 2013 en 2014). Tot slot heeft [geïntimeerde] betaling van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten gevorderd.

2.4

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 30 november 2016 de primaire vordering van [geïntimeerde] afgewezen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [geïntimeerde] zijn stelling dat hij schade heeft geleden onvoldoende onderbouwd. De enkele omstandigheid dat [geïntimeerde] lagere pensioenbedragen ontvangt dan de bedragen die zijn vermeld op het aanvraagformulier en in de bevestigingsbrief van 2 juli 2010 is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat [geïntimeerde] daadwerkelijk schade heeft geleden.

2.5

Ter zake van de subsidiaire vordering van [geïntimeerde] heeft de kantonrechter in het tussenvonnis geoordeeld dat aan [geïntimeerde] een beroep op gerechtvaardigd vertrouwen toekomt op basis van de door PMT in het aanvraagformulier verstrekte informatie. PMT heeft in haar hoedanigheid van pensioenuitvoerder informatie verstrekt op basis waarvan [geïntimeerde] de onherroepelijke keuze heeft gemaakt om met vervroegd pensioen te gaan, aldus de kantonrechter.

2.6

Nadat de kantonrechter beide partijen in de gelegenheid had gesteld zich nader uit te laten over de subsidiaire vordering, heeft hij in het eindvonnis geoordeeld dat PMT gehouden is aan [geïntimeerde] de bedragen uit te keren die in de brief van 21 april 2010 en het bijbehorende aanvraagformulier zijn vermeld. De kantonrechter heeft de subsidiair gevorderde verklaring voor recht toegewezen. Verder is PMT veroordeeld tot betaling van achterstallige pensioengelden tot en met 31 december 2016 ten bedrage van € 13.096,31 bruto (met wettelijke rente) en vanaf 1 januari 2017 tot betaling van ouderdomspensioen ten bedrage van € 2.356,24 bruto per maand (met wettelijke rente). PMT is ook veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van buitengerechtelijke incassokosten ad € 875,- en proceskosten.

2.7

In hoger beroep heeft PMT geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden vonnissen, tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] en tot veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling aan PMT van hetgeen PMT op basis van de bestreden vonnissen heeft voldaan, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

2.8

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met veroordeling van PMT in de kosten van het hoger beroep.

3 Beoordeling van het hoger beroep

3.1

Het gaat in deze zaak om de vraag of PMT gehouden is om aan [geïntimeerde] de pensioenuitkeringen te doen die zijn vermeld in het aanvraagformulier dat was gevoegd bij de brief van 21 april 2010. De grieven van PMT hebben alle hierop betrekking en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. In de kern komen de grieven erop neer dat PMT van mening is dat deze brief en het bijbehorende aanvraagformulier geen rechtshandeling in de zin van art. 3:32 BW inhield en dat [geïntimeerde] geen beroep op gerechtvaardigd vertrouwen als bedoeld in art. 3:35 BW toekomt. PMT heeft aan [geïntimeerde] geen toezegging gedaan en bij de in het aanvraagformulier genoemde pensioenbedragen is het voorbehoud gemaakt dat deze bedragen in overeenstemming zijn met het pensioenreglement, aldus PMT.

3.2

Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat tussen partijen vast staat dat de pensioenbedragen die in het aanvraagformulier zijn vermeld hoger zijn dan de bedragen waarop [geïntimeerde] op grond van het toepasselijke pensioenreglement recht heeft. Partijen zijn het ook erover eens dat de brief van 7 maart 2011 de pensioenbedragen bevat waarop [geïntimeerde] op grond van het reglement wél recht heeft. Tot slot staat vast dat PMT in 2010 bij de berekening van de aan [geïntimeerde] toekomende pensioenbedragen een fout heeft gemaakt.

3.3

In hoger beroep is niet meer aan de orde of de door PMT gemaakte fout onrechtmatig is jegens [geïntimeerde] en of [geïntimeerde] op grond daarvan aanspraak kan maken op schadevergoeding. Zoals hiervoor onder 2.4 weergegeven, heeft de kantonrechter [geïntimeerde]’ (primaire) vordering op grond van onrechtmatige daad afgewezen omdat [geïntimeerde] onvoldoende had onderbouwd dat hij schade had geleden als gevolg van de door PMT gemaakte fout. [geïntimeerde] heeft tegen dit oordeel geen (voorwaardelijk incidenteel) hoger beroep ingesteld.

3.4

Het hof dient uitsluitend de subsidiaire vordering van [geïntimeerde] te beoordelen. Deze vordering is gegrond op de stelling van [geïntimeerde] dat het aanvraagformulier in combinatie met de bijbehorende brief van 21 april 2010 is te beschouwen als een aanbod tot het sluiten van een overeenkomst en dat heeft hij dat aanbod door ondertekening van het aanvraagformulier aanvaard.

3.5

Voor de beoordeling is van belang dat PMT een bedrijfstakpensioenfonds is; zij is belast met de uitvoering van de tussen werknemers- en werkgeversorganisaties overeengekomen pensioenregeling. PMT heeft ingevolge art. 35 Pensioenwet een pensioenreglement opgesteld dat in overeenstemming behoort te zijn met de pensioenregeling die de sociale partners zijn overeengekomen. PMT is de uitvoerder van de pensioenregeling.

3.6

[geïntimeerde] heeft, als deelnemer in de pensioenregeling die bij PMT is ondergebracht, pensioenaanspraken opgebouwd. Hij ontleent deze pensioenaanspraken en pensioenrechten aan de tussen de sociale partners overeengekomen pensioenregeling en het pensioenreglement. Hij behoeft dus voor het verkrijgen van pensioen geen overeenkomst met PMT te sluiten. Als [geïntimeerde] met vervroegd pensioen wil gaan, vloeit rechtstreeks uit het pensioenreglement voort hoe hoog zijn vervroegd ouderdomspensioen zal kunnen zijn.

3.7

De veronderstelling van [geïntimeerde] dat hij door middel van aanbod en aanvaarding met PMT een overeenkomst heeft gesloten ter zake van het vroegpensioen – in het bijzonder een overeenkomst waarin is afgeweken van het reglement – berust dus op een misvatting. Uit de brief van 21 april 2010 blijkt niet van een door PMT verrichte rechtshandeling die is gericht op een van het reglement afwijkend rechtsgevolg. Ook blijkt daaruit niet dat PMT een “aanbod” wilde doen voor een pensioen ter hoogte van de in het aanvraagformulier genoemde bedragen, dat wil zeggen dat zij een van het reglement afwijkende overeenkomst wilde aangaan. PMT spreekt in de brief weliswaar een aantal keren van een “voorstel”, maar zij doelt daarbij (zoals blijkt uit de tekst van de brief) niet op een voorstel met betrekking tot de hoogte van de genoemde pensioenbedragen maar op een voorstel over de wijze waarop [geïntimeerde] zijn opgebouwde rechten kan gebruiken voor zijn pensioen. [geïntimeerde] kan ervoor kiezen om met vroegpensioen te gaan overeenkomstig het “voorstel” op het aanvraagformulier, maar hij kan ook beslissen het opgebouwde pensioen op andere wijze te verdelen (herschikken) of op een ander tijdstip met (vervroegd) pensioen te gaan.

3.8

Naar het hof begrijpt is [geïntimeerde] niettemin van mening is dat hij gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat het de wil van PMT was om hem de in het aanvraagformulier genoemde bedragen toe te kennen, ook al zou het gaan om bedragen die hoger waren dan hem op grond van het pensioenreglement toekwamen. Naar het oordeel van het hof kan [geïntimeerde] op grond van de brief van 21 april 2010 echter niet gerechtvaardigd erop hebben vertrouwd dat PMT deze wil had. Als gezegd, vermeldt de brief (voldoende) duidelijk dat PMT enkel heeft beoogd [geïntimeerde] te informeren over de mogelijkheden ter zake van zijn opgebouwde pensioenrechten. In het in de brief opgenomen voorbehoud staat verder onder meer dat [geïntimeerde] uitsluitend rechten kan ontlenen aan de bepalingen van het pensioenreglement. Dat PMT de bedoeling heeft gehad om [geïntimeerde] meer of andere rechten toe te kennen dan [geïntimeerde] op grond van het pensioenreglement al had, kan hij redelijkerwijs niet uit de brief hebben afgeleid. [geïntimeerde] heeft in ieder geval niet onderbouwd waarom hij de brief wél zo heeft opgevat en heeft mogen opvatten.

3.9

[geïntimeerde] beroept zich verder – kort gezegd – op “gerechtvaardigd vertrouwen” inhoudend dat hij erop heeft vertrouwd en op heeft mogen vertrouwen dat de door PMT in het aanvraagformulier genoemde bedragen correct waren. Naar het hof begrijpt, is [geïntimeerde] van mening dat hij destijds (in 2010) erop mocht vertrouwen dat PMT geen fout had gemaakt, dat wil zeggen dat de in het aanvraagformulier vermelde pensioenbedragen een correcte weergave waren van de pensioenaanspraken die voortvloeiden uit het pensioenreglement. PMT heeft overigens betwist dat er in de gegeven omstandigheden sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen aan de zijde van [geïntimeerde], maar zelfs als [geïntimeerde] gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de juistheid van de bedragen, kan hij op deze bedragen geen aanspraak maken. De in het aanvraagformulier vermelde bedragen stroken immers niet met de pensioenaanspraken waarop [geïntimeerde] krachtens het reglement recht heeft. Gesteld noch gebleken is dat het pensioenreglement de mogelijkheid biedt het pensioen te verhogen indien de pensioenuitvoerder (PMT) onjuiste (te hoge) bedragen vermeldt op het aanvraagformulier voor vroegpensioen.

3.10

[geïntimeerde] beroept zich ook nog op de brief van 2 juli 2010, waarin PMT eveneens te hoge pensioenbedragen had vermeld (zij het een ander (nog hoger) bedrag aan vroegpensioen dan het in het aanvraagformulier vermelde bedrag). Aan die brief heeft [geïntimeerde] mogelijkerwijs de verwachting kunnen ontlenen dat de in het aanvraagformulier genoemde bedragen niet te hoog waren. Echter, daarmee heeft [geïntimeerde] nog niet gerechtvaardigd erop mogen vertrouwen dat PMT de wil had om [geïntimeerde] een bovenreglementair pensioen toe te kennen.

3.11

Uit het voorafgaande volgt dat de grieven van PMT slagen. Het hof zal de bestreden vonnissen – voor zover in dit hoger beroep aan de orde – vernietigen en ook de subsidiaire vorderingen van [geïntimeerde] afwijzen. [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot terugbetaling van het onreglementaire deel van de pensioenuitkering dat hij vanaf 9 augustus 2017 op basis van het bestreden eindvonnis van PMT heeft verkregen, vermeerderd met de proceskosten en de buitengerechtelijke kosten die PMT aan [geïntimeerde] heeft betaald. Verder zal [geïntimeerde] worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, te verhogen met de wettelijke rente (conform de desbetreffende vordering van PMT).

3.12

Tot slot nog het volgende. Het hof heeft geconstateerd dat er in hoger beroep griffierecht is geheven op basis van een vordering met een waarde van € 139.161,-. Gelet op het dictum in het bestreden vonnis, waartegen PMT in hoger beroep komt, berust dit bedrag kennelijk op een misslag, die het hof zal herstellen. Het hof had het in 2017 geldende tarief voor vorderingen met een beloop van meer dan € 12.500,- en niet meer dan € 100.000,- moeten toepassen. Voor PMT komt dit neer op een bedrag van € 1.952,- in plaats van € 5.200,-. Voor [geïntimeerde] komt dit neer op een bedrag van € 716,- in plaats van € 1.682,-. Het hof zal de teveel betaalde bedragen crediteren/terugstorten. Bij de proceskostenveroordeling zal rekening worden gehouden met deze terugbetalingen.

4 Beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden vonnissen voor zover in dit hoger beroep aan de orde, en opnieuw recht doende:

- wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

- veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan PMT van het onreglementaire deel van de pensioenuitkering dat hij vanaf 9 augustus 2017 op basis van het bestreden eindvonnis van PMT heeft verkregen, vermeerderd met de proceskosten en buitengerechtelijke kosten die PMT aan [geïntimeerde] heeft betaald;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van PMT tot aan deze uitspraak bepaald op € 900,- voor salaris van de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf veertien dagen na dit arrest;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van PMT tot aan deze uitspraak bepaald op € 2.049,31 (zijnde € 1.952,- aan griffierechten + € 97,31 aan deurwaarderskosten) aan verschotten en € 1.391,- voor salaris van de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf veertien dagen na dit arrest;

- verklaart dit arrest wat betreft de terugbetalings- en kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, J.M.T. van der Hoeven-Oud en O.F. Blom en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2019 in aanwezigheid van de griffier.